Begraafplaats Nijemirdum

NEGEN GRAFSTENEN VOOR VLIEGENIERS

Foto Begraafplaats Nijemirdum d.d. 5 mei 2006 met de 9 grafstenen. In het meest linkse- en het meest rechtse graf zijn tot nu toe onbekende vliegers begraven.

Aan de oostkant van de begraafplaats in Nijemirdum, liggen aan weerszijden van het grindpad naar de toren, aan de zuidkant vijf en aan de noordkant vier graven. Hier zijn de stoffelijke resten begraven van geallieerde vliegers die in de laatste oorlog zijn omgekomen en in de omgeving van Nijemirdum zijn aangetroffen. Op de buitenste van de negen grafstenen is aangegeven dat daar tot nu toe onbekend gebleven personen (militairen) zijn begraven. 

Hoewel het niet met zoveel woorden in de boeken te vinden is, zullen de begrafenissen van de beide onbekende personen plaats gevonden hebben in Nijemirdum, omdat daar een gemeentelijke begraafplaats is. Gemeenten hebben de wettelijke plicht om de begrafenis of crematie te verzorgen als er niemand is die de kosten voor zijn rekening neemt. De begraafplaats Nijemirdum is gemeentelijk bezit en de begraafplaats in Oudemirdum is kerkelijk bezit. Gemeente Gaasterland heeft amper kosten als er in eigen grond wordt begraven.

Door enkele vernummeringen op de gemeentelijke begraafplaats is het grafnummer O-1 Zuid veranderd in O-5 Zuid. De gemeente De Fryske Marren heeft in een e-mail van 3 november 2016 antwoorden gegeven op mijn vragen omtrent eigendom en onderhoud. De gemeente heeft in een bijlage in haar archief de inventaris gevonden nummer 1596, archief GS 1984-2013. Het betrof hier een militair rijksgraf. Een militair rijksgraf houdt in dat het grafruimten zijn van Nederlandse- en geallieerde militairen.

Met hulp van Dirk Jan de Kleine uit Nijemirdum en de gemeente De Fryske Marren zijn beide plattegronden gemaakt. Hieruit blijkt dat de nummers na de oorlog zijn gewijzigd.

Dit was de nummering in 1945.

Het Rijk is rechthebbende van deze grafruimten. In de gemeente De Fryske Marren zijn 80 graven van Australiërs, Canadezen, Engelsen, Nieuw-Zeelanders en Polen die gevallen zijn voor de bevrijding van ons land. Militaire rijksgraven kwamen op alle gemeentelijke begraafplaatsen en op een viertal bijzondere begraafplaatsen voor. Het (groot) onderhoud van deze graven voert de Oorlogsgravenstichting uit. Voor het dagelijks onderhoud zorgt de beheerder van de begraafplaats. Samengevat: Het graf is eigendom van de gemeente. De oorlogsgravenstichting is rechthebbende. De steen is eigendom van CWGC (Commonwealth War Graves Commission)

De eerste vijf grafruimtes, op de achtergrond staan de kruisen.

Archief Gemeente De Fryske Marren

DE CRASH VAN DE WHITLEY BOMMENWERPER: MkV-Z 6948-EY-F

De grafstenen 2 tot en met 5 behoren bij de slachtoffers van de vliegtuigcrash die op 8 november 1941 in Nijemirdum plaatsvond.

Het was zaterdag 8 november 1941, halfzeven ’s morgens toen Nijemirdum in korte tijd in rep en roer raakte.
Met donderend geweld stortte de RAF Whitley bommenwerper: MkV-Z 6948-EY-F van het 78e RAF-squadron, brandend neer aan de zuidkant van de Hoitebuorren. Het gebeurde dichtbij de boerderij van Theunis Wagenaar en Christina Wilhelmina Wagenaar – Schilstra en hun vier kinderen. Het vliegtuig kwam op 150 meter afstand ten zuiden van de weg Nijemirdum – Oudemirdum neer, in de richting van het IJsselmeer.

Het toestel was gestationeerd op de Engelse basis Croft in het graagschap Durham Engeland en maakte deel uit van de Group Bomber Command nr 4. Pas in 1964 kon aan de hand van onderzoek aan de restanten van het vliegtuig worden vastgesteld om welk type het ging. Hierbij bleek dat deze Whitley een van de laatsten bij het 78 Squadron was geweest. Sinds november 1941 werden op Croft deze vliegtuigen vervangen door de zware viermotorige Handley Page “Halifax”.

De Whitley was de voorafgaande avond om 22.31 uur, samen met 386 andere bommenwerpers, onder slechte omstandigheden opgestegen vanuit Croft, met de Duitse stad Mannheim als doel. Sinds het begin van de oorlog was dit de grootste gecombineerde aanval op Duitsland van deze Bombers Command. De vliegers ondervonden veel last van ijsafzetting op de vleugels en staartvlakken van hun machines.  Berlijn werd door 79 machines gebombardeerd. De Duitse steden Keulen en Mannheim kregen de volle lading van 160 machines. Weer andere toestellen vielen doelen in het Rijnland aan. Deze nacht verloor de Engelse luchtmacht 37 vliegtuigen, 10% van het totaal. Hiervan kwamen er veertien in Nederland neer.

Om 02.31 uur gaf radiotelegrafist, sergeant Cameron, dichtbij Berlijn het bericht "Compelled to given up mission" door ten teken dat ze door omstandigheden gedwongen waren de operatie af te breken. Het grote en trage vliegtuig begon aan zijn thuisreis naar de basis Croft, via Nederland dat huiverde onder koud, guur, herfstig weer met een stevige zuidwestelijke wind.

Boven Elahuzen werd de Whitley aangevallen door Oberleutnant Ludwig Becker van 5/Nachtjäger Geschwader2 in een Messerschmitt Bf110, gestationeerd op het vliegveld Leeuwarden. De Whitley werd het 8e vliegtuig - van de 44 in totaal - dat hij neerhaalde.

 

Messerschmitt Bf110

Deze beschieting was raak en boven de Morra brandde het Engelse vliegtuig al als een fakkel. Het zette koers in zuidwestelijke richting en begon steeds meer hoogte te verliezen. In de omgeving van Hemelum stuurde piloot George McCombe het toestel in een linkerbocht in zuidelijke richting naar het Bakhuisterhoog. Hier gaf hij alle bemanningsleden die tot springen in staat waren, de opdracht het vliegtuig te verlaten. Er zijn ongetwijfeld gewonden aan boord geweest. Piloten kregen bij de opleiding de instructie dat zij in dit soort gevallen de gewonden levend aan de grond moeten zien te krijgen.

De waarnemer, sergeant Gilbert Terence Webb, ging als eerste door het noodluik. Hij kwam terecht op een perceel land, 100 meter westelijk van de weg Rijs-Bakhuizen bij de Sint Odulphushoeve bij de kruising van de weg naar Mirns. Hij viel precies op de leemput waar destijds struikgewas in stond. Hij kwam zo hard op de grond terecht dat hij daarmee een indruk naliet, stuitte vervolgens omhoog en bleef naast de door hem gemaakte indruk liggen. In die toestand werd hij kort daarna aangetroffen door politieman Meinsma. Bij het lichaam vond deze persoonlijke papieren van Webb. Het bleek dat Webb zijn parachute niet had aangegespt en dat hij al dood was voor hij de grond raakte.  Tijdens het luchtgevecht met de Messerschmitt had hij een schotwond van ca. 2 centimeter in zijn schedeldak opgelopen. Hierdoor was hij op slag dood. Verder waren er geen uiterlijke verwondingen. Meinsma reinigde de wond, waarna het stoffelijk overschot naar het lijkenhuisje in Mirns werd vervoerd.

Het is een raadsel waarom Webb zijn parachute niet had aangegespt. Daarvoor zijn twee mogelijkheden: of de vloer van het vliegtuig was al dusdanig kapot dat hij er doorgebrand is; of door een ontploffing was een gat in de vliegtuigromp geslagen en is hij door de enorme luchtstroom naar buiten gezogen. Webb was de eerste R.A.F.-man die op Zuidwesthoekse bodem sneuvelde.

Boven het Bakhuisterhoog maakte het vliegtuig weer een draai richting Mirns en het IJsselmeer. Daar zwenkte het nog eens naar bakboord en ging terug over de IJsselmeerdijk in zuidwestelijke richting, met de kop in de wind voor een goede landingspositie. Nu liet sergeant Bell zich door het noodluik zakken en verdween. Even later verscheen het toestel boven Nijemirdum. McCombe in zijn brandende cockpit probeerde het vliegtuig nog met een buiklanding aan de grond te krijgen. Bijna raakte hij de toren in Nijemirdum. Op het laatste moment – dichtbij de grond – zakte de ijzersterkte constructie van de Whitley bommenwerper in elkaar en dat was het absolute einde van de reis. Met een doffe dreun werd de vliegtuigromp uit elkaar geslagen terwijl de benzinetanks ontploften; een motor sloeg los en de cockpit kwam in de sloot terecht. Dit veroorzaakte een enorme vlammenzee. Lichtfakkels en seinpatronen uit het vliegtuig brandden in verschillende kleuren. Machinegeweerpatronen explodeerden naar alle kanten zodat het geluid en de vuurzee een angstaanjagend schouwspel gaven. Van de grote bommenwerper bleef praktisch niets herkenbaars over.

Een uur later kreeg de Gaasterlandse politie in Balk de officiële melding van het gebeurde. Commandant Wietse Hoving en agent Jacob Helder gingen direct naar Nijemirdum. Het terrein was al afgezet door twee marechaussees van de post Oudemirdum. De politiemannen zagen direct dat het om een Engels vliegtuig ging, omdat op een van de vleugels een oranje cirkel zat met een blauwgrijze ring eromheen.

Het aantreffen van Webb bij Bakhuizen was waarschijnlijk direct aan de politiesuperieuren meegedeeld. Om 11.35 uur zond de Procureur-Generaal van Politie uit Leeuwarden een telegram naar de burgemeester en het politiebureau van Gaasterland dat om 14.42 uur in het raadhuis werd bezorgd. Hierin werd het volgende aangegeven: "een lid van de bemanning is gedood en de anderen zijn voortvluchtig. Namens de Duitsche instantie wordt nauwkeurige recherche verzocht. Bij aanhouding van één of meer bemanningsleden wordt onverwijld telefonisch bericht aan mijn parket verzocht”.

George McCombe, sergeant Raymond Boucher en sergeant Donald Cameron waren allemaal bij Nijemirdum neergekomen. Zij werden later die dag door de Duitsers, die met een paar ambulancewagens naar Nijemirdum waren gekomen, dood in een sloot aangetroffen. Alleen de tweede piloot sergeant John William Bell, 25 jaar, uit Carshalton, Surrey, was daar niet bij. Hij was vlak voorbij Mirns, als tweede door het noodluik gesprongen. Maar boven het IJsselmeer viel hij in het ijskoude water. Het lichaam van Bell werd elf dagen later op 19 november 1941 bij Lemmer gevonden. Daar werd hij een dag later op 20 november 1941 begraven in vak C rij 10 nummer 257.

Al snel na het neerstorten in Nijemirdum arriveerden de Duitsers van de Luftwaffe in een paar legerauto´s. Zij waren in witte kleren, handschoenen en rubberen laarzen. De militairen haalden het stoffelijk overschot van McCombe uit de cockpitrestanten van het vliegtuig.

Duitse Luftwaffe-militairen inspecteren op 8 november 1941 de wrakstukken van het vliegtuig in Nijemirdum. Foto Beeldbank WO2 via Ab. Jansen

Op maandag 10 november 1941 vond om 15.30 uur de begrafenis plaats op het gemeentelijk kerkhof in Nijemirdum. De weersomstandigheden waren koud en slecht want de herfstwind was bijna tot een storm geworden. Theunis Wagenaar, Kees Hornstra en O. Stoker brachten de lichamen met paard en wagen naar het kerkhof. Om plusminus halfvier ‘s middags verscheen er bij het kerkhof een grote militaire auto met de Duitse aalmoezenier, twee Duitse officieren en leden van een vuurpeloton. Buiten het kerkhof stonden veel belangstellenden want op het kerkhof werd geen publiek toegelaten. In gelid liepen de leden van het vuurpeloton naar de geopende grafruimten, presenteerden daar hun geweer en brachten een militaire groet. De leiding was in handen van een Duitse aalmoezenier.
De sinds juni 1941 bevestigde Hervormde predikant Ds. Albert de Kleine uit Oudemirdum sprak aan het begin van de ceremonie enkele woorden. Van hem zijn de onderstaande aantekeningen.

“De lijken werden daarna door de Duitsche militairen in het graf bijgezet, waarna de veldprediker naar voren trad, zijn militair saluut bracht en hierna enkele woorden sprak. De Duitse aalmoezenier wees er o.a. op, dat het Gods wil en raad was, dat nu deze Engelsche vliegers hier lagen, ver van huis en haard verwijderd, die in den strijd waren gevallen. Ook wij staan midden in strijd, voor ons vaderland en ook wij kunnen ieder oogenblik vallen, maar ons leven is óók in Gods hand. Er was eens een onderzeebootkapitein, die altijd vóór dat hij de haven uitvoer, met zijn manschappen sprak en hen er op wees dat dit mogelijk hun laatste reis kon wezen. Zóó sterkte hij hen in hun strijd en koos hij altijd gerust zee. Luther ging ons voor in dit groot Godsvertrouwen en laten wij altijd zijn volgelingen blijven. Voor in 1916 de Skagerrakslag werd geleverd, schreef een van de kapiteins van de oorlogsbodems een brief aan zijn moeder, waarin hij o.a. dit schreef:,, “Wanneer mijn schip zinkt en ik ook verdronken ben, treur dan niet, want weet dat ik een betere plaats heb gekregen dan hier op aarde.” Wij weten niet, zoo sprak de veldprediker verder of deze menschen ook geloofden in een God. Tóch hebben ze voor het groote oogenblik van hun dood gestaan. Zij moesten in hun vaderland hun bekenden, vrienden, vrouwen, moeders en misschien kinderen achterlaten. Met wat voor gevoelens zij opgestegen zijn, weten wij niet en nu liggen zij hier. Doch nogmaals: zij zijn in Gods hand".
Daarna bad de Duitse veldprediker nog het “Onze Vader” in het Engels, waarna de kranslegging plaats vond door een Duitsche officier. Na de kranslegging stelde het vuurpeloton zich op en loste driemaal een salvo boven het geopend graf, waarna de veldprediker nog een kruisteken boven de geopende groeve maakte en de plechtigheid, welk met de noodige piëteit en correctheid werd vervuld, werd beëindigd. De Duitsers lieten de kisten zakken. Publiek werd op het kerkhof niet toegelaten, “doch sloeg van dichtbij deze ceremonie gade, trotseerende de ruwe herfststormen, die de atmosfeer allesbehalve aangenaam maakten. Vertegenwoordigers van de Gaasterlandse politie waren aanwezig. Bij ontstentenis van den heer Burgemeester waren de beide wethouders aanwezig”.

Zoals zo vaak bij officiële gelegenheden in oorlogstijd ontbrak burgemeester G.W.C.D. Schwartzenberg thoe Hohenlansberg ook hier. Ook bij droeve omstandigheden liet hij zich niet zien en liet de boodschap door anderen overbrengen. In het verslag van de dominee is sprake van de aanwezigheid van twee wethouders. Deze wethouders konden niet als vertegenwoordigers van het gemeentebestuur zijn gepresenteerd, omdat in Nederland de burgemeesters per 1 september 1941 alleenheersers waren geworden. Provinciebesturen, Gedeputeerden, de Provinciale Staten, Gemeenteraden, Wethouders en Commissies waren allemaal afgeschaft.

Toen de Duitse veldprediker het “Onze Vader” in het Engels bad, deden de kinderen van de christelijke lagere school uit Oudemirdum dat zachtjes ook.
Dat konden zij doen, omdat de schoolmeesters H.J. de Boer en schoolhoofd A.B. Renema de kinderen van klas 3 tot en met 7 hun dat geleerd hadden. Vooraf had meester Renema de kinderen geïnstrueerd om eerbiedig gedrag te laten zien en vooral geen speldjes met de Nederlandse vlag, of iets met Oranje op de jas te dragen, waar de Duitsers aanstoot aan konden nemen.
Zelf had Renema zijn eigen rood-wit-blauw knoopje voor deze gelegenheid van zijn jas gehaald. Daarna bleef hij het knoopje de gehele oorlog dragen. Toen iedereen vertrokken was, legden de inwoners van Nijemirdum bloemen op de verse graven.

Theunis Wagenaar, Kees Hornstra en O. Stoker voor het vervoer van de lichamen een bedrag van f. 10,00 (€ 4,54). Daarnaast nog eens f. 58,00 (€ 26,36) voor de betoonde hulp met twee mannen, twee paarden en een auto voor het vervoeren van het vliegtuigwrak. Er moet een auto bijkomen, omdat de wrakstukken diep in de modder vastzitten en er nauwelijks uitgehaald kunnen worden.

De schade aan het grasland van Wagenaar werd vastgesteld op f. 20,00 (€ 9,08) voor een hectare. Voor het verwijderen van scherpe voorwerpen kreeg Wagenaar f. 25,00 (€ 11,20) uitbetaald. Voor het egaliseren van het grasland en het aanbrengen van nieuwe grond werd hem nog eens f. 15,00 betaald. De Duitsers hebben nog een paar dagen toezicht gehouden bij de rampplaats. Zij werden zolang gehuisvest bij kolenhandelaar D. de Jong in Nijemirdum. De Jong kreeg een vergoeding van in totaal f. 23,00 (€ 10,45) voor het leveren van tien hectoliter “dominale en 50/80 antraciet”.

 

Grafsteen 2.

Pilot Officer G.M. McCombe,
Pilot R.A.F. 8 – 11- 1941, 25 year.

In proud and loving memory of a dear son.
The path of duty is the way to glory

Vertaling: In trotse en dierbare herinnering aan een geliefde zoon.
Het pad van de plicht is de weg naar de glorie).

George Marshall McCombe registratienr 104492, werdop  8 maart 1916 in Castlerock, Londonderry, Noord-Ierland geboren. Zijn ouders waren George en Mary McCombe. Hij was op 21 oktober 1941 getrouwd met Eileen McCombe-Doyle.

 

Grafsteen 3.

Sergeant R. Boucher, wireless operator/airgunner
Royal Air Force 8-11-1941 20 year.

Deep in our hearts your memory is rest. Missed by those who loved you best.

Vertaling: Diep in onze harten rust de herinnering aan jou. Je wordt gemist door hen die het meest van je hielden.

Sergeant Raymond Boucher, registratienr. 759315, was radiotelegrafist en boordschutter. Hij was afkomstig uit Sheffield in Yorkshire. Zijn ouders waren Mr. Willie Boucher en Mrs. Ethel Brown.

 

Grafsteen 4.

Sergeant D. Cameron, wireless operator/airgunner.
Royal Air Force 8-11-1941, 29
year.

In silence we remember

Vertaling: In stilte herdenken wij

Donald Cameron registratienummer 985637 was radiotelegrafist en boordschutter. Hij woonde in Dunoon, Argyllshire in Schotland. Zijn ouders waren Donald Cameron en Annie McBride Cameron uit Dunoon in Schotland. Donald was getrouwd met Catherine Margaret Cameron en zij hadden een zoontje die ook Donald heette en twee jaar was toen zijn vader in Nijemirdum verongelukte.

 

Grafsteen 5  

Sergeant G.T. Webb, observer,
Royal Air Force, 8-11-1941, 25 year.

Happy memories of dear Terry.
Life is indestructible. Love can never die.

Vertaling: Fijne herinneringen aan onze geliefde Terry.
Het leven is onverwoestbaar. De liefde kan nooit sterven.

Van Gilbert Terence Webb registratienummer 924137 is geen huwelijk bekend. Hij woonde woonde in ‘Sunskist’, Wheeler End, High Wycombe, Buckinghamshire in Engeland. Zijn ouders waren Frederick Gilbert Webb en Martha Webb-Plumridge. De familie heeft het graf in Nijemirdum bezocht.

Alle bemanningsleden maakten deel uit van de RAFVR. De laatste twee letters betekende Volunteer Reserve. Het waren mannen die vrijwillig in dienst gegaan waren.

..0..0..0..0..0..0..0..

DE VLIEGTUIGRAMP BOVEN TACOZIJL

Afbeelding overgenomen uit de Leeuwarder Courant van 22 augustus 2016

Maandag 29 maart 1943 werd boven het IJsselmeer ter hoogte van Lemmer om 23.46 uur tijdens heel slecht vliegweer de Vickers Wellington Mk. II BJ 762 van het 426e RAF-squadron aangeschoten door een Duitse nachtjager. De schutter was de Duitse majoor Helmut Lent (zie foto). De Wellington was op de terugweg vanuit Duitsland naar de thuisbasis Disfort in Engeland. Hun vlucht was niet onopgemerkt gebleven, want niet voor niets was er bij Sondel het Duitse peil- en radarstation Eisbär gestationeerd. Zij hadden daar door een goede peiling en communicatie met majoor Lent, het vliegtuig in hun klauwen. En deze Lent was een buitengewone schutter. Dit vliegtuig was zijn 63e overwinning van de in totaal 110 vliegtuigen die hij naar beneden zou gaan halen.

De avond daarvoor was de Vickers Wellington met bemanning om 19.31 uur opgestegen vanaf de Engelse thuisbasis Disfort. De opdracht was om een aanval uit te voeren op Bochum in het Duitse Ruhrgebied. De lading aan boord bestond uit het dodelijk materiaal van twee brisantbommen met een inhoud van 227 kilo, vier Small Bomb Containers met staafbrandbommen van 1.82 kilo en nog 24 brandbommen van ieder 13.6 kilo. Door het rake schot van Helmut Lent spatten de benzinetanks in de vliegtuigvleugels uit elkaar. De gevolgen waren rampzalig, want de vleugels werden daardoor in stukken geblazen, de motoren vielen uit de vleugels en de vliegtuigromp brak doormidden bij de hoofdlegger. Dit laatste werd de redding voor de sergeant-navigator H. Martin en radiotelegrafist J. Taylor. Zij werden beiden naar buiten gezogen en konden zij tijdig de parachutes opentrekken. Zij voerden de parachutesprong goed uit, want zij werden ’s morgenvroeg 30 maart beiden in de omgeving van Tacozijl in goede gezondheid aangetroffen. Zij zaten bij hun aanhouding en gevangenneming op een hek en rookten een sigaret. De rest van de oorlogstijd hebben zij in een krijgsgevangenkamp doorgebracht. De Wellington werd in twee stukken teruggevonden aan de noordkant van de Sondeler Leijen, op het land van de eigenaar R. Boonstra uit Sondel. De Sondeler Jouke Smits moest de wrakstukken naar de weg slepen. De weduwe R.R. Ottema uit Wijckel 172 vroeg naderhand aan de Wehrmachtskommandatur een vergoeding voor het maken van een nieuw hek. Het hek was weggenomen omdat de grond zacht was geweest. De Duitsers hebben alleen de Wehrmachtsstukken opgeruimd.

De ongehuwde 23-jarige Flightsergeant Richard Earl Todd zat - geheel verbrand – nog in de cockpit, terwijl de lichamen van sergeant John Franklin Gubb en van de in Dunklin wonende 23-jarige staartschutter Canadees John Arthur Baily tussen de wrakstukken lagen. De veldwachters Leendert van der Bie en Klaas Walda gingen ’s morgens om 7.30 uur naar de rampplaats in Sondel. Zij waren ‘s nachts al op weg geweest naar het vliegtuig, maar zij hadden het toestel vanwege de duisternis niet kunnen vinden. Enigszins bevreemdend, omdat er sprake was van brandende onderdelen en in de omgeving van Tacozijl was geen bebouwing, zodat ze van veraf een brand had kunnen zien. In het rapport schrijven de beide veldwachters dat bij hun aankomst het terrein al was afgezet door een militair van de Duitse Weermacht. Die had het dus wel in de duisternis kunnen vinden.

De drie overleden bemanningsleden werden woensdag 31 maart 1943 begraven op het gemeentelijk kerkhof in Nijemirdum. De leiding was in handen van Ds. Albert de Kleine uit Oudemirdum. De begrafenis vond plaats met militaire eer.

Voor een van de twee Gaasterlandse politiemannen had dit onderzoek nog een vervelend staartje. Tijdens de bewaking van het toestel had de veldwachter een kostbare ring gevonden van een slachtoffer. Het was verplicht – en bij iedere politieman voldoende bekend – dat alle gevonden voorwerpen bij de Duitsers moesten worden ingeleverd. Die zouden dan zorgen dat alles via het Rode Kruis weer bij de nabestaanden van het slachtoffer zou worden bezorgd. De Gaasterlandse politieman gaf de ring niet af, maar stak die in de zak van zijn uniform. Hij zou er zelf wel voor zorgen dat de ring bij de nabestaanden terecht zou komen, want hij vertrouwde de Duitsers niet. Helaas voor hem kon iemand uit de naaste omgeving dit niet stilhouden. Hij had alles gezien en het meenemen van de kostbare ring doorgegeven aan de Duitsers. Die riepen direct “Leichenraub” (lijkroof) en namen de politieman mee voor verhoor naar het politiebureau in Lemmer. Politiegroepscommandant van Gaasterland, Wietze Hoving werd bij dit verhoor geroepen en vertrok naar Lemmer om zijn ondergeschikte bij te staan. Daarin slaagde Hoving en de politieman mocht tot opluchting van allen weer huiswaarts keren.

 

Grafsteen 6.

Sergeant J.A. Bailey, airgunner,
Royal Canadian Air Force, 29-03-1943, 23 year.

Deep in our hearts fond memories are kept of you.

Vertaling: Diep in onze harten worden liefdevolle herinneringen aan jou bewaard.

Boordschutter en sergeant John Arthur Bailey was op 31 maart 1919 geboren en had de Canadese nationaliteit en woonde in Dunklin. Zijn ouders waren Jesse James Bailey en Elizabeth Bailey. Er is geen huwelijk bekend.

 

Grafsteen 7.

Sergeant J.F. Gubb, airbomber,
Royal Canadian Air Force, 29-
03-1943.

 

 

John Franklin Gubb was een Canadese bommenrichter. Zijn ouders waren Lewis Clarence Gubb en Emma Harriet Mckichan. Er is geen huwelijk bekend.

 

 

Grafsteen 8.

Flightsergeant R.E. Todd of U.S.A., pilot,
Royal Canadian Air Force, 29-03-1943, 23 year.

Our beloved son and brother.
So young and so brave
May he always rest in peace.
Onze geliefde zoon en broer.
Zo jong en zo dapper.
Moge hij altijd in vrede rusten.

Richard Earl Todd registratienummer 126792, was de zoon van Raymond en Veda P. Todd. Het gezin woonde in Colorado Springs in Amerika. Van Richard Earl is geen huwelijk bekend. 

..0..0..0..0..0..0..0..

 

 

HET ONDERZOEK NAAR DE ONBEKENDE RAF VLIEGER IN GRAF 9

KNOWN UNTO GOD (De naam bij God bekend)

Jan Geert Vogelzang heeft de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar wie er begraven zouden kunnen zijn in de graven zonder naam.

 

Grafsteen 9 

An airman of the 1939-1945 war.
Royal Air Force. Known unto God.

(Vertaling: Een vlieger van de oorlog 1939-1945.
Engelse Kon. Luchtmacht. De naam is bij God bekend).

 

Op zaterdag 5 februari 1944, omstreeks twaalf uur ’s middags vond de tienjarige Dominicus Visser uit Oudemirdum een aangespoeld lichaam aan het strand van het IJsselmeer onder Oudemirdum. Het lag bij de zeewering in Oudemirdum. Dominicus Visser deed aangifte bij Harmen de Jong, Opperwachtmeester der Marechaussee in Oudemirdum.

Het stoffelijk overschot had alleen een hemd aan met daarover een overhemd en kan daarom bijna ongekleed worden genoemd. Dichtbij het slachtoffer werd een gedeelte van een uniformpantalon gevonden met een aanduiding betreffende de broekmaat in de Engelse taal. Dit deed vermoeden dat het hier een Engelse vlieger betrof. De burgemeester van Gaasterland – hoofd van de luchtbeschermingsdienst in de gemeente Gaasterland - werd direct van de lijkvondst op de hoogte gesteld. Op zijn gezag werd het lichaam een dag later, op zondag, overgebracht naar het lijkenhuis in Oudemirdum. Daar vond de lijkschouwing en het kisten plaats. Er was verder niets op of aan het lichaam te vinden waarmee de identiteit kon worden vastgesteld. Op dinsdag 8 februari 1944 werd het lichaam naar Nijemirdum overgebracht. Woensdag 9 februari 1944 vond de begrafenis plaats.

 

Er waren twee opmerkelijke zaken. Ten eerste de constatering dat er een stuk pantalon dichtbij het slachtoffer werd aangetroffen. Lichaam en broek waren bij elkaar blijven drijven en dat duidde op een kort verblijf in het water. Ten tweede was het bijna ongekleed zijn van het slachtoffer in het ijskoude water. Dat kon twee redenen hebben:

  1. De Duitsers hadden het slachtoffer op het land doodgeschoten en ontkleed in het water gegooid. Dit lijkt onwaarschijnlijk omdat er nog een gedeelte pantalon in het water lag.
  2. Het slachtoffer was niet ver uit de kust vandaan en heeft zijn zware vliegersuniform uitgetrokken waardoor hij nog een kans maakte om – ondanks het koude water - zwemmend de kust te bereiken.

Voor mij is het duidelijk dat gezocht moet worden naar personen die op zijn vroegst begin januari 1944 in het IJsselmeer zijn verongelukt niet ver van de Friese kust. In het officiële verliesregisters heb ik daarna gezocht naar vliegtuigen met vermiste personen die tussen begin januari en 5 februari 1944 niet ver van de Friese kust waren verongelukt.

  • De eerste treffer was de Mustang P51 van de 354 Fighter Group/353FS  die op 3 februari 1944 om 11.30 uur bij Scharl in het IJsselmeer terecht was gekomen. Deze Mustang was van twijfelachtige kwaliteit. Deze morgen steeg luitenant Richard H. Klein, zoon van een dokter uit Brooklyn, met zijn gevechtsvliegtuig, vanuit Boxted op, om een eskader bommenwerpers te vergezellen naar Wilhelmshafen. De weersomstandigheden waren beroerd. Boven het IJsselmeer haperde de motoren, het was niet mogelijk om een noodlanding op de vaste wal te maken. Klein drukte bij wijze van alarmsignaal een paar maal op de afvuurknop van zijn machinegeweer, waardoor de Staverse schoolkinderen onder de banken kropen. Klein liet het cockpitdak van zijn machine wegvliegen en stapte uit. De parachute opende zich en daar zweefde Klein boven de grauwe golven van het IJsselmeer, de Mustang plofte als een steen naar beneden en verdween totaal in het hoog opspattende water. Nooit heeft iemand er weer iets van teruggezien. Klein belandde een kilometer uit de kust bij Scharl in het water en raakte verward in de lijnen van zijn valscherm. Als een paar inwoners van Scharl hem niet hadden gezien zou hij zijn verdronken. Met veel moeite brachten zij de Amerikaanse piloot, die totaal overstuur was, aan land en redden zijn leven. De Duitsers hadden alles zien gebeuren en waren snel ter plaatse. Ze waren nijdig op omstanders die Klein probeerden te redden. Zij brulden hen toe: “Du verrückter idiot, warom hast du den elenden Terrorflieger nicht ersaufen lassen”. Gezien deze uitlating was het een gedachte was dat de Duitsers alsnog Klein in het IJsselmeer hadden gegooid. Later zal blijken dat Richard H. Klein krijgsgevangen is gemaakt en de oorlog heeft overleefd. Na de bevrijding is hij weer in zijn vaderland teruggekeerd. Zodoende kan Richard H. Klein het slachtoffer van de lijkvinding op 5 februari 1944 niet zijn.
  • De tweede mogelijkheid is een RAF-Lancaster, DS824/K, die crashte op 22 januari 1944 in het noordelijk deel van het IJsselmeer. Nog steeds zijn vermist: D.F. Henshaw met legernummer 151014; sergeant J.R. Keenen, legernummer 1570038, en sergeant A. Pratt, legernummer 914246. De Engelse tekst in de kleding van het aangetroffen lijk kon natuurlijk net zo goed van een Amerikaan zijn geweest.
  • De derde mogelijkheid is 11 januari 1944 bij de crash van de B-17G, 42-37719BG/533BS in het centrale gedeelte van het IJsselmeer, het Enkhuizerzand met als vermisten: Sergeant G.A. Whitney, registratienummer 31184147; sergeant P.W. Stonich, legernummer 36319418; sergeant R.C. Beus, legernummer 19171966 en sergeant R.L. Lab, legernummer 15069793.
  • Een vierde mogelijkheid zou ook nog kunnen zijn dat het een van de vermisten was uit de B-24-4263969 van het USAAF 93rd Bomb Squadron die 22 december 1943 voor de kust van Workum in het IJsselmeer was neergestort. In de officiële verliezenlijst stond dat het vliegtuig op 15 kilometer Noordoostelijk van Amsterdam was neergestort. Van drie personen is bekend dat zij overleden zijn omdat hun stoffelijke overschotten gevonden zijn. Hier zijn nog steeds 6 personen vermist: 1e Luitenant Joseph P. Congelli, nr.0748579; Luitenant Thomas R. Curry, nr.0-682150; sergeant Ruben R. Galindo, nr. 39252107; sergeant Theodore A. Blanchard, nr. 11038400; 2e luitenant Leslie C. Matthews, nr.0-676589 en sergeant George B. Murray, nr. 18162590.
  • Een vijfde mogelijkheid was vier vermiste bemanningsleden van de op 22 november 1943 aangeschoten Halifax Bommenwerper DT726 van het 51e RAF-squadron. Het toestel kwam in het IJsselmeer terecht tussen Urk en Hindeloopen. Vermist zijn: H.F. Farley; H.O. Hetterly; S.H. Godfrey en J.E. Whitehead. De overige drie bemanningsleden zijn op drie uiteenlopende plaatsen aangespoeld, te weten in Lemmer, Amersfoort en Hindeloopen

Nog verder terug te gaan heeft geen enkele zin omdat het stoffelijk overschot te lang in het water zou hebben gelegen. De periode van 22 november 1943 tot 5 februari 1944 telde 76 dagen. IJsvorming had in deze zachte winter nauwelijks plaatsgevonden. In de periode van 10 tot en met 18 januari 1944 had het weliswaar aansluitend gevroren maar niet zo erg dat er ijsvorming in het IJsselmeer kon plaatsvinden.

RESUME

Op grond van al deze gegevens zou ik als eerste de onbekende persoon zoeken van de crash op 22 januari 1944. Dat zijn: D.F. Henshaw met legernummer 151014; sergeant J.R. Keenen, legernummer 1570038, en sergeant A. Pratt, legernummer 914246. Als tweede zou ik de onbekende persoon zoeken van de crash op 11 januari 1944 bij het Enkhuizerzand. Hier zijn de vermisten: Sergeant G.A. Whitney, registratienummer 31184147; sergeant P.W. Stonich, legernummer 36319418; sergeant R.C. Beus, legernummer 19171966 en sergeant R.L. Lab, legernummer 15069793. In totaal 7 (zeven) mogelijkheden. Dus wie weet wie er in dit Nijemirdum graf begraven ligt. Er zijn te veel vermisten om dit allemaal door een particulier uit te zoeken en families en instanties te benaderen voor DNA-onderzoek. Het is voor mij onbegonnen werk.

..0..0..0..0..0..0..0..

 

HET ONDERZOEK NAAR DE ONBEKENDE RAF SERGEANT IN GRAF 1

Tijdens mijn onderzoeken dacht ik plotseling aan een van de twee grafstenen met een onbekende ‘RAF Airman’ op de gemeentelijke begraafplaats in Nijemirdum. Van de steen met de aantekening: ‘Sergeant Airmen’ ben ik tot de mening gekomen dat na al die jaren aan de onbekende RAF-sergeant op de gemeentelijke begraafplaats in Nijemirdum een naam met geschiedenis kan worden toegekend:
Sergeant THOMAS HILL MCGRENERY was maandag 26 januari 1920 in Mullingar (market town) (Co.) Westmeath, (Prov.) Leinster in Ierland geboren. Zijn geboortedatum en plaats was vermeld op het RAF service-record. Zijn functie als RAF-vrijwilliger was radiotelegrafist en boordschutter in de Handley Page Hampden (Mk.1) bommenwerper AE 421 EA-P type I, deel uitmakend van het. 49"Greyhound"Squadron die in de nacht van 10 op 11 april 1942 om 02.16 uur tien kilometer oostelijk van Enkhuizen in het IJsselmeer verdween. Ik las de verhalen over de lijkvindingen van 26 mei en 28 mei 1942 achterelkaar en ontdekte de samenhang. Alle feiten heb ik uit boeken en van websites gehaald en daarover met zijn schoonzuster gecorrespondeerd via Aletta Stevens in Engeland.

 

Dit is het RAF service-record van Thomas Hill McGrenery.

GRAFSTEEN 1.

An airman of the 1939 – 1945 war.
A sergeant RAF. Known to God.

(Vertaling: Een vliegenier uit de oorlog 1939 – 1945.
Een sergeant van de Royal Air Force. De naam is bij God bekend.)

Jan Geert Vogelzang heeft vanaf 2015 in samenwerking metAletta Stevens in Engeland onderzoek gedaan naar de identiteit van de begravene. Mogelijk betreft het hier Thomas Hill McGrenery.

De basis voor het onderzoek begon met een proces-verbaal van 28 mei 1942 waarin melding werd gemaakt van lijkvinding. Het proces-verbaal was opgemaakt door Pieter Vinckers*, marechaussee, tevens opsporingsambtenaar, behorende tot Koninklijke Marechaussee, district Heerenveen, brigade Sloten en hulppost Oudemirdum. Deze diensttak was 1 maart 1943 opgegaan in een nieuwe politieorganisatie. Er was nu maar één politieorganisatie meer en dat was de Staatspolitie. Het werd de ,, Nieuwe Orde” genoemd. Op deze wijze hieden de Duitsers nog meer vaste greep op de bevolking. De Koninklijke Marechaussee, de Gemeentepolitie en de Rijkspolitie waren hierdoor opgedoekt. De Staatspolitie werd ingedeeld in districten, groepen en rayons. Gaasterland en Sloten werd tot een groep samengesteld met Wietse Hoving uit Harich als groepscommandant. De andere politiemannen waren Jacob Helder, Klaas Walda, Meinsma en De Jong.

(* Pieter Vinckers stond 20 november 1947 als gedetineerde terecht voor het Bijzonder Gerechtshof in Assen. Hij was voorheen wachtmeester bij de marechaussee (o.a. postcommandant te Oudemirdum), oud 28 jaar, te Coevorden, die in 1943 overging naar de Staatspolitie en daarop te Coevorden huiszoekingen deed naar onderduikers van de Krijgsmacht, voorts naar radio's en saboteurs bij de 0.T.-werken. Onder de getuigen was de adjudant L. Drolenga, adj. der Rijkspolitie te Dokkum, die mededelingen deed over verdachte, die vroeger postcommandant te Oudemirdum was. Hij kreeg toen reeds de indruk, dat verdachte de nieuwe orde toegedaan was en ging hij uit het kosthuis van 'n goede Nederlander naar dat van een N.S.B.er. De adv.-fiscaal eiste voor deze vroeger zo goede politieman een gevangenisstraf van 10 jaren met aftrek, en voor zijn leven een verbod een politieambt te bekleden).

Pieter de Jong uit Oudemirdum deed dus op donderdag 28 mei 1942 aangifte van een lijkvondst bij marechaussee Pieter Vinckers van de brigade Sloten, post Oudemirdum. Pieter de Jong (ook wel Piet van de politie genoemd) had ter hoogte van het Oudemirdumer Klif onder Oudemirdum rond vijf uur ‘s middags een niet te identificeren lichaam in het IJsselmeer zien drijven. Uit KNMI-gegevens bleek dat het die dag gemiddeld 13,5 graden was en er een zuid-zuidwestenwind op de kust stond. Vinckers ging onmiddellijk met Pieter de Jong naar de plaats des onheils. Vinckers constateerde dat het vermoedelijk een lijk was van een Engelse militair vanwege de uniformkleding met onderscheidingstekens. Het lichaam werd uit het water gehaald door Vinckers en De Jong, met behulp van veehouder Pieter Roskam. Daarna werd het met paard en wagen door veehouder Edze Westra uit Oudemirdum overgebracht naar het lijkenhuis op de begraafplaats bij de Nederlands Hervormde Kerk in Oudemirdum. Een dag later op vrijdag 29 mei 1942 dacht een ingeschakelde Duitse officier ook dat het om een Engels vliegtuigbemanningslid ging. Hij gaf opdracht tot het kisten van het lijk. De Duitse officier nam de aanwezige voorwerpen mee. De marechaussee Vinckers ging verder met de afhandeling van het onderzoek en zorgde ervoor dat er een lijkkist kwam om het stoffelijk overschot daarin te leggen. Jan Baukema uit Oudemirdum kreeg daarvoor de opdracht en die maakte voor f. 27,50 ( € 12,50) een begrafeniskist. Onder toezicht van marechaussee Vinckers werd het lichaam gekist en per auto van Bijlsma uit Oudemirdum overgebracht naar het lijkenhuis op de gemeentelijke begraafplaats in Nijemirdum. Bijlsma had een taxi, merk Adler, met een chauffeursplek in de open lucht waarbij de handrem naast de chauffeur zat aan de buitenkant van het deurtje. Bijlsma bracht een bedrag van f. 12,00 (€5,45) bij de gemeente in rekening. De begrafenis vond daar zaterdagmorgen 30 mei 1942 omstreeks negen uur plaats in grafruimte Zuid O-5. Deze datum werd vermeld in het op 30 mei 1942 opgemaakte proces-verbaal van marechaussee Vinckers. In de gemeentelijke begraafplaatsenadministratie van Gaasterland evenwel is de begraafdatum 2 juni 1942 opgeschreven. Ook Dominee Albert de Kleine uit Oudemirdum – die de leiding had bij de begrafenis – had 30 mei 1942 in zijn agenda gezet. Ik ga er van uit dat als een politieman op 30 mei 1942 een proces-verbaal opmaakt – en daarin ook 30 mei 1942 omstreeks negen uur aangeeft als datum – dat dan ook de politieman gelijk heeft.

De 18-jarige Piet de Jong had al eerder op 8 augustus 1941 een stoffelijk overschot gevonden vlak achter de palen van de oude zeewering langs de IJsselmeerkust onder Oudemirdum. Kennelijk was Piet de Jong  iemand die graag even een wandeling maakt langs de zeedijk. Hij vond nu een gedeeltelijk geklede – doch onherkenbaar - manspersoon zonder benen en met maar één arm. De man droeg een witte trui en daardoor denkt de burgemeester van Gaasterland aan een Tsjechisch onderdaan. Naast hem dreef een beschadigde zwemgordel met de tekst: “Pads must be dusted with French chalk before insertion”. Duidelijk ging het hier om een slachtoffer “van de overkant”. Piet de Jong waarschuwde zijn vader die op zijn beurt weer de Wehrmacht in Lemmer op de hoogte stelde. Het dode lichaam in het water had geen herkenningsplaatje. De volgende dag werd het slachtoffer door een wagen van het Duitse leger opgehaald en naar Lemmer gebracht. Daar werd hij begraven.

Het Oudemirdum Klif 1943; potloodtekening van G.S. Huttinga. Collectie van het Museum Hindeloopen.

Grafsteenfoto: www.basher82.nl

Twee dagen eerder, op 26 mei 1942 was in de omgeving van Laaxum het lichaam aangespoeld van de 20-jarige ongehuwde navigator, sergeant Anthony Talbot Percy Considine uit Derk, graafschap Limerick in Ierland. Hij was lid van de Royal Air Force Volunteer Reserve onder registratienummer 1077651 als waarnemer en luchtdoelschutter in de Hampdon bommenwerper AE 421 EA-P type I.  Deze behoorde tot het 49ste Squadron en was op 11 april 1942 in het zuidelijke gedeelte van het IJsselmeer verdwenen. Op zijn lichaam werden landkaarten aangetroffen van België en Noord-Frankrijk. Hij was ook in het bezit van een paar Belgische bankbiljetten van honderd franc. De wijzers op zijn polshorloge waren blijven staan op 02.16 uur. Hij is begraven in grafnummer 13 op de begraafplaats in Scharl.

Considine was een zoon van Capt. Talbot J. Considine en Mary S. Considine.

 

De Hampden Crew HP H-B.Mk1 bestond uit vier bemanningsleden; allen RAF-vrijwilligers.  Het waren Flight Officer piloot Reginal P. Worthy, sergeant waarnemer, Sergeant John William Wilkinson en sergeant Thomas Hill McGrenery

De Hamden AE 421 EA-P was met 253 andere vliegtuigen om 21.29 uur opgestegen van de thuisbasis Scampton in Lincolnshire voor een missie boven het Duitse Essen. Het waren 167 Wellingtonvliegtuigen; 43 Hampdens, 18 Stirlings; 10 Manchesters, 8 Halifaxen en 8 Lancasters. Hiervan gingen 7 Wellingtons verloren; 5 Hampdens; 1 Halifax en 1 Manchester.

Op de terugweg werd het Hampdenvliegtuig opgemerkt door het Duitse Peil- en Radarstation "Eisbär in Sondel. Het kan niet station "Hering" in de Wieringermeer zijn geweest want zij waren eerst na september 1942 operationeel. Zij zorgden ervoor dat het vliegtuig kon worden aangevallen en neergeschoten boven het IJsselmeer bij Enkhuizen door een Duitse nachtjager dat gevlogen werd door Reinhold Knacke van 2 NJG.1. Leeuwarden. Reinhold Knacke (geboren 1 januari 1919) heeft tot aan zijn dood ‘in action’ op 3 februari 1943 bij Achterveld in totaal 44 treffers op zijn naam staan van alleen maar nachtelijke slachtoffers.

 

 


Op de foto Reinhold Knacke; www.cieldegloire.com

OPMERKINGEN:

Het Hampdenvliegtuig dat 11 april 1942 tien kilometer oostelijk van Enkhuizen in het IJsselmeer was neergestort, had vier bemanningsleden.

  1. Op vrijdag de 22e mei 1942, vond schipper Jan Zijl met z’n visserslui, aan boord van het zeilschip ‘BU.17’ (Bunschoten nummer 17), in het water van het IJsselmeer (de voormalige Zuiderzee), de menselijke resten van een omgekomen RAF-vliegenier. Spoedig daarop borgen zij het dode lichaam en brachten het aan land, hoogstwaarschijnlijk in hun eigen thuishaven, alwaar het werd overgedragen aan de plaatselijke autoriteiten; en waar vertegenwoordigers van de nabije Duitse bezettingstroepen ook kwamen opdagen, om met succes een identiteitscontrole uit te voeren tenslotte, vooraf aan een begrafenis ceremonie met militaire eer (!), op een lokale begraafplaats. En de gesneuvelde vliegenier in kwestie, zoals duidelijk werd toen (d.m.v. zijn ‘hondenpenning’ waarschijnlijk), was de Flying Officer R.P. Worthy, met registratienummer 61231. Voor zover bekend bij ons, werd hij ter aarde besteld op maandag 25 mei (1942), en ergens op de begraafplaats ‘Memento Mori’, aan de Bikkersweg, in Bunschoten (Prov. Utrecht / NL). En na de oorlog - toen bekend werd dat het de 27-jarige Reginald Percy Worthy was, echtgenoot van Elsie May Worthy, van Bitterne Park (borough) in Southampton (in Zuid Engeland) - werden zijn stoffelijke opgegraven, opnieuw gecheckt, etc., en later herbegraven op de ‘Rusthof’ begraafplaats in het nabije Oud-Leusden (Amersfoort, Utr.), in graf XIII.2.23 (in een ‘geconcentreerde’ Afdeling van Eer).
  2. Het lichaam van sergeant (waarnemer) Anthony Talbot Percy Considine werd 26 mei 1942 in het IJsselmeer gevonden nabij het "Reaklif" (Friese taal voor: Rode Klif) onder Scharl. Hier werd hij na een succesvolle identiteitscheck ook begraven op de begraafplaats in grafnummer 13.
  3. Sergeant John William Wilkinson spoelde 8 juni 1942 aan bij de Noorse kust. (Bron: Boek Strijders, Onderdrukkers en Bevrijders blz. 536). Door de getijden in het IJsselmeer zal hij via de sluizen van Den Oever of Kornwerderzand door de Afsluitdijk gedreven zijn naar de Waddenzee. Onderzoeker Willem de Jong uit Dronrijp ontdekte dat de vindplaats dichtbij het strand was van Sola (Solarstranda), bij Jaeren/Rogaland in het Zuidwesten van Noorwegen, dichtbij het vliegveld van Stavanger. Hij zal een identiteitsplaatje o.i.d. bij zich gehad hebben. De teraardebestelling vond plaats in de Sola Gravplass/Kirkegaard, dichtbij de kerk van Kirkevegen dat dichtbij Stavanger en zijn vliegveld ligt. Zijn woonplaats was Lindrick (Nottinghamshire, UK). John William was getrouwd met Irene Wilkinson uit North Carlton.
  4. Het lichaam van de 22-jarige sergeant Thomas Hill McGrenery werd nooit gevonden. Zijn legernummer was 1052525 en zijn functie was draadloze operator en boordschutter bij de RAF-VR. Zijn lichaam had 47 dagen in het IJsselmeer gedreven van Enkhuizen naar Oudemirdum. Uit het vliegtuigdagboek van Thomas Hill McGrenery bleek dat hij op 7, 16 en 18 februari 1942, met Fred Hill als piloot, mijnen had gelegd nabij de Friese eilanden. De mijnen werden uit vliegtuigen gedropt aan parachutes.
  5. Op 17 juli 1942 werd het stoffelijk overschot van de Engelse vlieger C. E. Ronson door Inne de Vries uit Oudemirdum bij het IJsselmeerstrand in Oudemirdum gevonden. Het vliegtuig met Ronson was 3 juni 1942 aan de oostzijde bij Medemblik neergeschoten. De begrafenis was in Lemmer. Het lichaam van Ronson had dus 44 dagen in het IJsselmeer gedreven van Medemblik naar Oudemirdum. Thomas Hill McGrenery werd na 47 dagen gevonden vanuit Enkhuizen.
  6. Op onderstaand schema heeft Wytze Stellingwerf uit Balk heeft de gehele vlucht van begin tot eind beeld gebracht.

Er is een lijst gepubliceerd op Google met vliegtuigencrashes  vanaf 1 januari 1942 tot 10 april 1942. Ik heb gezocht naar vliegtuigen die in het IJsselmeer waren neergestort. Uit een van deze vliegtuigen is de onbekende sergeant afkomstig. Uit die periode van vóór 1 januari 1942 zal het aangetroffen stoffelijk overschot niet afkomstig zijn. Uit deze lijst is nagegaan uit welk vliegtuig nog een persoon wordt vermist. En dat bleek Thomas Hill McGrenery te zijn.

Vier foto’s uit het familie-archief van Hillary McGrnery

Links: Hilary McGrenery (weduwe van Peter McGrenery, de broer van Thomas Hill). Zij woont in Fulwood, Preston. Rechts: Kathleen McGrenery, de oudste half-zuster van Thomas Hill McGrenery. Foto uit 1995.

Links: De boksbeker van Thomas Hill McGrenery en rechts zijn onderscheidingen.

RESUME

Binnen twee maanden werden er op verschillende plaatsen drie van de vier lichamen gevonden. Twee bemanningsleden van het vier-persoons Hampdenvliegtuig dat 11 april 1942 nabij Enkhuizen was neergestort werden in het IJsselmeer gevonden. Na twee maanden spoelde het derde bemanningslid aan in Noorwegen. Het vierde bemanningslid bleef onvindbaar. Considine werd 26 mei 1942 bij Laaxum gevonden en de onbekende Engelse sergeant met een tussenpoos van twee dagen bij Oudemirdum op niet al te grote afstand van elkaar. Volgens de officiële lijst in het Boek Strijders, Onderdrukkers en Bevrijders waren er na 11 april 1942 maanden achtereen geen onbekende vliegeniers gevonden.

22 mei 1942 werd Flight Officer Reginal P.  Worthy gevonden aan de waterkant in de omgeving van Oud-Leusden neem ik aan omdat hij daar begraven was.

26 mei 1942 (4 dagen later) werd het tweede bemanningslid Considine gevonden bij Laaxum in het IJsselmeer.

28 mei 1942 (6 dagen later) werd een onbekend Engelse vliegtuigbemanningslid aan de Oudemirdumerkust in het IJsselmeer gevonden.

8 juni 1942 spoelde het geïdentificeerde lichaam aan van John William Wilkinson aan de Noorse kust. Hij werd begraven in het Noorse Stavanger.

V.l.n.r. Sgt. Ralph; sgt. Fred Hill en rechts: sgt. McGrenery.

Hampdenvliegtuig.

Zou het op 28 mei 1942 gevonden, onbekende Engelse vliegtuigbemanningslid de onbekende soldaat zijn van het oorlogsgraf in Nijemirdum? Ik denk van wel. Mijn gedachtengang heb ik 14 juli 2014 doorgegeven aan de Stichting Missing Airmen Memorial Foundation. Op 28 juli 2014 heeft de Stichting telefonisch laten weten dat de onbekende sergeant weleens T.H. McGrenery zou kunnen zijn. De Stichting stuurde dit verslag op naar een contactpersoon in Engeland. Op 22 juni 2015 liet deze Stichting mij via de e-mail de reactie weten van het no. 49 Squadron RAF uit Engeland:

“Via de heren Alan Parr en Colin Cripps bereikte mij het bericht dat zij, evenals u, het aannemelijk vinden dat het graf van McGrenery zich in Nijemirdum bevindt. Er ligt echter geen enkel bewijs aan deze bewering ten grondslag en daarom gaan beide heren geen actie ondernemen in de richting van de Commonwealth War Graves Commission ondernemen. Wie weet kan een DNA-onderzoek het verlossende antwoord opleveren. Er zal dan familie getraceerd moeten worden. Omdat er over de achtergrond van McGrenery weinig tot niets bekend is, zal dit een hele klus worden”.   

De Stichting SMAMF stuurde op 20 oktober 2015 (Douwe Drijver) de volgende reactie aan Jan Geert Vogelzang: “Het is fantastisch, dat er zoveel informatie over de familie McGrenery gevonden is”,  enz. enz. Dan gaat de mail verder met: “Wij hopen dat u in de toekomst succes heeft over de zaak McGrenery waar u mee bezig bent. Dit zal overigens nog een zware kluif worden, omdat wij recentelijk uit betrouwbare bron hebben vernomen, dat de Commonwealth War Graves Commission geen graven opent. Toch adviseer ik u om een poging te wagen. Misschien dat de familie hen kan overtuigen van het bewijs dat tot nu toe gevonden is. Wij als stichting kunnen ons vinden in uw conclusie, maar wanneer een vlieger afkomstig uit een vliegtuig dat in het water is neergekomen zal de identificatie heel wat voeten in de aarde hebben. Tot slot delen wij u mede, dat er over uw onderzoek niets aan andere partijen zal worden gegeven”.

Foto: 12 juli 2014 (JGV)

THOMAS HILL MCGRENERY

Dit is het naamplaatje op paneel 88 van de Runnymede Memorial 1939 -1945 http://www.49squadron.co.uk/personnel_index/detail/McGrenery_TH

 

 

 

 

RUNNYMEDE  MEMORIAL

http://www.49squadron.co.uk/personnel_index/

detail/McGrenery_TH

Runnymede is een plaats ten westen van Londen, niet zo ver van Windsor Castle. Hier staat een groot monument.

Ook in de Lincoln Cathedral (UK) is hij genoemd in de No. 5 Groep ROH van RAF Bomber Command

Aletta Stevens bood op 30 september 2015 haar tussenkomst aan om te helpen familie in Engeland te vinden. Zij is beëdigd vertaler Engels-Nederlands en woont ook in Engeland. Haar moeder was een zuster van de op 4 augustus 1944 doodgeschoten Joop Schweitzer uit Balk. Door betaling van twintig euro kreeg zij in Engeland zes adressen met de achternaam McGrenery. Het zijn adressen van personen die aan verkiezingen hebben deelgenomen.

Jan Geert Vogelzang stelde een conceptbrief op waarin hij vroeg of de briefontvanger familie is van Thomas Hill McGrenery. Er werd hierin niet gesproken over mogelijke medewerking aan DNA-onderzoek want dat is een eventuele latere stap. De onderstaande brief werd maandag 5 oktober 2015 door Aletta Stevens verzonden aan de zes personen.

Fam. McGrenery

5 October 2015

Dear

Forgive me for writing to you out of the blue, but I am hoping that you may be related to the  person on the photo, born in 1919.

During the Second World War, Thomas Hill McGrenery (foto) volunteered to join the RAF (rank: sergeant, regimental number: 1052525). He was a wireless operator and air gunner in a crew of four on board a Hampden plane on a mission to Essen, Germany. On the way back, during the night of 10/11 April 1942, the plane was shot down by a German night fighter above the IJssel Lake in The Netherlands. Three crew members drowned and their bodies were found some weeks later. Only crew member Thomas Hill McGrenery was never found. He was therefore reported ‘missing’ and only has a mention on a memorial at Runnymede in Surrey:

http://www.49squadron.co.uk/personnel_index/detail/McGrenery_TH

A fellow WW2 researcher in The Netherlands, Jan Geert Vogelzang, believes he can identify the burial place of Thomas Hill McGrenery, which currently is a grave marked as that of an unknown airman. Mr Vogelzang lent me invaluable assistance when I was researching the death of my Dutch uncle in Nazi-occupied Holland. We are now trying together to make contact with a family member of Thomas Hill McGrenery, who we believe was unmarried and had no children. However, if you are a great-niece, great-nephew or other relation, we would be most grateful if you could make contact with us.

On the other hand, if this has nothing to do with you, please accept our apologies for bothering you. Perhaps you would be good enough to write ‘Not applicable’ on this letter and return it in the stamped, self-addressed envelope enclosed, or email if you prefer.

With many thanks in anticipation

Yours sincerely

Aletta Stevens

On behalf of Jan Geert Vogelzang

Aletta Stevens

Op 7 oktober 2015 berichtte Aletta Stevens dat Mevr. Elune Hilary McGrenery zich telefonisch gemeld had. Zij was de schoonzuster van Thomas Hill McGrenery en dus was er nu contact met de familie. Zij wist veel over WO2 maar niet van deze familiegeschiedenis. Ze was 9 jaar toen ze in Penarth woonde, dichtbij Cardiff. Ze hoorde al het nieuws over de oorlog op de radio en wenste vurig dat ze op de een of andere manier kon meehelpen. Haar moeder speelde viool en was muziekdocent; ze speelde in de oorlog in verschillende kampen in Wales. Ze herinnerde zich dat haar vader hen als kinderen in de oorlog meenam naar de haven waar ze de vele boten konden zien liggen die klaar stonden om te vertrekken. De dokken van Cardiff waren in de oorlog zwaar gebombardeerd omdat het een centrum van de kolenindustrie was.

Reconstructie van de e-mails van Aletta Stevens.

De ouders zijn: Tom (Thomas) en Bridie Hill (Ierse).De moeder van Thomas was gedeeltelijk ziek geworden door het nieuws van zijn vermissing. De vader, die 6 maanden na zijn vrouw stierf in 1949, was eveneens door de vermissing daaraan overleden. Zij woonden in Church Road in Manchester waar ze vlak buiten de stad waren begraven. In een e-mail van 26 oktober 2015 deelde Aletta Stevens mee dat Elune het laatste gesprek begon met de vraag wat wij uiteindelijk met dit onderzoek wilden bereiken. Aletta heeft toen gezegd dat wij graag wilden dat Tommy eindelijk de grafsteen met zijn naam erop krijgt die hij verdient en dat er dan niet meer ‘vermist’ achter zijn naam hoeft te staan. Elune was het daar helemaal mee eens. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Thomas Hill McGrenery en zijn moeder.

Er waren drie zonen uit deze samenwoning geboren. 

  1. THOMAS HILL

(Geboren op 26 januari 1920 in Westmeath, Engeland. Verongelukte in de nacht van 10 op 11 april 1942 in Nederland. Hij was de oudste van de beide broers. Hij werd waarschijnlijk begraven in Nijemirdum.

  1. FRANK          Frank stierf jong zonder kinderen. De doodsoorzaak in 1943 was acute reuma. 

 

Hier zit hij met zijn Kathleen, zijn oudste halfzuster.

  1. PETER JOHN    Aan Peter John was verteld dat hij op 9 september 1928 was geboren, maar dat was officieel opgegeven als 16 september 1928 omdat zijn moeder vergeten was de geboorte te registreren! Peter John was 9 jaar jonger dan Tommy. Hij was getrouwd met Eluned Hilary McGrenery. (79 jaar in 2015). Het was Hilary nooit duidelijk geworden of haar man in Ierland of Engeland was geboren. Vervolgens schreef zij dat hij het zelf ook niet zeker wist! Volgens haar was er in het begin van de 20e eeuw een grote brand geweest in de archieven van de Burgerlijke Stand in Trinaty waarbij veel documenten verloren zijn gegaan. Zij zei dat ze het wel had geprobeerd, maar niets had kunnen vinden. Peter John stierf in december 1992 zonder kinderen. Hij is begraven in Preston waar hij met zijn vrouw woonde. Hij zat in het leger. Stopte toen om zijn ouders te verzorgen. Elune woont in Preston, Lancashire.

Zij had in oktober 2015 een brief geschreven aan Commonwealth War Graves Commission om informatie voor DNA. Peter had zich altijd wel afgevraagd wat er met zijn broer Thomas was gebeurd. Peter John aanbad zijn broer. Hij was daarover “emotionally row”. Hij had het monument Runnymede nooit willen bezoeken. Elune had uitgevonden in een document van Peter dat hij de jongste was en niet Frank. Peter had dit document geschreven in de zeventiger jaren als een terugblik op de oorlog.

Het verhaal was twintig pagina’s lang en had veel informatie over de familie dat nooit gepubliceerd is. De weduwe van Peter gaf toestemming om een uittreksel van drie pagina’s uit dat verslag te mogen publiceren. Het schrijnende verhaal is uit het Engels in het Nederlands vertaald.

Negentienvijfenveertig; Mijn persoonlijke kijk op dat jaar
door Peter McGrenery (1928-1992), broer van Thomas Hill McGrenery.

Augustus 1975.

Ik (…) aanbad en bewonderde mijn 17-jarige broer Tommy, die kleiner was dan ik op zijn leeftijd en die bokste en danste, wat ik knap vond. De jongelui waar Tommy mee omging, bestond uit een veertig- of vijftigtal jongens en meisjes in groepjes die niet zo sterk met elkaar verbonden waren. Stuk voor stuk meldden die zich als vrijwilliger bij de strijdkrachten. Tommy gaf zich op voor de Royal Air Force. Ik was in de zevende hemel! Mijn lievelingsbroer! Vlieger! Er stroomden tranen en er vielen harde woorden tussen de ouders en hun opgroeiende kinderen – en toen werd Tommy door de R.A.F. afgekeurd voor piloot. Zijn wereld stortte in. En de mijne ook. Een lichtpuntje was, dat de R.A.F. hem wel wilde hebben als bemanningslid, als hij zijn wiskunde op een hoger niveau zou weten te brengen. Eén van mijn leraren (Big Jim) bood aan om Tommy te begeleiden. Er gloorde weer wat hoop en wij voelden ons beter. Dus, Tommy wierp zich elke nacht thuis op zijn propvolle lessen. Ik dacht aan Tommy. Hij was nu in training als WOPAG, “Wireless Operator Air Gunner” (marconist/boordschutter) en zou tegen het einde van het jaar in Hampdens, tweemotorige lichte bommenwerpers, gaan vliegen. Geweldig! Tommy was bezig zijn opleiding in Blackpool af te ronden en zou spoedig naar Lincolnshire gaan om nachtelijke bombardementsroutes te vliegen boven België, Nederland en Duitsland.

Na zijn eerste ervaringen met de terreur van het luchtafweergeschut begon Tommy er, als hij thuiskwam met verlof, moe en afgeknepen uit te zien. Hij wilde ons er niets over vertellen. Mijn vader vertelde me later wat hij meegemaakt had en wat er gebeurd was. Tommy nam melk, chocoladekoekjes en repen chocola voor ons mee die hij overhield van zijn vluchtrantsoen. Ik nam hem mee naar de kerk als dat mocht en pronkte bij mijn vrienden met zijn ‘wings’ en sergeantstrepen. Tommy was verlegen en bloosde van gêne. Wij de jongsten, slopen op zaterdagavond naar binnen bij de dansavonden in de kerk en keken vanaf het balkon toe terwijl de oudere jongens en meisjes, meestal in uniform, op de dansvloer beneden ronddraaiden. Tommy zag er het knapste uit van iedereen! Hij bokste nu voor zijn squadron en ik schepte daarover op. Hij was nu werkelijk aan het Vechten en Vliegen!! Maar, zoals ik me later realiseerde, je kon in zijn ogen toen al de tekenen van stress zien. En toen, in 1942, kwam het bericht dat Tommy vermist was. Ze waren over Nederland naar Duitsland gestuurd. Tommy's vliegtuig was niet teruggekomen!  Tommy's vliegtuig was niet teruggekomen!!!. Tommy's vliegtuig was niet teruggekomen!!!!!!!!. Het klopte niet. Het zou zijn laatste reis geweest zijn, zijn 30e, zijn laatste Tour, voordat hij aan zijn opleiding als piloot zou beginnen. We begonnen elke avond naar de uitzendingen van Lord Haw Haw vanuit Duitsland te luisteren, wachtend tot Tommy's naam of nummer werd opgeroepen. Dat was namelijk mogelijk als hij gevangengenomen was. Zijn naam is nooit genoemd. (Lord Haw Haw was het pseudoniem van een Engelsman die Duitse propaganda bestemd voor Engeland via de radio verspreidde).

Maar er was hoop, want het duurde altijd lang voor de namen of nummers van alle gevangenen waren voorgelezen. Frank en ik begonnen aan de zware taak om brieven te schrijven voor mijn moeder, aan het squadron, aan de R.A.F., aan de familieleden van de bemanning en aan het Rode Kruis. Het ging maar door. Mijn moeder zag er oud en moe uit. Mijn vader werd ineens jaren ouder. En toen stierf Frank in 1943. Elke avond luisterden we naar de uitzendingen van Lord Haw Haw en baden dat we Tommy's naam zouden horen. Ik begon mijn broer Frank te missen en de afwezigheid van Tommy deed me pijn van binnen. We waren nu aan het winnen, werd ons verteld.  Maar voor mijn moeder maakte dit geen verschil, tenzij het Tommy terugbracht. Ik miste Tommy heel erg. Frank vervaagde voor mij, maar Tommy niet en ik begon te ontdekken waarom.  Ik was boeken gaan lezen over de R.A.F. Ik raakte geïnteresseerd in het leven van de vliegende helden, zoals Guy Gibson en Cheshire, V.C., mannen wiens talrijke prestaties beslissend waren in de strijd, bij het bombarderen van de stuwdammen in het Rijngebied en dergelijke. ' Ik begon de leeftijd te naderen die Tommy had toen hij er voor het eerst over dacht lid te worden van de R.A.F. Mijn moeder was bang dat ik ook die kant op zou gaan. Qua uiterlijk was ik nu bijna een kopie van Tommy en zijn kleren begonnen me te passen. Op een avond, begin 1945, kwam ik vroeg thuis van mijn werk en deed de achterdeur open voor iemand. Mijn ouders hadden me niet horen binnenkomen. De Doodle Bugs (V1’s) en raketten (V2’s) vielen nog steeds en ik vond het fijn om vroeg naar huis te gaan, zodat ik nog wat voor mijn vader en moeder kon doen. Maar ook om hen gerust te stellen dat het goed met me ging en hen te laten zien dat ik niet was gebombardeerd, voordat ik van het avondje thuis ging genieten, of voordat ik uitging.

Ik begon met iemand bij de achterdeur te praten over de show van de padvinders waarin ik had opgetreden en ik hoorde de deur van de woonkamer klikken. Ik herinner me nog hoe ik even omkeek en toen mijn gesprek vervolgde. Ik hoorde een plof achter me. Ik ging de gang in om te kijken wat er aan de hand was. Mijn vader probeerde mijn moeder van de vloer te tillen. Ik hielp hem daarbij en vroeg wat er was gebeurd. Pa was kortaf tegen me en zei dat ze flauwgevallen was. Ik vroeg waarom. Hij zei me dat ik niet zulke domme vragen moest stellen maar mezelf eens van de zijkant in de spiegel moest bekijken, andere kleren aan moest trekken en dat mijn moeder mij NOOIT, NOOIT meer mocht zien of horen zonder waarschuwing vooraf. Ik bekeek me vanaf de zijkant in de spiegel, zoals mijn vader van me had gevraagd. Met het avondlicht achter me, zag ik Tommy mij vanuit de spiegel aankijken. Ik besefte eindelijk wat mijn ouders doormaakten en ik huilde hard, voor de eerste keer in lange tijd. Ik werd erdoor gekweld. Tommy moest terugkomen, anders was ik verloren en zat ik in de ogen van mijn ouders altijd vast in het beeld van Tommy. En ik zou nooit mezelf kunnen zijn, wie dat ook mocht zijn. Ik wist niet dat Frank, Tommy en Laurence voor mijn ouders allemaal in mij samenkwamen. Ik bestond niet voor hen, behalve als een vreselijke herinnering aan wat had kunnen zijn. Mijn moeder had in haar angst over Frank en Tommy eens gezegd dat de beste mensen eerst sterven en dat de op één na beste achterblijven. Ze had gezegd dat ze liever Tommy en Frank terug zou hebben dan mij ebben zoals ik nu was. Dit was voor mij verlammend. Tommy moest terugkomen, voor mijn bestwil. Ik wilde geen vervanger zijn. Ik wilde de Eerste en het beste van mijzelf zijn. En we hadden Tommy nodig, voor zichzelf!

In een mail van 22 oktober 2015 schreef Aletta Stevens dat Hilary een brief van de CWWG (Commonwealth War Graves Commissie)  had gekregen. Het kwam er daarin op neer dat de GWGC het afkeurde dat wij als ‘onafhankelijke onderzoekers” zomaar contact met haar hadden opgenomen omdat het leed weer naar boven kon worden gebracht. Het onderzoek was gedaan zonder de toestemming van de Commission. Het beleid van de CWGC was om oorlogsslachtoffers te laten rusten en niet op te graven. Elune neemt dit echter niet zomaar. Zij had het plan hen te vertellen dat zij er helemaal niet door van stuur was geraakt en het zelfs erg fijn vond dat zij was benaderd. Zij had een aantal vragen voor de CWGC, o.a. of het graf onder de bevoegdheden valt van het Vereniging Koninkrijk of van Nederland en of de familie dan helemaal geen zeggenschap had. Zij was het er helemaal mee eens dat het prachtig zou zijn als Tommy een graf met zijn naam zou krijgen. Zij vertelde verder dat zij nog in het bezit is van een haarlok van haar man Peter McGrenery. Zij had een stukje hiervan mee opgestuurd naar de CWGC in de hoop hen over te halen. De Commission had de lok echter weer teruggestuurd met de opmerking dat zij er niets mee konden doen. Hilary dacht dat zij dit wel kunnen maar momenteel niet wilden.  Hilary had gezegd dat de haarlok was gezonden in een enveloppe met haar naam erop en de naam van de begrafenisondernemer die haar de lok had gegeven. Zij dacht dat de begrafenisonderneming nog bestond en ze wil daar vragen of zij in die tijd in hun logboek hadden opgetekend dat zij de lok van haar man aan haar hadden gegeven. Ze wil aandacht vragen voor mogelijke identificatiebewijzen die bij het stoffelijk overschot destijds waren gevonden.

Trowbridge, 23 October 2015

Dear Hilary

Thank you for your recent calls. As promised, please find enclosed my translation of the document compiled by Mr Jan Geert Vogelzang in The Netherlands. John was very excited to hear that you had made contact with me. I told him as much of our telephone conversations as I could decipher from my hastily scribbled notes. He has tried to make sense of these and put them at the end of the document. Please could you check these for accuracy and add anything else relevant you can think of. At the very end of the document is an email sent to John by the Stichting Missing Airmen Memorial Foundation in The Netherlands. As mentioned on the telephone, there is a great deal of interest in Allied airmen in The Netherlands. For example, John knows a local man who is the son of the minister of the church who conducted the funeral service for the unknown airman; having grown up with the story, he is most interested in knowing his identity. In Harderwijk there is a monument which the 49 Squadron Association features on its website as the IJsselmeer Memorial. It was erected in 2012 to remember the 117 crew members who lost their lives in the IJsselmeer Lake and, amazingly, is a model of a plane nosediving into the water. Their names are remembered on a list on the website of the local City Museum of Harderwijk. The website of the 49 Squadron Association specifically mentions Thomas Hill McGrenery’s crew and plane: F/O Reg Worthy (AE421) and crew were lost in April 1942 when their Hampden crashed into the Ijsselmeer. Here are the relevant links: http://www.49squadron.co.uk/memorials/memorial_harderwijk

http://www.49squadron.co.uk/assets/pdf/Ijsselmeer_monument_harderwijk.pdf

I enclose two copies of all documents, as agreed. I hope very much that he will pursue his interest in this story and we are willing to support him as much as possible. Finally, please could you tell us the exact date and place of birth for Thomas Hill McGrenery, and the dates of birth for his brothers? I don’t suppose there is a family photo of them with or without their parents?  With many thanks and best wishes, Aletta Stevens

In de mail van 9 november 2915 werd aangegeven dat Elune het “service record” had gevonden van Thomas Hill en ook nog iets bijzonders: een beker die Thomas had gewonnen bij een bokskampioenschap in de RAF.  Hij had dit gewonnen in de “8stone flyweight” competitie. In Nederland wordt dit het vlieggewicht genoemd. Alleen personen tot maximaal 50,8 (112 pounds) mogen hieraan meedoen. Zijn broer Peter was ook een bokser. Hilary deelde mee dat haar man Peter nooit gesproken had over een vriend of vriendin van Thomas.

 ZOEKEN NAAR MEEGENOMEN VOORWERPEN.

Onder punt 5 is opgenomen dat er enkele voorwerpenwaren meegenomen door een Duits officier. Daarom heb ik op 17 augustus 2016 de Stichting SMAMF in Leeuwarden gevraagd om een adres waar eventueel bekend is dat er voorwerpen door een Duits officier waren meegenomen bij de lijkvinding. Het verkregen advies om met het Nederlandse Rode Kruis in Den Haag contact op te nemen, is opgevolgd. Er kwam na vier maanden een antwoord: Er waren geen voorwerpen.

Opdroegen oan twa Ingelske fleaners op it tsjerkhôf fan Nijemardum.

ALLINNE BY GOD BEKEND                  

In wite stien sa stil en kâld.
Hy stride foar in goede wrâld.
Iens wy hy jong en by elts bekind.
It wie heit en mem harren lytse fint.
Sy joegen him leafde en hâlden fan him.
Doe kaam de wrâldkriich oan de krim.
Syn striidfjild wie de loft yn tsjustere nacht
mei striid tsjin de duvelske macht.
Syn fjochtsjen einige yn ’t kâlde wetter.
Hy waard earst fûn in tiidsje letter.
Yn Gaasterlânsk grûn kaam hy ta rêst.
In libben sa jong, dat is net sa bêst.
Gjin minske koe him doe mear.
Allinne bekend by ús leave Hear.
Foar ús frijheid moast hy syn hûs ferlitte.
Wy wolle en kinne dit nea ferjitte.

Het Friese gedicht is uitgesproken door Kees van Strien uit Balk voor de Lokale Omroep Radio Gasterlân op 4 mei 1992.

Opgedragen aan twee Engelse vliegeniers  op het kerkhof in Nijemirdum.

ALLEEN BIJ GOD BEKEND.

Een witte steen zo stil en koud.
Hij streed voor ‘s werelds goed behoud.
Eens was hij jong en bij ieder bekend.
Het was vader en moeder hun kleine vent.
Zij gaven hem liefde en hielden van hem.
De Wereldoorlog ontnam hun zijn stem.
Hij streed in de lucht bij duistere nacht
met al zijn inzet tegen de duivelse macht.
Zijn gevecht eindigde in het koude water.
Hij werd gevonden enige tijd later.
In Gaasterlands grond kwam hij terecht.
Een leven zo jong, dat is niet best.
Geen mens kon hem toen meer.
Was alleen bekend bij onze lieve Heer.
Voor onze vrijheid verliet hij zijn land.
Wij zeggen daarvoor onvergetelijk dank.

De Nederlandse vertaling is van Jan Geert Vogelzang.

Marechaussee-kazerne in Sloten (Ansichtkaart van www.marechausseesporen.nl)

Artikel Leeuwarder Courant 2 augustus 2016