De Boerenschool in Rijs

Voorwoord
Er is in Gaasterland weinig bekend geworden en gebleven over de enige Boerenschool die Nederland heeft gekend tijdens de Duitse bezetting. Deze in Rijs gevestigde Boerenschool behoorde tot de op Duitse leest gestoelde boerenorganisatie Landstand en had in de directe omgeving van Rijs geen eigen contacten of bemoeienissen met de inwoners van Gaasterland. De Gaasterlanders zagen af en toe Duitse officieren lopen als gasten van de staf. Verder voelde men zich niet erg aangetrokken tot deze instelling en zijn bewoners. De boekhouder en beheerder kwamen weliswaar uit Gaasterland, maar het overige personeel kwam uit andere delen van Friesland. Omdat de cursisten voor het merendeel uit andere provincies kwamen, kan er uit plaatselijke overlevering of verslagen weinig informatie worden gehaald. Eenmaal stond de school in de nationale belangstelling toen er in juni 1943 gedurende 49 seconden Polygoon Bioscoopbeelden werden uitgezonden van het Germaanse Midzomer Zonnewendefeest in Rijs.

Mede door toedoen van de Friese nationaalsocialistische directeur, dr. Haring Tjittes Piebenga, werd de Boerenschool een ideologisch voorbeeld voor zowel de boer als de Friese nationalist.

R.K. Kindertehuis ,,Mooi Gaasterland”

WAT VOORAF GING AAN DE VESTIGING VAN DE BOERENSCHOOL IN RIJS

H.J. van Riek

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd in 1941 de villa, Mooi Gaasterland” - in die tijd een vakantieoord - door de Landstand1 in gebruik genomen. De prachtige villa2 was in 1912 gebouwd door de Maatschappij Gaasterland3 en kreeg zijn Rooms Katholieke rentmeester Hermanus Jacobus van Riek, geboren 20 januari 1882 in Den Haag (zie foto) en diens echtgenote, Maria Elisabeth Wolters, geboren 1 mei 1882 in Amsterdam, als eerste bewoners.

De villa was niet alleen woning voor de administrateur, maar ook bedoeld als kantoor van de Maatschappij Gaasterland. Het was een woning voor iemand die in hoog aanzien stond en bovendien een statussymbool voor de Maatschappij. Het ontwerp van de villa werd gemaakt door een vrij onbekende architect: M.J. v.d. Schilden uit Den Haag. De aanbesteding vond 8 februari 1912 plaats en bouwbedrijf Van der Werf uit Sint Nicolaasga kreeg de opdracht. Het was een van de eerste opdrachten van dit bedrijf. De eerste steenlegging was op 1 juli 1912. De bouw is helaas niet zonder tegenslagen verlopen en het bouwbedrijf leed grote verliezen op dit project.

Maatschappij Gaasterland werd in 1924 geliquideerd. Om deze reden moest rentmeester Van Riek op zoek naar ander werk en de villa ,, Mooi Gaasterland” verlaten. Hij vertrok op 11 januari 1924 naar Zeist en zijn echtgenote op dezelfde datum naar Wassenaar. Was een relatiebreuk ook een reden voor hun vertrek? Volgens de geruchten van destijds is Van Riek kastelein geworden. De villa werd een speelbal van beleggers die het gebouw aanvankelijk niet konden verkopen. De in Balk op 19 oktober 1880 geboren Machiel Visser was bestuurder van de Utrechtse Diocesane Bond van de Katholieke Arbeidersvereniging (KAB).

In de winter van 1921-1922 was door de KAB een actieprogramma opgesteld o.a. ter verbetering van de levensomstandigheden en gezondheid van arbeidersgezinnen.

Machiel Visser

Machiel Visser kreeg de opdracht dit beleid uit te voeren. Hij bedelde de eerstvolgende jaren een aardig kapitaaltje bij elkaar van om en nabij 13.000 gulden (€ 6000,00). Hij had veel connecties vanwege zijn politieke functies. Van 1918 tot 1932 was Visser zowel raadslid van Leeuwarden als lid van de Provinciale Staten van Friesland. Van 1931 tot 1936 was hij zelfs lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. De pastoor van Bakhuizen had Visser al eens op de villa Mooi Gaasterland gewezen en de mogelijkheid om deze als koloniehuis voor kindervakanties in te richten.

En zo werd eind december 1925 de villa aangekocht voor f. 12.500,00 (€5700,00) door het Rooms Katholiek Werkliedenverbond. Deze Bond maakte er een vakantieoord van voor zwakke kinderen. Langzamerhand kwamen er meerdere gebouwen bij, zoals een kapel. Het R.K. Werkliedenverbond wist nonnen (verpleegzusters) te werven en nu kon men er voortaan de hele zomer tot ver in de herfst de " bleekneusjes” vinden.

Op 20 mei 1926 arriveerden de eerste zusters Franciscanessen in Rijs. Zij kwamen uit het Duitse Münster en uit Leeuwarden en Arnhem. Moeder Heriburga, de eerste moeder-overste, deed haar intrede en werd bijgestaan door 5 zusters. Op 15 juni 1926 kwamen de eerste kinderen en gedurende dit eerste jaar werden er in totaal 84 kinderen verpleegd. Per keer konden er maximaal 25 kinderen worden geplaatst.

Situatie 1940 met bijgebouwde verblijfsruimten voor de kinderen.

Deze kinderen kwamen uit geheel Nederland om aan te sterken en weer op krachten te komen. Tot 1940 zijn er 6000 kinderen opgenomen geweest. Veel van deze kinderen hebben hun hele leven hierop met dankbaarheid teruggezien. In november 1939 werd op last van het Ministerie van Defensie Mooi Gaasterland al eens ontruimd vanwege de oorlogsdreiging. Op 7 november 1939 was een groep van 14 bleekneusjes uit Gaanderen naar het vakantieoord vertrokken, maar de “Graafschap Bode” meldde op 13 november 1939 dat de kinderen al weer thuis waren.

Na korte tijd startte de opvang van kinderen weer, maar bij het uitbreken van de oorlog werden de opnames opnieuw stilgelegd omdat de busverbinding tussen Heerenveen en Gaasterland werd opgeheven.

Een rector had de leiding over het vakantieoord. De jong gestorven rector Eerw. Pater B. Jongma, was met de Duitse Franciscanessen nonnen (verpleegzusters) alle dagen in de weer om de zwakke kinderen een paar wekenlang veel plezier en vertier te geven. Maar toen kwam de Duitse bezetting. Het Rooms Katholiek Werkliedenverbond – eigenaar van de villa - werd opgedoekt en ging met al zijn bezittingen over in het Nederlands Vakverbond (N.V.V.), dat later op 1 mei 1942 omgedoopt werd tot het ,,Nederlands Arbeidsfront” (N.A.F.)4.

Bij het begin van de bezetting leek het er op dat alles hetzelfde zou blijven, alleen zou de leiding uit NSB-ers bestaan. Het is er echter niet van gekomen. De rector, Eerwaarde Pater Broer Dominicus Jongma, geboren 23 juli 1904 te Huizum, behoorde bij de Orde der Lazaristen. Na zijn priesterwijding was hij begin 1936 tot rector van het R.K. Kindertehuis ,,Mooi Gaasterland” benoemd. Hij werd echter in oktober 1941 benoemd tot rector van het Elisabethgesticht in Leeuwarden en vertrok onmiddellijk uit ,,Mooi Gaasterland”. Op 23 april 1944 overleed hij in het St. Bonifaciushospitaal te Leeuwarden. Hij is begraven in Bakhuizen.

De aanwezige Duitse verpleegzusters (zij werden liefdezusters genoemd) werden in de eerste week van oktober 1941 door hun Duitse regering opgeroepen te vertrekken naar het St. Franziscushospitaal in Münster. Daar zouden ze beter werk kunnen doen dan in Rijs. De Duitse lazaretten hadden nl. dringend behoefte aan verpleegsters. Het waren:

-Moeder-overste Maria Havers, geboren 15 oktober 1874 in het Duitse Werne.
-Helena Klahsen, geboren 9 januari 1910 in het Duitse Meppen.
-Augusta Bönner, geboren 28 mei 1902 in het Duitse Arnsberg.
-Maria Derstappen, geboren 14 augustus 1868 in het Duitse Wankum.
-Anna Dudey, geboren 5 oktober 1891 in het Duitse Darup.
-Theodora te Pas, geboren 12 augustus 1913 in Gendringen, vertrekt naar Arnhem.

In 1941 waren er twee zusters met de namen Bastiaan en Ascharia.

Mooi Gaasterland kwam leeg  te staan. Wat moest er nu gebeuren

VILLA MOOI GAASTERLAND WERD TOT BOERENSCHOOL GEVORMD

Het antwoord kwam van de Landstand. Dat was een op Duitse leest gestoelde organisatie waarin alles was ondergebracht dat met het boerenbedrijf te maken had. In Rijs kwam de eerste Nederlandse boerenschool dat een navolging van de boerenschool uit Duitsland moest worden zoals dat daar al jaren had gedaan. Het bestaan van de Boerenschool bewees hoeveel waarde de Landstand hectte aan de ideologie van het zuivere boerendom. Doel bij de oprichting was om consequent te streven naar eenheid van alles wat met de boerderij en het boerenleven te maken had. Het plan was om ‘de boerenarbeider, van hetzelfde bloed en dezelfde geest bezield als de boer, een waardige en eervolle plaats in het geheel van de landbouw te doen innemen. De Landstand wil niet bij de technische, economische en sociaaleconomische kant van het boerenbedrijf en het boerenleven blijven stilstaan. Zij zien economie en cultuur niet als afzonderlijke grootheden, doch als twee aspecten van een en dezelfde zaak, het boerenleven en de boereneer’. Het lidmaatschap werd voor alle deelnemers verplicht gesteld. De Landstand werd in 1941 huurder van de villa ‘Mooi Gaasterland’.

In de Leeuwarder Courant van 17 juni 1942 werd in een artikel de doelstellingen wat algemener omschreven:

“Het doel is om ook hier, de jonge boer bekend te maken met zijn eigen cultuur. Het is de laatste jaren te veel zo gegaan, dat de boeren zich meer en meer gingen oriënteren op de grote stadscultuur en daarmee het eigene hoe langer hoe meer verloren. Kleding, taal, gebruiken enz., welke steeds aan het platteland een eigen karakter gaven en de boerenstand tot een bepaald, zij het dan soms niet voldoende geacht, deel van ons hebben gestempeld, pasten zich steeds meer aan aan de verschijnselen, welke op dit gebied in de steden werd geconstateerd.

En hoe zou dit in deze dynamische tijd zijn te keren wanneer de boer geen begrip had van hetgeen nog steeds zijn eigen cultuur vormt, wanneer hij de Germaanse boerengeschiedenis niet kende en aan de oude boerengebruiken en tradities geen aandacht meer schonk? Dit heeft men in Nederland beseft en als gevolg daarvan is de boerenschool in Gaasterland opgericht. En nu het blijkt dat de boeren dit initiatief weten te waarderen, zullen er ongetwijfeld ook elders in het land nog verschillende van deze nuttige instellingen in het leven worden geroepen”.

Er moest een, boerenschool” in Friesland komen geheel volgens het Duitse model. Volgens de geruchten zou aanvankelijk Stania-State in Oenkerk hiervoor aangewezen worden. Ook werd Bakkeveen hier en daar genoemd en weer anderen dachten aan één of ander kasteel buiten Friesland. Er zouden immers nog meer van dit soort boerenscholen opgericht worden, namelijk één voor de Franken (Hollanders), één voor de Saksen (het oosten van Noord-Nederland) en één voor de Teutonen (de Brabanders). De bezetters wilden dat de eerste vestiging als voorbeeld zou gaan dienen voor de overige scholen. Maar nu "Mooi Gaasterland” leeg stond, dichtbij het wonderschone Rijsterbos, werd dit de vestigingsplaats. Voor zover bekend is de Boerenschool van Rijs de enige in zijn soort gebleven. De Landstand zorgde ook nog voor een kaderschool in Baarle-Nassau voor hen die meer wilden leren en/of een lesgevende of leidinggevende functie binnen de Landstand ambieerden. Dit droeg de naam “Zonnewende”.

De man die de leiding van de school op zich zou nemen, dr. Haring Tjittes Piebenga4, wilde vreselijk graag terug naar Friesland. Hij had in Utrecht biologie gestudeerd en was in 1941 bij Prof. Eugen Fischer in Berlijn – van wie hij enige tijd de rechterhand was - gepromoveerd op een studie over de antropologie van de bevolking op Urk. Het onderwerp was: ,,Ueber das Hautleistensystem der Bevolkerung der Insel Urk”. Op grond van zijn onderzoek naar de hand- en vingerafdrukken van de Urkers was Piebenga tot de conclusie gekomen dat de Urkers het meest aan de Friezen verwant waren. Op 16 januari 1943 sprak Piebenga bij de Fryske Rie fan Saxo-Frisia over,, Folk en ras yn Fryslan”. Hierbij haalde hij de antropologische studie van Lubach aan over de kenmerken van een Fries en die luidden als volgt:

,,De ovale holle, it langwerpich antlit, forse kin en grutte noas; net breed yn ‘e skouders; slank en de kleur fan de eagen blaugriis. Benammen de noas, lang en mei smelle noasters, is wol tige sprekkend foar in Fries”.

Vertaald: Het ovale hoofd; het langwerpige gezicht, forse kin en grote neus; niet breed in de schouders, slank en de kleur van de ogen is grijsblauw. Vooral de neus die lang is en de smalle neusgaten zijn erg sprekend voor een Fries.

Piebenga liet in de Boerenschool een door hem gekocht schilderij ophangen van de schilder Bouke van der Sloot (1908-1995). Deze had een uitstekend portret geschilderd van de jonge Jildert Zuidema, de latere landbouwredacteur van de Leeuwarder Courant. Hij zag in dit schilderij een ideaal exemplaar van een Germaanse jongeling. Alleen had volgens hem de kin wat krachtiger gemogen.

Toen de bevrijding naderde, vluchtte Piebenga en de schilder Van der Sloot haalde per bakfiets het nog niet betaalde doek terug uit Rijs. Hij gaf het in 1947 bij hun huwelijk cadeau aan Jildert Zuidema en Tiny Mulder, die beiden hun sporen in het verzet hebben verdiend. In februari 1943 stond het verslag van een rede in Leeuwarden door Piebenga in “Het Noorderland”, Maandblad van de Stichting Frisia. Piebenga besteedde in deze lezing o.a. aandacht aan “de zorg voor het ras”.

Hij hield zijn gehoor voor, dat de moderne wetenschap in staat was erfelijke ziekten als suikerziekte en hazenlip “uiterlijk geheel te genezen” en de patiënten in staat te stellen nakomelingen te krijgen.

Bij deze nakomelingen openbaarden zich echter de erfelijke afwijkingen weer, met als gevolg dat het aantal patiënten sterk toenam. Hiertegen hielp slechts sterilisatie die “uitbreiding van het gezonde en het biologische waardevolle” als positief gevolg had. Dit was volgens Piebenga een vraagstuk waarvoor men in Friesland de ogen niet mocht sluiten.

  1. DE INRICHTING EN HET DOEL VAN DE BOERENSCHOOL

De inrichting van de Boerenschool in Rijs werd snel geregeld en zonder veel ophef begon de Landstand met zijn Boerenschool. Het interieur van de villa en de kapel werd direct verbouwd tot een kitscherig geheel met middeleeuwse motieven.  Behalve de schooldirecteur Piebenga, kwamen er nog twee leraren, een boekhouder, een huishoudster en een beheerder. Toen was het zover dat de cursussen konden beginnen. ,, Zo wordt de boerenjeugd opgevoed tot goede staatsburgers, die zich weer bewust worden van hun Germaansche afstamming en hun eigen boerenaard”, aldus A. Koers in het blad De Landstand van 3 april 1942. In april 1942 vindt de officiële opening van de school plaats. De Boerenschool wilde geen landbouwschool zijn. ,,De landbouwschool leert het vak, het bedrijf; de Boerenschool leert de boer”, aldus typeerde de schoolleider Piebenga de schoolprincipes. ‘Leren’ hier in de zin van ‘vorming’. Hoe ziet de ideale boer eruit.

In Gaasterland en omgeving werd er zeer sceptisch tegen deze school aangekeken. In de eerste plaats vanwege het Duitse karakter van de school. In de tweede plaats waren de boeren inhoudelijk argwanend m.b.t. de doelstelling: ,,Hoe kun je nu boeren gaan opleiden in het Rijsterbos”. Het doel was om voor cursisten gedurende vijf maanden een basis te leggen voor het bouwen aan een echte boerencultuur, maar vijf maanden cursus is het nooit geworden. Er zouden steeds 20 tot 25 cursisten samengebracht worden, die dan drie weken in Rijs verbleven. Het waren meestal mannelijke cursisten en er was een enkele cursus voor vrouwelijke deelnemers, maar er werden slechts sporadisch cursussen voor mannen en vrouwen samen georganiseerd.

Gedurende de zomermaanden waren de meisjes meestal als cursisten aanwezig en de jongens ‘s winters. Het is spijtig dat het gehele schoolgebeuren opging in een instituut dat bij hoog en bij laag bij een rassencultuur zwoer zoals die bij de Duitsers al in gebruik was. Daardoor werd het een en al rassenleer en erfelijkheidstheorie wat de klok sloeg. En dat was precies de oorzaak dat de boerenschool nooit geworden is wat de stichters gehoopt hadden. In plaats van dat er alle keren 20 tot 25 cursisten werden aangemeld, hield het soms met 9 of 10 al op. In plaats van jonge mannen en vrouwen van 18 tot 27 jaar – want dat was de vereiste leeftijd – kreeg men soms wel kinderen van 15 jaar op de cursus. En die paar belangstellenden die wel op de cursussen kwamen, waren niet altijd de scherpste leerlingen. De meesten ging de leerstof dan ook boven hun verstandelijke vermogens. Ook voor de leden van de Landstand zelf ging het allemaal niet zoals men graag wilde.

Vooral in Drenthe waar men door de slechte economische toestanden van de dertiger jaren bij de NSB terecht was gekomen, moest men van al deze rassentheorieën niets hebben.

Nee, dan kon de leiding het beter vinden met de Landstandleiding uit Holland die veel feller nationaalsocialistisch was. Er was dus meer dan eens spanning in en bij de Boerenschool. De organisatie waar men het van hebben moest om aan leerlingen te komen, wilde al snel niets meer van de Boerenschool weten. En dat was mede de reden dat er niet altijd voldoende deelnemers waren.

Men ging uiteindelijk zelfs zo ver dat de deelnemers niets behoeften te betalen en zelfs 60% tegemoetkoming kregen in een eventuele loonderving. Onderwijs, intern verblijf en overnachtingen, de reiskosten, excursies, enzovoort, alles werd voor hen door de Landstand betaald. Toch was er geen animo voor deelname. Zodoende vonden er regelmatig andere cursussen plaats van b.v. Jeugdstorm, Hitlerjugend, sportcursussen, vormingscursussen voor boerenleiders e.d.

  1. CURSUSSEN

De datum van de eerste cursus is niet bekend. Er was door een “bevredigend aantal boerenzonen” aan deelgenomen onder leiding van Dr. Piebenga. Op 16 februari 1942 begon de tweede cursus met 30 boerenzonen uit geheel Nederland. Uit de eigen provincie kwamen heel weinig deelnemers. De meesten kwamen uit de grensstreken in Drenthe. In de Leeuwarder Courant van 4 april 1942 werd bekendgemaakt dat de derde leergang in Lemmer gehouden werd waarbij de heer T.E. Bontkes van Finsterwolde als hoofd van de afdeling 1 van de Nederlandse Landstand (afdeling Volk en Bodem) de gastdocent was.

Uit: Dagblad De Tijd 22-08-1942

Het dagprogramma was behoorlijk pittig, daarbij kon niet gemakkelijk achterover worden geleund. Morgens om zeven uur was het opstaan. Dan werd er eerst een kwartier gymnastiek gegeven door de Voorburgse gymnastiekleraar T.J. Sperling, een oud-inwoner van Leeuwarden. Hij was ook aangesteld als landelijk leider van de sportcursussen in Winterswijk en Tiel. Om het vak te leren was hij eerst enige tijd gedetacheerd geweest aan een Boerenschool in Pommeren. Sperling noemde deze losmakende gymnastiek de ,,vroegsport”.

Daarna kwam de persoonlijk hygiëne aan de beurt, het bed moest opgemaakt en dan ging iedereen vlak voor 8 uur naar de vlaggenstok. Zodra de vlag met het nodige ceremonieel het hoogste punt op de stok had bereikt, volgde een stevig ochtendontbijt. Regelmatig werd daarbij een bord vol pap opgeschept ter vulling van de  nuchtere maag. Direct na het ontbijt begonnen de zanglessen. Er waren twee zanginstructeurs. De ene was Piet Andriessen en de andere was Henk Sweers. Deze laatste was de leider van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Ook directeur Piebenga bleek de nodige leidinggevende muzikale talenten te hebben.

Hij kreeg de leiding van het gemeenschappelijk zingen op vrijdag 12 november 1943 bij een bijeenkomst van de Jongerenafdeling van de Landstand in Heerenveen. En bij de Midwinterzonnewendeviering van 22 december 1943 werd hij als pianist genoemd bij het begeleiden van zijn zingende echtgenote.

De eerste 5 dagen van de interne cursus werden gebruikt om de stem te vormen en daarna om de verzen inhoudelijk te leren. Het studeren van canons was erg in trek. Een hele jaargang met Drenthen, Groningers en Hollanders zongen met elkaar een Friestalige beurtzang met de mooie titel: ,,Brio”.

Brio, de brêge sit ticht
En it skip moat dêr troch,
De brêgeman dy rop,
In skip foar in stoer,
Dat is net djoer.
Brio.

Even vlot als dit Friestalige Brio lied werd Jan Jzn. Starter’s nieuw liedeken gezongen: O, Friesland zoo vol deugden”.
Ook werd de keerzang gezongen:

Waarom moet de haan altijd vroeg opstaan,
Hij jaagt de kippen van de stok,
En drijft ze ook nog uit het hok.
Dit lied eindigde met een algemeen getok-tok-tok.

Er werden ook serieuzere liederen gezongen zoals het ,, Âld Wilhelmus” en: ,, Een man zal altijd krijgsgevangen zijn en dragen ’t hart vol moed” en meer van deze geuzenliederen. Direct na het zingen gingen de leerlingen naar buiten om een soort van polonaise te dansen. Er was een weekcursus met een volks-, zang- en dansleergang. Er werd geoefend om zelf weer zanglessen te kunnen geven.

Mevrouw Knigge-Lamberts uit Amsterdam leidde de danslessen. Zij was hoofd van de Volksdansdienst van de N.S.B. Zij leerde niet alleen de Schotse Driedans, maar ook de Drikusdans, de IJspolka  en de Zevensprong.

MULO leraar Egbert Otto (Ep) Boerstra* uit Joure gaf geschiedenislessen en directeur Piebenga gaf les in antropologie ,,op een ontspannen en niet al te moeilijke wijze”.

Daarna volgde er nog gymnastiek en het avondprogramma kon beginnen. ’s Avonds om halfacht werd weer met elkaar gezongen en om 11 uur moest iedereen in bed liggen. In totaal werd er dagelijks in 13 onderdelen lesgegeven.

Als voorbeeld een programmadiversiteit van kortlopende cursussen uit 1943:

17 t/m 25 maart. Volksdansen, zang en lichamelijke opvoeding. Uit elke provincie kunnen 2 jongens en 2 meisjes geplaatst worden in de leeftijdscategorie van 18 – 27 jaar.

29 maart t/m 3 april. Landvrouwen leren hoe men van oud weer nieuw maakt.

19 t/m 22 april. Een leergang voor de gewestelijke leiders(sters) van de Jeugdstorm

29 april t/m 21 mei. Een grote sportcursus.

19 mei tot 25 mei. Een groep Duitse Landstandjeugd logeert op ‘Mooi Gaasterland’ voor een vormingsweek en na die week gaan ze elk naar een Nederlands boerenadres. Op 19 mei arriveren Nederlandse deelnemers die na een week naar Duitsland vertrekken voor een verblijf van zes maanden bij een Duits boerengezin. Het blijkt dat de belangstelling van Duitsers voor verblijf in Nederland groter is dan bij Nederlanders voor verblijf in Duitsland.

In de “DeutscheZeitung in die Niederlanden” van 21 mei 1943 werd ook opgeroepen om een cursus “an die Bauernschule” te volgen in de periode van 21 jun i tot 12 juli. Het was een scholingscursus voor vrouwelijke Zeelandse landjeugd. Er zou les worden gegeven in o.a.“Rassenkunde, Sippenforschung, Heimatkunde enErblichheitslehre. Reiskosten zouden worden vergoed.

De allereerste uitwisseling met Duitse plattelandsjongeren werd 28 april 1942 gehouden. De eerste week werd een speciale cursus gegeven in de Boerenschool en dan vertrok men voor een half jaar naar Duitse landbouwbedrijven in Oldenburg, Hannover, Westfalen, Rijnland of het Weser-Emsgebied. Gedurende zijn verblijf wordt de deelnemer opgenomen in het gezin van een Duitse boer. Op deze wijze komt men in contact met het werk en ook de organisatie van het Duitse platteland.

21 juni t/m 12 juli. Een vormingscursus voor meisjes die ouder zijn dan 18 jaar. In de advertentie staat: Onderwerpen zijn o.a. rassenkunde, erfelijkheidsleer, gezondheidsleer, bevolkingspolitiek, Germaanse boerengeschiedenis, heemkunde, volksdansen en volkszang, lichaamsoefening, spinnen, weven enzovoort. Alle  kosten worden vergoed. Verder zal de gemeentelijke Boerenleider 60 procent loonderving uitbetalen als mocht blijken dat zulks financieel voor de cursus noodzakelijk is.

Er werd op 15 juli 1942 een oproep geplaatst in het Limburgs Dagblad voor deelname vanaf 5 augustus 1942 aan een 3-week durende cursus voor meisjes. Er werd bijgeschreven dat er nog enige plaatsen vrij waren. Voorts werd vermeld dat er in september en oktober 1942 weer een meisjescursus zou worden gehouden en dat vanaf november 1942 tot en met maart 1943 een 3-week durende cursus voor jongens zou worden gehouden van boeren, tuinders en landarbeiders. Alle Zeeuwse plattelandsmeisjes kunnen gratis aan deze cursus deelnemen, alle reiskosten zowel heen als terug worden vergoed. Men kan zich opgeven bij den Nederlandschen Landstand, afd. Landstand, Postbus 31, Goes.

In het Limburgs Dagblad van 21 augustus 1942 was een artikel geplaatst over het verblijf van 110 B.D.M. Meisjes in de Boerenschool te Rijs. Waar staat nu eigenlijk die afkorting voor. In Wikipedia is daarover het volgende te lezen:

“ De Bund Deutscher Mädel (B.D.M.) en de parallel daaraan georganiseerde Jungmädelbund waren de Hitlerjugend- en Deutschen Jungvolks-afdelingen die bedoeld waren voor meisjes tussen tien en achttien jaar. Evenals bij de Hitlerjugend en Deutschen Jungvolks, gold dat de Jungmädelbund zich richtte op meisjes tussen de tien en dertien jaar oud, en de Bund Deutscher Mädel op meisjes van veertien tot achttien jaar oud. Vrouwen en meisjes werden hier de nazileer bijgebracht en hun rol daarin."

Ze kregen scholing tot huisvrouw en werden voorbereid op het baren en moederschap van (veel) kinderen, wat volgens de nationaalsocialistische leer het ideaal van de Duitse vrouw diende te zijn. Na het doorlopen van dit traject moest de jonge vrouw nog een jaar op het land werken, het zogenaamde landjaar. Dit was de uitwerking van het “terug naar de natuur” principe waar de nazi’s voor stonden. In de natuur kwam de mens tot zichzelf, en de Duitse geest zou in de eikenbossen en middelgebergten van het Duitse land huizen. 7Hierover waren overigens veel klachten wegens de vele ongewenste zwangerschappen die hieruit voortkwamen. Vanaf 1936 werd het lidmaatschap voor meisjes verplicht, voor zover zij op raciale gronden niet waren uitgesloten. De Bund Deutscher Mädel had daarvoor in 1944 4,5 miljoen leden en was daarmee de3 grootste jeugdbeweging voor de meisjes ter wereld.

 

  1. DE VAKKEN

Biologie was eigenlijk het allerbelangrijkste vak en dan met name de biologie van de mens. Erfelijkheidsleer en rassenkunde waren nodig om inzicht te verkrijgen in de wetten van het leven en in de bevolkingspolitiek. Deze gaven immers informatie over de biologische functie van de boer en zij vormden de basis en de kern van het volk. In nauwe relatie stond daarbij de heemkunde waardoor de band tussen volk en bodem werd versterkt. ,,De gehele Germaanse geschiedenis wordt door een ,,boerenbril” bestudeerd”. Voorts werden er lessen gegeven in agrarische politiek, in lichamelijke opvoeding, het zingen van canons, zangleiderslessen, men moest opstellen schrijven en lichtbeelden bekijken, vooral over Germaanse boerengeschiedenis en er werden lezingen gegeven. Naast de cursussen waren er activiteiten zoals wandelen, volksdansen en het verrichten van grondwerkzaamheden. De dames leerden met een spinnenwiel om te gaan en er waren excursies naar Hindeloopen, het Fries Museum, enz.

De beweegredenen van vrouwen om lid van de N.S.B. te worden is belicht in het boek: ,,Voor Volk en Vaderland. Vrouwen in de NSB 1931-1948” door Zonneke Matthée. ,,Tachtig procent van de vrouwen werd lid van de NSB omdat ze dat zelf wilden. De regering deed niets aan de grote werkloosheid. NSB–leider Anton Mussert sprak veel vrouwen aan met zijn plannen om de economie aan te pakken, orde en recht te scheppen en iets te doen aan de sociale wantoestanden: het was Mussert of Moskou”. De vrouwen geloofden écht dat er een beter Nederland zou komen met de NSB aan de macht. De NSB was in 1931 opgericht en ook Joden waren lid. Pas later werd de partij onder invloed van de ontwikkelingen in Duitsland racistisch en anti-Joods. Veel NSB-vrouwen bleven tijdens de oorlog lid uit loyaliteit met de koers van de partij. ,,Ik denk niet dat alle vrouwen zich verdiept hadden in de kleine lettertjes van de partijideologie” vervolgt de historica wier vader in de oorlog negen maanden lid was van de NSB; hij wilde voorkomen dat hij tewerk zou worden gesteld in Duitsland. ,,De geruchten over Jodenvervolging werden afgedaan als propaganda. Voor de meesten was de NSB een beweging waar ze sociaal werk konden verrichten. Er waren zelfs NSB-vrouwen die onderduikers hielpen of in huis hadden”. De Boerenschool in Rijs werd nuttig gevonden want bij een bijeenkomst van de Boerenraad Franeker-Franekeradeel had spreker Jorritsma uit Sneek er op gewezen dat de school onontbeerlijk was voor het onderwijs.

  1. MIDZOMERFEEST EN MIDWINTERFEEST.

Een keer in het jaar zou voortaan het Midzomer- en Midwinterfeest in de Boerenschool gehouden worden. De ,,zonnewendeviering en midwinter” hoorden helemaal thuis in de nazi-ideologie met hang naar ,,oer-germaanse” rituelen.

(Een rite is een heilige handeling waarmee de gelovige de godheid vereerd. De rite is nauw verbonden met de mythe: de mythe geeft aan de rituele handelingen zin en bekrachtiging. Zij verhaalt ook waarom een bepaalde rite door een godheid is ingesteld. De rite hangt nauw samen met de seizoenwisselingen en is een der grondslagen van de tijdrekening. Een complex van riten noemt men ritueel. Waar veel Duitsers de bestaande kersttraditie ook in jaren 1933-1945 koesterden, probeerden fanatieke nazi’s hun eigen draai aan het feest te geven. Veel facetten van de geboorte van Christus beviel hun niet; een Heilige familie die welbeschouwd gewoon Joods was; dat weeë gedwee met vrede op aarde en de figuur van de Kerstman die ook allesbehalve Germaanse wortels had.

Kon het niet beter een soort midwinterfeest worden, een viering van de zonnewende? En konden de cadeautjes voor de kinderen niet worden rondgebracht door de god Wodan (de Germaanse naam voor de Noordse oppergod Odin) in plaats van door een goedlachse dikzak. Erg vergezocht was het volgens sommige deskundigen niet eens. De Kerstman was immers voor een belangrijk deel gebaseerd op Sinterklaas en die had toch echt wel wat gemeen met Odin. In plaats van een schimmel reed de oppergod rond op een achtbenig ros met de naam Sleipnir. En hij beschikte net als de goedheiligman over zwarte knechten, de raven Huginn en Muninn, die voor hem overal een oogje in het zeil hielden. Binnen de SS – niet toevallig een organisatie met runentekens in het embleem – leefde de neiging sterk).

In de gezwollen taal waar de Nazi’s patent op hadden, werd de betekenis van de zonnewende bezongen:

,,Zonnewende, tijd van kentering, beeld van op– en neergang in een eeuwig ritme. Feest van de daad: vruchtbaarheid en de oogsttijd die komt. Midzomernacht, - 21 juni -  het rad (de aarde) wentelt. Uit de onstuimige levensdrang van het voorjaar dringt nu bezinning en daadkracht naar voren”.

Van 22 december tot 25 december werd het midwinterfeest (joelfeest) gehouden als Germaans winterfeest. Dit feest is in het christelijk kerstfeest overgegaan. Bepaalde gebruiken, zoals de joelvuren, leven nog altijd voort.

Oud-cursisten met prominenten van de Landstand, de Jeugdstorm en de bezetter, vierden op zaterdag 20 juni en zondag 21 juni 1942 gezamenlijk de eerste zonnewende op de Boerenschool. Fraulein Ella Weiss, leidster van de Duitse Landjeugd in Nederland was aanwezig. Onder de deelnemers bevonden zich ook de Duitse jongens en meisjes die betrokken waren bij de uitwisseling van landjeugd en dus een half jaar in een Nederlandsch boerengezin doorbrachten. De zaterdag werd gevuld met volksdansen, gymnastiek en zingen en ’s avonds werd begonnen met het opstapelen van het midzomervuur. Zondagmorgen 21 juni arriveerde de boerenleider E.J. Roskam (foto) (volgens prof. Dr. L. de Jong ,,een geprononceerd vertolker van de SS-ideologie”) in gezelschap van het hoofd van de afdeling Volk en Bodem de heer Bontkes, de stafleider Mr. Reydon en boerenjeugdleider Boerma. Bovendien waren vele boerenleiders aanwezig en stafleiders uit de provincies, vertegenwoordigers van de Beauftragte van de Rijkscommissaris in Friesland en vertegenwoordigers van de Nationale Jeugdstorm, vertegenwoordigers van N.S.B.

E.J. Roskam

Roskam had zich populair gemaakt bij de Friese leden door te zeggen dat de Friezen zich niet in hun eigen cultuur moesten laten opsluiten, doch die door het hele land uit moesten dragen. De boerenleider sprak ’s middags een korte rede waarin hij zijn grote tevredenheid betuigde over de geest van kameraadschap en strijdvaardigheid die de landjeugd uitstraalde. Hij zette in enkele woorden de betekenis van de zonnewendegedachte uiteen. Dit gedachtengoed is niet gebonden aan een historisch afgerond tijdperk, maar is van alle tijden en geslachten en heeft zich altijd gericht op de wedergeboorte. Ook al werd zij bestreden door de machten der duisternis, wanorde en chaos. “Daarom moeten wij ervoor waken, dat deze machten niet weer ons boerenvolk gaan beheersen. Daar zullen jullie jongeren, met jullie zuivere idealen, voor moeten strijden. Zuiver en zuiverend idealisme zal immer nodig zijn, ook in de komende nieuwe tijd. En deze taak draag ik aan jullie, jongeren, op”, aldus Roskam.

Tegen de schemering verzamelden zich alle deelnemers aan de kust van het IJsselmeer, waar de brandstapel was opgericht. Hier las dr. H. Tj. Piebenga een vers voor uit de Edda, behandelend het binden van de Fenrirwolf en het Ofer van Tyr. Daarna werd het midzomervuur ontstoken en terwijl de rode tongen hoog boven de zeewering lekten, klonk geestdriftig het Zonnewendelied op: ,, Vlammen laai hoog”. In juni 1943 werd dit fascistische feest opnieuw gevierd met ongeveer 195 oud-leerlingen. Het polygoon bioscoopjournaal maakte opnamen, waarvan 49 seconden werden vertoond. De beelden laten volksdansen zien door de oud-leerlingen op het grasveld voor het gebouw van de Boerenschool. Ook zie je dat bij zonsondergang een kampvuur ontstoken wordt. Ook deze keer waren veel prominenten aanwezig, zowel van Duitse Zijde als van de NSB. Deze zonnewende was nog Germaanser dan de vorige viering. Zo wees de Duitser Ernst, referent voor agrarische politiek bij de Rijkscommissaris,  erop, hoe nauw bloed en bodem met elkaar verbonden waren. Die zondag werd een programma afgewerkt bestaande uit volkszang, volksdans en enige lezingen. ’s Middags werd een bezoek gebracht aan het naburig kamp van de Nederlandse Arbeidsdienst op de Wyldemerk. Hier werden de midzomervierders gastvrij onthaald.

De heer Jan Best6, hoofd van de uloschool uit Grou, hield aan de hand van een daarover verschenen boek een lezing over ”Midgards ondergang” waarin hij de neergang van de van de oud-Germaanse tradities voornamelijk toeschreef aan de kerstening, de bekering tot het christendom, die onze voorouders beroofde van de bindende ideeën uit hun gedachtewereld en de sibbe-gemeenschappen ten gronde richtte.

De leider van de Boerenschool, H.Tj. Piebenga, gaf rekenschap van de 14 leergangen die sinds januari 1942 in de school werden gehouden. Traditiegetrouw werd volgens Oud-Germaans gebruik het zonnewendefeest besloten met het verbranden van een stapel takken. Dit gebeurde ’s avonds op het IJsselmeerstrand.

De 195 oud-leerlingen die dit keer aanwezig waren, zullen zeker niet alle oudgedienden van de school zijn geweest, zodat aangenomen mag worden dat in totaal toch enkele honderden de Boerenschool in Rijs hebben bezocht.

Het Midwinterfeest van woensdag 22 december 1943, het laatste, laat al zien dat levensmiddelen en andere artikelen schaars werden. De deelnemers waren verplicht om mee te nemen:

  1. Een laken en een sloop.
  2. Een etenspan.
  3. Een fles melk en een stukje worst of spek voor de snert. Of anders een kluitje boter of een boterbon van 10 gram.
  4. Spullen om te wassen en te scheren.
  5. Voldoende brood en beleg.

Deze dag werd bijgewoond door de Ministerialrat Ross, waarnemend boerenleider Okkinga, Kiestra, de leider van de Fryske Rie, de plaatselijke afdeling van de NSB  en vele andere vooraanstaanden. Vanaf ’s middags 12 uur was er gemeenschappelijk koffiedrinken. Om 14.00 uur sprak Wouter Bonnes Hielkema, leider van de Landjeugd. Hij opende dit feest, waarbij een moment werd stilgestaan bij de vrijwilligers aan het Oostfront. Hierna werd het Fries Volkslied gezongen. Schoolleider Piebenga vervolgde het programma en sprak over de oorsprong en de viering van Midwinter. Hij betoogde dat Friezen en Germanen de wereld zagen als een strijd tussen licht en duister, die zij met bescheiden middelen probeerden uit te beelden.

Dat heeft zo lang nagewerkt dat men daarvan nog steeds iets kon terugvinden in de tekens van de kinderen bij het hinkelen en in de vormen die de bakker gebruikte bij zijn Sinterklaasspullen. Ook het hakenkruis, het joelrad, vindt zijn oorsprong in het zinnebeeldig weergeven van het midwinteridee. Men kan de gespleten cirkel als grondprincipe zien van al deze symbolen. Daarmee werd de verdeling van het jaar verbeeld in de beide helften van voor en na de midwinterzonnewending. Midden in het duister werd de komst van het licht gevierd. Na Piebenga kwam Ministerialrat Ross aan het woord die zei dat het hem in de afgelopen 3 ½ jaar opgevallen was dat er aan beide zijden van de grens dezelfde opvattingen heersten. De uitwisseling tussen het jonge Duitse en Friese boerenvolk kon daar nog meer aan meewerken, terwijl de Boerenschool de goede verstandhouding kon bevorderen tussen de Germaanse volkeren. Ondertussen was in de meisjesschool de grote zaal ingericht om naar de zang te luisteren van Mevr. Piebenga-Kuipers, die met pianobegeleiding van haar man twee Duitse liederen zong en twee Friese liederen. Rintje Pieter Sijbesma6 sprak over de geestelijke betekenis daarvan. Het Midwinterfeest was een feest van het voortbestaan en daarin was de hedendaagse mens de levende schakel. Deze menselijke schakel moest sterk zijn en doordrongen van de Noordse geest.

Aan de ene kant waren daar de strijdbare Noordrasmensen met hun scheppend vermogen; aan de andere kant de oppervlakkige mens en dat werd uitgebeeld in de strijd tussen licht en duister. Als de Friezen weer vat kregen op nederigheid en soberheid zoals hun voorvaders, dan stonden zij sterk in deze tijden die beslissend zouden zijn voor hun bedrijfsvoering.

In de avondschemering rond het hoog opvlammend vuur van een grote takkenbult, kon men nog luisteren naar Douwe Hermans Kiestra7. Hij sprak ook ter nagedachtenis aan Mr. Hermannus Reydon, die zoveel gedaan had voor de oprichting van de Boerenschool in zijn functie van Hoofd van de Theoretische Vorming van de NSB. Reydon bekleedde ook functies in het Agrarisch Front en de Landstand.  Mr. Reydon en zijn vrouw waren beiden slachtoffer geworden van de aanslag op 9 februari 1943 die de illegaliteit in persoon van arts-neuroloog Gerrit Willem Kastein als lid van de verzetsgroep Amsterdam had gepleegd. Mevr. Reydon stierf direct en haar man bezweek op 24 augustus 1943 aan zijn verwondingen.

Het midwinterfeest werd besloten met een gezellige kameraadschapavond. Daarbij gingen alle gasten om de tafels in de eetzaal zitten en werd er genoten van een warme maaltijd die voor het grootste deel uit groene erwten bestond.

Coba Cats kwam met een klein zangkoortje en gymnastiekleraar Sperling bracht zijn leerlingen op het toneel en iedereen deed nog mee aan het volksdansen. 

  1. SLACH BY WARNS 1345.

In 1345 versloegen de Friezen bij Warns het leger van de Hollandse graaf Willem van Henegouwen. Daardoor werd Friesland niet bij de Hollandse gewesten ingelijfd. Willem van Henegouwen kwam naar Friesland, omdat de Friezen hem niet onderdanig wilden zijn. Met een grote vloot stak hij vanuit Dordrecht de Zuiderzee over en koerste naar Stavoren waar een abdij was.

Doordat de Friezen met de komst van deze vloot op de hoogte waren, had zich een overmacht van Friezen opgesteld in de verhouding van 20 tegen 1. Bijna alle soldaten van Willem van Henegouwen werden vermoord, al kostte dat de Friezen ook heel wat mensenlevens. Een klein aantal Hollanders kon zichzelf nog in veiligheid brengen op de vloot en vluchtte de Zuiderzee op.

Door een klein groepje Friese Nationaal- Socialisten werd het initiatief genomen om een ,,Slach by Warnsbetinking” te houden. Doel was om de aandacht te vestigen op het verwezenlijken van het oude levensdoel van de Friezen, nl. de realisering van de Friese Volksgemeenschap. De herdenkingen van 1942 en 1943 hadden grote woorden en een kleine opkomst met resp. 50 en 35 deelnemers.   Door meedoen van de Boerenschoolcursisten in 1942 leek het allemaal nog wat. Bij beide herdenkingen hebben de sprekers de plaats, de eigenheid en de rechten van Fryslân beklemtoond. Dat ging eigenlijk tegen de opvattingen van de Duitsers in: zij wilden geen duidelijk afgebakend Fryslân waar mogelijk ook de Duitse Frieslanden in geïnteresseerd waren. Het ging in tegen de opvattingen van de NSB (Mussert), nl. de verwezenlijking van Groot-Nederland (,,Dietsland”). Daarin paste de Friese apartheid niet, de Duitsers moesten daar niets van hebben.

Op 26 september 1942 begon – begunstigd door mooi weer -  de herdenking in de Boerenschool te Rijs.  De verwelkoming werd gedaan door Dr. Haring Tjittes Piebenga; na het middagmaal werden Friese liederen gezongen en daarna nam Douwe H. Kiestra als leider van de fascistische Fryske Rie de leiding over van Saxo Frisia  en hield een korte rede:

,,By ús is grutte oanstriid om út de romrofte slach fan 1345 moed en fûleindigens te winnen foar de Fryske striid yn ús dagen. It hat doe al bliken dien, krektlyk as koartlyn by Dieppe en Tobroek, dat it út see wer oan lân kommen fan in legermacht gjin aardichheitsje is”. vertaling: ,, Bij ons is er sterke aandrang om uit de beroemde ,,Slag van het jaar 1345” moed en vastberadenheid te putten voor de Friese strijd in onze dagen. Het bleek toen al, evenals onlangs bij Dieppe en Tobroek, dat het uit zee weer aan land komen van een legermacht geen kleinigheid is”. Dr. Bonne Dykstra uit Zaandam, na de oorlog een bekend schrijver van schoolboeken, gaf eerst een historisch overzicht en hield daarna een herdenkingsrede over: ,,De Slach by Warns en Wy”. Hij zei: ,,Warns wie in grut monumint yn de striid foar it ivige Fryslân. Wy moatte it findel fierder drage en trochstride. Sûn liket it Fryske lichem, der binne rotte plakken, dy’t syn kultuer bedriigjen. Dat binne syn stêdden en syn sabeare stêdden, dat binne bynammen syn ûnderwiis-ynrjochtingen en syn net Fryske fermiddens en tendinsjes”. Vertaald: ,,Warns is een groot monument in de strijd voor een eeuwigdurend Fryslân. Wij moeten het vaandel verder dragen en doorstrijden, vandaag zowel als morgen. Het Friese lichaam lijkt gezond, maar er zijn rotte plekken, die zijn cultuur bedreigen. Dat zijn de steden en zogenaamde steden, dat zijn vooral zijn onderwijsinstellingen en zijn niet-Friese gezelschappen en stromingen”.

Na zang onder leiding van de heer S.J. van der Molen, secretaris van de Fryske Rie werd onder leiding van Dr. H. Tj. Piebenga – met prachtig nazomerweer- door het gehele gezelschap fietsend een bezoek gebracht aan de historische grond op en rond het Reaklif. Het motto van de Warnsherdenking in 1943 was (vertaald): ,,Voor een Fries Fryslân als gelijkberechtigd lid van de volksgemeenschap van Germanië”. In twee groepen bezocht men Warns. Het grootste gedeelte vertrok vanuit de Boerenschool. Een kleinere groep was per trein naar Stavoren gereisd en wandelde over de dijk naar het Klif. Douwe H. Kiestra nam weer het woord en wees o.a. op het belang van de eigen cultuur en de noodzaak om als Friezen jezelf te blijven.

H.T. Piebenga zei onder meer (vertaald): ,,Al vormen wij maar een klein groepje mensen hierboven op het Rode Klif, wij vertegenwoordigen het Friese volk, omdat alleen in ons de ware wil tot eenheid leeft. De eenheid die één keer komen gaat tegen alle verdeeldheid van de huidige tijd in”.

Tenslotte werden er nog enkele verzen gedeclameerd, waaronder de Ballade op de Slach by Warns van Douwe Tamminga. De Warnsherdenking in 1943 had een vrij besloten karakter. Als reden hiervoor werd in het blad ,,Fryske Folk” opgegeven dat de organisatie zich deze herdenkingsdag toe eigende, waardoor het voor anderen moeilijker werd om eraan mee te doen.

Na de oorlog, in 1945, begonnen de jaarlijkse herdenkingen van de huidige Slach by Warns. Er bestaat geen verband tussen de Stichting die toen opgericht werd de Fryske Rie. De Warnsherdenkingen van 1942 en 1943 zijn uit de Friese herinnering verbannen, zoals onder meer blijkt uit het feit dat de Encyclopedie van Fryslân deze herdenkingen in het geheel niet noemt. In 1945 werd een erecomité gevormd bestaande uit mensen met een anti-Duits verleden zoals Hendrik Algra, dr. W. Kok, mr. D. H. Okma en S. Schootstra van de Vereniging Friesland 1940-1945. 

  1. SCHOOLLEIDING - HOUDING EN WERKWIJZE

Er zijn een drietal gebeurtenissen bekend geworden die iets zeggen over de houding en werkwijze van de schoolleiding. De eerste gebeurtenis vond plaats in augustus 1944 toen de schoolleiding toestemming gaf aan enkele groepen Jeugdstormers om een voetbalwedstrijd te houden met jongeren uit de omgeving. Wel ging de eerste afspraak niet door omdat de Landwacht de wegen in de omgeving onveilig maakte, waardoor de Gaasterlanders niet durfden te komen. De volgende avond werd er wel gevoetbald bij de ingang van het Rijsterbos. De uitslag is niet bekend. De schoolleiding stond dus inmenging toe en bij de Gaasterlandse voetballers heerste kennelijk niet overal wantrouwen tegen de Jeugdstormers.

De tweede gebeurtenis stamt uit eind 1944 / begin 1945 toen de boekhouder van de Boerenschool aan verzetsstrijder Jan de Vries in Balk vroeg of die ook nog een bruikbare onderduiker wist die op ,, Mooi Gaasterland” een handje zou kunnen helpen. Jan de Vries wist wel iemand en zorgde er voor dat Johann Stummel, een uit Amsterdam gedeserteerde Duitse soldaat, in de Boerenschool een plekje kon vinden. Johann Stummel had als schuilnaam ,,Piet Bosma” en was  lastig te handhaven in Balk. Stummel was nieuwsgierig en moest regelmatig van straat worden gehaald en werd zelfs een keer door twee Duitsers, die in Balk met een zwarthandelaar aan het onderhandelen waren, herkend. Het ging goed met Stummel in de Boerenschool tot het moment dat er een heel stel N.S.B.-kinderen uit Amsterdam naar de Boerenschool werd gestuurd om aan te sterken.

Johann Stummel werd door een van de begeleidsters herkend en Stummel vluchtte in paniek naar zijn kamertje. Deze gebeurtenis toont aan dat de Landstandboekhouder Lyklema à Nijholt wist dat Jan de Vries een verzetsstrijder was. Er blijkt ook uit dat de boekhouder een onderduiker wilde op de Boerenschool hoewel hij 100% achter de Landstand stond. Tenslotte kan dus worden geconcludeerd dat de schoolleiding geen problemen had met de benoeming van deze onderduiker tot medewerker en dat er blijkbaar niet aan screening gedaan werd. Het derde geval is de opmerking aan directeur Haring Tjittes Piebenga door Gaasterlandse mannen die bij de ingang van het Rijsterbos in Rijs stonden. Kennelijk wisten deze Gaasterlanders wat er in de school aan de hand was.

Op een bepaald moment was Piebenga met enkele jongemannen het Rijsterbos ingelopen om onderhoudswerkzaamheden in het bos uit te voeren. Rein Albada van Kippenburg vertelde in 2017 dat iemand uit de groep Gaasterlandse mannen tegen Piebenga geroepen zou hebben in het Fries dat hij “de takken niet mocht snoeien omdat hij daar nog eens aan zou gaan hangen”.  

  1. OVER SCHOOLLEIDING, PERSONEEL EN SPREKERS

Boerenschoolleider was Dr. Haring Tjittes Piebenga, geboren op 5 november 1907 in Franeker. Van beroep antropoloog en psycholoog. Hij woonde vanaf 18 december 1941 officieel op het adres Mirns en Bakhuizen nr. 25 (in 1953 is het adres gewijzigd in Marderleane 1) met zijn echtgenote Johanna Kuipers, geboren op 31 mei 1909 in Franekeradeel en hun 6 kinderen. Na de oorlog werd het 7e kind geboren. Zoon Tjitte, de oudste van 7 kinderen,  vertelde in het Friesch Dagblad van 15 april 1995 dat hij als kind al werd gepest tijdens de Tweede Wereldoorlog in zijn woonplaats Rijs. De kinderen gingen in Bakhuizen naar school. Zijn broer Jancko en zijn zuster werden regelmatig opgewacht door de dorpsjeugd. Uit angst voor represailles zweeg het drietal thuis over het feit dat de dorpsjeugd stokken tussen de spaken van de wielen in hun fietsen stak. De moeder had daar lucht van gekregen en had de dorpsjeugd met maatregelen gedreigd waarna er nooit meer last is geweest. Over zijn kampervaringen heeft Haring Tjittes Piebenga nooit iets verteld aan de kinderen. Hij had alleen gezegd dat de Nederlanders veel van de Duitsers hadden geleerd. Lichamelijk is Piebenga behoorlijk nagekeken. Er kwam een heel andere vader terug: stijf en nog verhard in oude anti-semitische opvattingen. Voordat hij was opgepakt in 1945 had hij nog nooit geslagen: daarna was hij te streng.

Haring Tjittes Piebenga is bekend geworden als foute Nederlander. De waarnemend burgemeester van Gaasterland noemde hem na de oorlog als een van de 19 inwoners van Gaasterland wiens financieel vermogen onder beheer moest worden gesteld, omdat hij een vijand of landverrader was. Alle 19 personen stonden ingeschreven in het bevolkingsregister van Gaasterland en bevonden zich op 15 mei 1945 in arrest. Moeder en kinderen woonden verspreid bij familie in Friesland. Piebenga werd tot drie jaar celstraf veroordeeld vanwege zijn SS-aandeel en tot 15 april 1958 uitgesloten van het kiesrecht. In 1948 werd de familie Piebenga verenigd, nadat Koningin Juliana, die haar moeder Wilhelmina was opgevolgd, amnestie had verleend. Dat betekende dat Haring Tjittes Piebenga na drie jaar in Westerbork, Kamp Sondel en de strafgevangenis in Leeuwarden enkele maanden eerder de vrijheid kreeg.    Zelfs tientallen jaren na de bevrijding stak Piebenga zijn ultrarechtse ideeën niet onder stoelen of banken. Vanwege zijn racistische ideeën kwam hij het dichtst bij het type van een Duitse Nazi. Haring Tjittes Piebenga had als vertegenwoordiger van de zogenoemde Ahnenerbe kontakten met de Duitse SS. Ahnenerbe staat voor een soort voorouderkennis.  Piebenga werd ook wel buiten Friesland gevraagd als spreker. Het Drentsch Dagblad schreef op 4 mei 1943 over het optreden van Dr. Piebenga in kasteel “De Cannenburg” te Vaassen. Hier had hij voor 35 meisjes en vrouwen “gedoceerd” over het verband tussen ras en cultuur. Het was een driedaagse voorlichtingscursus geweest van het Departement Volksvoorlichting en Kunsten. Ook was hij te horen in radiopraatjes op Hilversum II over het onderwerp: “Wat is en wat doet de Boerenschool in Rijs” en “Wat wordt er op de Boerenschool geleerd”. . Verzetsleider Benjamin Steegenga uit Balk beschrijft in zijn ,,Verslag van Balk “ ook een andere kant van Piebenga:

,,Wij hadden in Mooi Gaasterland een school onder leiding van Dr. Piebenga, een N.S.B.-er. Verzetsstrijder Jan de Vries kwam een keer bij Piebenga en toen wist hij de namen van ons uit zes personen bestaande verzetscomité te noemen. Hij heeft ons nooit verraden. Wij hebben toen tegen elkaar gezegd: ’Jonge, jonge, als de oorlog niet gauw afloopt dan gaat het mis’. Piebenga heeft verteld dat hij een keer in Sneek bij de Landwacht was en dat die kerels onze namen op papier hadden staan. Maar in diezelfde periode zaten ze geweldig achter de wapens aan”. Ook Pieter de Jong, geboren 7 februari 1917, wonend in Oudemirdum heeft een belangrijke anekdote over Piebenga nagelaten:

,, Nu woonde er vrij dicht bij mij in de buurt een boekhouder van de boerenschool, de heer Lyklama à Nijholt. Piebenga had hem gevraagd of hij ervoor kon zorgen dat bepaalde mensen gewaarschuwd werden. Het betrof o.a. Steegenga, Van der Wal en De Ruiter en misschien nog enkele namen, waarvan ik niet zeker meer ben. Deze personen waren onderwerp van gesprek geweest van een groep Duitse officieren. Lyklama à Nijholt vroeg mij of ik hen wilde waarschuwen. Ik heb dit gedaan maar de heer Steegenga antwoordde ‘Ik wist al een hele tijd dat ze ons in de gaten houden. Wij zijn op onze hoede’.

Van dezelfde weg werd gevraagd om zijn broer Jan Piebenga, toen Hoofd aan een school in Oudega-W, te waarschuwen. Zijn broer hielp onderduikers, verstopte wapens en had misschien nog wel meer ’wandaden’ gedaan”. Haring Tjittes Piebenga heeft zijn sporen achtergelaten in de Fryske Beweging. Deze Friese Beweging moet worden gezien als een streven, o.a. via de vereniging, om recht te doen aan een volk dat naar eigen mening in groter staatsverband op cultureel en politiek gebied niet voldoende erkend wordt. De Fryske Beweging is echter in hoofdzaak altijd een taalbeweging geweest maar kreeg een opleving in de Tweede Wereldoorlog, toen enkelingen mogelijkheden zagen om met hulp van Duitsland te komen tot samenvoeging van Friesland met andere Frieslanden. In de Fryske Beweging laat H.T. Piebenga voor het eerst van zich horen in 1930 als medeoprichter en secretaris  van het Fries studentengezelschap ,,Radbod”, (later ,,Redbad”). Piebenga moest tijdens het Fries Kerstcongres van de Friese Studentenfederatie  van 1932 in Leeuwarden mee naar het politiebureau. Hij werd met 3 anderen geverbaliseerd, omdat aan een optocht was meegedaan waarvoor geen toestemming was verleend. Drie mannen (w.o. Piebenga)  werden bestraft met 5 gulden en één student met vijftien gulden, omdat die zijn vlag niet wilde afstaan. Op 16 februari 1933 werd de rechtszaak hierover gehouden in Leeuwarden met mr. J.W.Tysma als kantonrechter. De kantonrechter wou alleen maar Nederlands in de rechtszaal horen van de Fries sprekende verdachten. De kantonrechter verklaarde later dat hij het Fries spreken in de rechtszaal geen probleem had gevonden maar wel het demonstratieve gebruik hiervan.

In de vroege morgen van 23 december 1932 werd ook nog eens het standbeeld van Willem Lodewijk (in de volksmond: Us Heit, onze vader) op het Gouverneursplein voorzien van een spandoek met de tekst ,, O ivige skande det Karel Roorda hjir net stiet” (vertaling: O eeuwige schande dat Karel Roorda hier niet staat). De nagedachtenis aan een Nassaulid was derhalve beklad door demonstratief partij te kiezen voor de grote tegenstander van zijn Unie-politiek, zo’n 25 jaar geleden. Wie waren de daders? Studenten, werd algemeen gezegd. Er werd verband gezocht met de oprichting in oktober 1932 van een vereniging ,,De Swarte Heap” (vertaald ,,De Zwarte Hoop”)  dat uitingen van Hollands imperialisme in Friesland wilde bestrijden.

In het programma stond o.a. dat de politieke opbouw van de Germaanse staten  ,,organisch” moest zijn, d.w.z. het Friese Volk had als eigen Germaans volk recht op een zelfstandige ontplooiing, waarbij het historisch verband met de andere Germaanse volkeren in het oog moest worden gehouden. Van ,,De Zwarte Heap” is na 1932 weinig meer vernomen. Haring Tjittes Piebenga was hier de voorman van en algemeen werd aangenomen dat er aan deze club een fascistisch luchtje zat.  Dat Haring Tjittes in de actie met het Karel Roorda-doek de hand gehad heeft, staat wel vast. H.T. Piebenga raakte weer in opspraak toen hij in de nacht van 13 op 14 april 1932 in Leeuwarden een politieman beledigd zou hebben. Haring was met een ploegje studenten betrapt met een kalkemmer en een witterskwast vlakbij het opschrift ,,Fryslân Oerein” en it Jûlred, een Germaans symbool. Er werden geen boetes uitgedeeld, maar de kalkemmer en witterskwast werden meegenomen naar het politiebureau. Dat stond Piebenga niet aan en dus ging hij naar het politiebureau om deze beide zaken weer op te eisen als rechtmatig eigendom. Op het politiebureau aangekomen kreeg Haring problemen met een agent die hij nog kende van de december 1932 affaire, die hij beschuldigde van het afleggen van een valse eed. Dit muisje kreeg een staartje en een rechtszaak volgde op 10 juni 1933 waarbij mr. Meihuizen de rechter was. Het verhoor ging als volgt:

Mr. M.: Welke taal spreekt U daar?

Haring: Ik praet Frysk (Ik spreek Fries)

Mr. M.: U moet hier Nederlands spreken of anders zwijgen.

Haring: Mar ik haw it lêste wurd. (Maar ik heb het laatste woord)

Mr. M: (tegen de parketwacht): Majoor, verwijder deze verdachte uit de zaal.

Onder het roepen van ,, Fryslân Oerein” verdween Haring Tjittes, maar niet nadat de overstuur zijnde Mr. Meihuizen de majoor op de drempel nog had laten weten de ,,verdachte” in verzekerde bewaring te stellen zolang de zaak duurde.

Daarna werden ook de consequent Friessprekende getuigen Tsj. A. Bergstra en J.B. Vries door de parketwacht op de gang gezet. Piebenga kreeg wel een boete, maar belangrijker was dat hij als voorloper van Kneppelfreed in 1953 duidelijk had laten maken dat de rechter de Friese taal als vijandig had bejegend. Deze zaak heeft nog lang voor de nodige beroering gezorgd en wel zodanig dat er ook in de Tweede Kamer vragen over werden gesteld.

Haring Tjittes zette de zaak tot aan het Hof in Leeuwarden door. Het vonnis werd vernietigd, omdat mr. Meihuizen niet had mogen verhinderen dat in de Friese taal vragen aan getuigen à décharge werden beantwoord. Er kwam een nieuw vonnis maar dat kwam neer op handhaving van de vorige uitspraak, zodat er niets veranderde.

Los van de NSB is er nog een bepaalde vorm geweest van Fries nationaal-socialisme maar Haring Tjittes kan nauwelijks tot deze richting gerekend worden. Piebenga heeft onder invloed gestaan van Prof. Herman Wirth, een in Nederland geboren Duitser, die een staat van dienst had als Vlaams activist. Deze professor was in de twintiger jaren van de 20e eeuw een tijd lang leraar Nederlands geweest aan het gymnasium in Sneek en deze Wirth heeft later in fantastische theorieën het Arische ras beschreven als de bron van alle hogere cultuur op aarde. Op 8 juli 1940 werd door 45 personen een Fries manifest ondertekend waarin o.a. de namen stonden van H.T.Piebenga, Jan Melles van der Goot, Fedde Schurer, Douwe Kiestra en D.A. Tamminga. Zij wilden blijven strijden voor de Friese zaak door te verklaren dat Friesland leefde… als Oud-Germaans volk en dat het zijn eeuwige strijd voerde voor zijn eigen bestaan, zijn karakter, zijn ontplooiing, zijn nationale rechten en belangen. Men koos in dit manifest niet voor de nieuwe orde van de Duitsers maar keerde zich juist daartegen. De Fryske Beweging wilde zijn eigen plaats behouden. De term ,,Oud Germaans volk” was geen buiging voor de Duitsers, maar wel een aanzegging in eigen Fries taalgebruik om de Duitsers te laten weten met wie zij te maken hadden: een land en een volk dat al veel stormen had doorstaan en zich nu geestelijk aan het voorbereiden was om het opnieuw te doen.

Jan de Boer woonde destijds in Elahuizen en was in de oorlog distributieambtenaar in Balk. Hij herinnert zich in 2008 nog goed hoe Haring Tjittes Piebenga zich presenteerde aan de balie van de distributiedienst: ,,Van de boerenschool weet ik  niet meer dan dat de leider daarvan - Haring Tjittes Piebenga - soms in vol ornaat bij ons voor het loket stond. Hij maakte soms opmerkingen over ons verkeerd gebruik van het Fries. Hij werd door ons zeer afstandelijk te woord gestaan. Zijn broer -Jan Piebenga- was leider van een verzetsgroep in Oudega(W). Waarschijnlijk heeft hij daarvan wel geweten en maakte hij zich daarover zorgen. Hij scheen zich verder nogal bezig te houden met rassenkenmerken e.d.”

In Oudemirdum 208bis woonde de boekhouder van de Boerenschool, de heer Vincentius à Nijeholt. Zijn beroep staat ook omschreven als administrateur jeugdkampen. De naam wordt ook wel als Lyklema à Nijeholt geschreven en genoemd. Vincentius was geboren op 28 augustus 1914 in Joure als zoon van Wijbe à Nijeholt en Tettje Kingma. Hij trouwde op 3 september 1941 te Utrecht met Elisabeth Hedwig Ernestina Maria de Gruyter, geboren 12 april 1915 in Amsterdam.  Het gezin woonde vanaf 1941 in Oudemirdum en hier werden drie kinderen geboren. Allen vertrokken op 30 juli 1945 naar Naarden.

Er zijn twee voorvallen bekend die maakten dat Vincentius à Nijeholt positief stond tegenover de Gaasterlandse illegaliteit. De school had ook een administratrice in dienst, mejuffrouw Anny Jorritsma. Onder deze brief staat haar handtekening. Aanleiding was de brief die de gemeente Gaasterland aan de lagere scholen in Gaasterland stuurde om deel te nemen aan een ééndaagse cursus voor onderwijzend personeel aan lagere scholen ten behoeve van de Luchtbeschermingsdienst. De Boerenschool kwam daarom met dit antwoord terug dat zij geen lagere school was.

- Egbert Otte Boerstra, (geboren 1906), was hoofd van de U.L.O.-school in Joure. Als leraar van de Boerenschool in Rijs was hij lid van de Landstand. Hij was lid van de N.S.B. en had daarbij de functie bekleed van buurtschapshoofd. Verder was hij lid geweest van het Opvoedersgilde.  Ook was hij aangesloten bij het Nationaal Socialistisch Motorcorps (N.S.M.K.) waarvoor hij een cursus had gevolgd  en hij was voor het NSMK-administrateur geweest bij de Staf in de rang van Trupführer. Hierbij heeft hij een uniform gedragen en was hij bewapend met een vuurwapen. Toen de NSMK overging in de NSKK is hij hierbij aangesloten gebleven en werd bovendien nog lid van de Motor-W.A.

In de zomer van 1944 heeft hij de hulp-landwacht bij een patrouille vergezeld, waarbij een jongen werd gearresteerd die later aan de landwacht overgeleverd werd. Tenslotte werd hem in 1946 de bijwoning van meerdere vergaderingen ten laste gelegd van de Germaanse S.S. Boerstra kon zelf bij zijn verantwoording voor het tribunaal in Heerenveen niet begrijpen hoe hij tot al deze handelingen was gekomen. Hem werd 4 jaar internering opgelegd en tevens ontzetting van de bevoegdheid om bij het onderwijs te dienen. De beide kiesrechten werden hem eveneens voor een periode van 10 jaar ontzegd.

De 23-jarige Anne Sijtsma te Poppingawier hielp mee aan de Duitsche oorlogsvoering, door in april 1943 toe te treden tot de Waffen S.S. Voordien was hij op de Boerenschool te Rijs en bij de Germaanse S.S. In nov. 1943 is hij als frontsoldaat naar Duitsland gegaan en heeft daar het uniform ontvangen. Hij meende in het belang van Nederland te handelen. De proc.-fiscaal zegt in zijn requisitoir, dat verdachte als boerenzoon beter thuis had kunnen blijven, maar neen, hij vocht bij Stalingrad met de Duitsers. Hij werd gewond, maar diende na zijn herstel nog als chauffeur. De proc.-fiscaal eist dan ook 20 jaar gevangenisstraf. Mr. B. P v. d. Veen treedt in deze zaak als verdediger op. Mr. v. d. Veen legt er de nadruk op, dat verdachte weigerde de eed op den Führer af te leggen. Hij werd hierom geroyeerd als lid van de N.S.B. en de Germaanse S.S. Verdachte is slachtoffer geworden van de eerste periode na mei '40, waarin ons volk de ernst van de situatie nog niet scherp omlijnd zag. In het Friesch Dagblad van 27 maart 1946 was vermeld dat tegen Anne Sijtsma twintig jaar gevangenisstraf was geëist.

- 1,5 jaar internering met aftrek kreeg de W.A. man Lucas Kootstra, tuinman en beheerder van de Boerenschool, die tevens lid van de N.S.B. was. Hij kwam op 23 januari 1943 intern wonen vanuit Vriezenveen. In 1947 woonde hij in Almelo.

Zijn naam staat vermeld in de opgave d.d. 17 mei 1945 van de waarnemend burgemeester van Gaasterland inzake gearresteerde NSB ‘ers en andere landverraders. Overig personeel:

- In de Leeuwarder Courant van 16-07-1942 wordt in de Friese taal gevraagd om een fikse faam voor dag en nacht. Niet onder 18 jaar en goed loon. Er is niet bekend wie deze baan heeft gekregen.

- In de Leeuwarder Courant van 24-02-1943 wordt vanwege ziekte van de huidige huishoudster een fikse dame gevraagd. Ook hier is niet bekend geworden wie de benoeming heeft gekregen.

- Dienstbode Wed. Betje Arina Groenewegen - Nelemans uit Castricum, geboren 18 februari 1900, staat op de aanvullende lijst van 7 juni 1945 door de waarnemend burgemeester van Gaasterland opgemaakt, met namen van gearresteerde NSB ‘ers of landverraders in Gaasterland. De burgemeester zet haar naam op de lijst met vijandelijk en landverraderlijke personen.

- Dienstbode Antje Lepoutre-Hovinga, afkomstig van Midwolde en huisvrouw te Gorredijk. Zij is 28 jaar als zij in december 1946 voor het Tribunaal in Heerenveen staat. Vrijwillig was zij naar Duitsland gegaan. Als huishoudster had zij vanaf 30 januari 1942 werkzaamheden verricht in de Boerenschool te Rijs. Zij was bovendien lid geweest van de N.V.D. en had zich daar aangemeld als lid van de N.S.B. Zwaarder werd haar nog aangerekend, dat zij een gedeelte van een te Winschoten gelegen Jodenpand had gekocht. Zij kreeg hiervoor internering gelijk aan het voorarrest en zij moest het Jodenpand weer teruggeven, zonder recht op vergoeding. Ook mocht ze gedurende 10 jaar niet aan verkiezingen deelnemen.

- Dienstbode Dieuwke Westerhof uit Tietjerksteradeel vanaf 9 februari 1942

- Dienstbode Anna van der Goot uit Idaarderadeel vanaf 9 maart 1942

- Susanna C. Vos uit Bussum vanaf 4 september 1942

- Dienstbode Alie H. Ekkelkamp uit Ommen.-

- Aagje Poepjes vanaf 9 maart 1942

- Anna M. Jorritsma uit Sneek van 17 maart 1943 tot 18 september 1944

- Dienstbode Oeke Groenia vanaf 8 mei 1944

- Hendrika de Jong vanaf 14 februari 1944

- Taeke van Popta vanaf 24 februari 1942

- Frans J. Los uit Castricum van 12 juni 1942 tot 1 april 1942

Niet bekend is of mejuffouw N, Jonker bij het personeel hoorde of dat zij een leerling was

  1. WIE WAREN DE LEERLINGEN

Er zijn geen namenlijsten bekend van deelnemende cursisten. Wel zijn er in de Leeuwarder Courant meerdere rechterlijke uitspraken opgenomen, waaruit blijkt dat de veroordeelde een of meer cursussen had gevolgd aan de Boerenschool. Aan de inhoud van de tribunaalvonnissen kan worden afgelezen wat voor type cursisten de lessen in Rijs hebben gevolgd.

- Elsinga, Meinte, van een boerenbedrijf uit Wons, werd na de meistaking van 1943 nog sympathiserend lid van de N.S.B. en leerling van de Boerenschool. Tijdens de Duitse overheersing was hij sympathiserend lid van de NSB. Hij werd gestraft met 10 maanden internering met aftrek van voorarrest en 10 jaar ontzegging van de beide kiesrechten.

- De 29-jarige Suierveld – Bangma, Anna uit Weidum ,,wilde weleens wat anders” en was toegetreden tot de Arbeidsdienst voor meisjes. Later werd zij hulphuishoudster in de Boerenschool te Rijs en collecteerde ze voor Winterhulp Nederland en Frontzorg. Zij werd veroordeeld tot ontzetting uit de beide kiesrechten en mocht geen openbare ambten bekleden voor de tijd van 10 jaar.

- Nieboer, Klaske uit Heerenveen, 26 jaar in 1946, was schaarleider bij de Nat.Jeugdstorm. Zij meldde zich vrijwillig bij het Kriegslazaret in Heerenveen als apothekersassistente bij de Ned. Ambulance, bestemming Oostfront. Zij vertrok daardoor vrijwillig naar Duitsland. Zij volgde tevens een cursus aan de Boerenschool in Rijs; legde de eed van trouw af aan Mussert en colporteerde voor ,,Volk en Vaderland”.

- Oudeman, Jantje uit Bakkeveen is 23 jaar als zij in 1946 voor het Tribunaal in Heerenveen moet verschijnen. Zij was lid of sympathiserend lid geweest van de N.S.B.; lid en provinciaal meisjesleidster van de Landjeugd; zij volgde een cursus aan de Boerenschool in Rijs; zij was begunstigend lid van de Germaanse S.S., lid van de N.V.D.; zij had een artikel geschreven in ,,De Jonge Landstand” en zij had bovendien omgang gehad met leden van de S.S. en de Landwacht. Zij werd veroordeeld tot internering gelijk aan het voorarrest en mocht bovendien 10 jaar niet stemmen.

-Hartenhof, Aaltje Deeltje uit Appelscha, 24 jaar, bleek lid te zijn van de Jeugdstorm en voor deze organisatie opperschaarleidster of streekleidster te zijn geweest; zij was lid van de N.S.B. en Landjeugd en had eveneens een cursus gevolgd aan de Boerenschool in Rijs. Zij was meisjesvertegenwoordigster voor de Boerenjeugd. Zij werd veroordeeld tot internering gelijk aan het voorarrest en mocht 10 jaar lang niet stemmen.

- Uildriks, Tietje, coupeuselerares uit Appelscha, is 25 jaar als zij in 1946 voor het Tribunaal in Heerenveen moet verschijnen. Zij wordt het lidmaatschap van de N.S.B. ten laste gelegd, evenals het lidmaatschap en de functie van oppertroepleidster en schaarleidster van de Jeugdstorm. Daarnaast was zij lid van de Landjeugd en had ze een cursus gevolgd aan de Boerenschool in Rijs. Zij kreeg begin december 1946 een interneringsstraf die gelijk was aan het voorarrest. En ook zij moet 10 jaar het kiesrecht voorbij laten gaan.

- De 26 jarige Aaltje Prakken uit Oosterwolde was sympathiserend lid en gewoon lid van d N.S.B.: lid en sportleidster van de Jeugdstorm; lid van de jonge Landstand en tijdens dit lidmaatschap heeft zij enige malen een cursus gevolgd aan de Boerenschool te Rijs. Zwaarder werd haar aangerekend, dat zij verschillende personen had bedreigd. Op '25 Maart '45 had zij nog in een brief geschreven: “Verder hoop ik, dat de oorlog gauw afgelopen is, met de overwinning natuurlijk. Ik vertrouw nog steeds op den Führer". Deze beklaagde bleek dus wel een slechte kijk op de politieke toestand te hebben.

- Een van de beruchtste leerlingen is wel Grietje Sinnema geweest, geboren in 1924. Zij was aan de HBS afgestudeerd. Haar ouders bewoonden een royale woning te Ried aan de weg naar Boer. Haar vader werd lid van het Agrarisch Front en buurtgemachtigde van de Nederlandse Landstand. Deze was hoogst ontevreden over de positie van de boerenstand in de crisistijd. Hem werd nog een zekere mildheid toegeschreven maar zijn vrouw was trots, hard in haar uitspraken en buitengewoon verbitterd over het onrecht dat volgens haar de boerenstand werd aangedaan. Toen in de bezettingstijd hogere melkprijzen werden betaald, werd al spoedig voor ,, De Nieuwe Orde” gekozen. In deze sfeer groeide Grietje op. Zij liet zich inschrijven bij de Gaasterlandse boerenschool. Daarna werd zij studente aan de Landbouwhogeschool in Wageningen. Daar had zijn tegen het tekenen van de loyaliteitsverklaring geen bezwaar, want zij had voor het nationaalsocialisme gekozen. Na de zomervakantie in 1944 bood zij haar diensten aan als secretaresse en tolk voor  de Duitsers.

Zij werd geplaatst op het kantoor van de Sonderführer für Ernährung und Landwirtschaf te Franeker. Dit kantoor moest de vorderingen voor de Duitse oorlogsvoering bij de boeren in de omtrek regelen. De boeren gebruikten daarbij veel smoesjes om aan de vorderingen te ontkomen, maar toen Grietje Sinnema op het kantoor kwam was dat gebeurd, mede doordat zij als boerendochter de bedrijfsvoering kende. Zij ging met de Duitsers naar de weigerachtige boer. Zij uitten daar allerlei dreigementen. Er kwamen zoveel klachten bij de N.B.S. dat besloten werd om haar te liquideren, omdat praten toch niet zou helpen. Op 3 maart 1945 werd zij tussen Ried en Donjum door een NBS-er in de nek geschoten en van een tweede NSB-er kreeg ze een schot langs de slaap. Daarna troffen haar nog drie kogels.

Zij bleef bij bewustzijn en werd bij boer Lettinga binnengebracht. Ze zat onder het bloed en zei: ,, Als ik sterf wil ik op een soldatenkerkhof begraven worden. Maar goed dat ik een dikke buste heb, want anders was de kogel er vast door heen gegaan en was ik nu dood geweest”. Zij werd naar het Duitse lazaret in Leeuwarden gebracht en daar werd een kogel uit de hals verwijderd en een kogel uit haar hoofd ter hoogte van de slaap.  !). De kogel in de borst kon niet verwijderd worden. Op 12 april 1945 werd zij naar huis gezonden, waar zij op 17 april 1945 werd gearresteerd. Het tribunaal veroordeelde haar later tot 4 jaar internering en haar vader tot twee jaar en drie maanden met een boete van f. 35.000,00. (€ 16.000,00). De Duitsers zwoeren wraak op de aanslag van Grietje. Er werden vijf Nederlanders uit de gevangenis Crackstate bij Heerenveen gehaald die bij Dongjum gefusilleerd werden.

Er was ook een geval van een schoolhoofd welke een excursie naar de Boerenschool had georganiseerd. Het betrof Gerrit van der Worp, hoofd van de O.L. School te Drachten. Hem werd voor het Tribunaal in Heerenveen ten laste gelegd dat hij wijkhoofd was geweest van de W.H.N, en N.V.D., terwijl hij bovendien leider is geweest van een door den N.V.D. georganiseerde excursie naar Rijs voor een aantal schoolkinderen uit Drachten; bovendien was hij lid van de N.S.B.

  1. HET EINDE VAN DE BOERENSCHOOL

Het eerste teken dat de Boerenschool in verval dreigde te raken, is op te maken uit de correspondentie tussen de boerenleider van de gemeente Opsterland en de Nederlandse Landstand, provincie Friesland. Op 1 november 1943 verzoekt de heer J. Zoethout als administrateur van de Opsterlandse boerenleider de waarnemend Provinciale boerenleider in Leeuwarden om ,,binnen afzienbaren tijd een vormingscursus te doen houden in de Boerenschool te Rijs. De leden van de Boerenraad in Opsterland hebben in de vergadering van 26 oktober jl. laten weten dat door hen unaniem meer dan eens aangevoeld wordt dat het doel en streven van den Nederlandschen Landstand toch niet door allen voldoende wordt begrepen”. Zij vonden dat boerenleiders op cursus moeten om ideologisch bijgeschoold te worden. Op 11 november 1943 antwoordt Waarnemend Stafleider Ir. R. Kerstma schriftelijk aan de heer L. van der Meulen, buurtboerenleider te Ureterp:

,Met U is de Wnd. Boerenleider der provincie van oordeel dat meer voorlichting der Buurtboerenraadsleden omtrent doel en werkzaamheden van de Nederlandsche Landstand gewenst is. Hij is daarom van plan de Buurtboerenleiders vaker in Leeuwarden op te roepen. In tegenstelling met U voelt hij echter weinig voor het houden van vormingscursussen te Rijs”. Zonder opgaaf van redenen wordt hier door de eigen Landstandorganisatie aan de eigen boerenschool voorbijgegaan. Als tweede oorzaak van verval kan worden aangehaald dat de school in 1944 begint te verlopen wegens gebrek aan leerlingen. Als medeoorzaak kunnen de veranderende verhoudingen in Europa worden genoemd, want de winnaar en de verliezer van de oorlog zijn al naar elkaar aan het wijzen. Verder was het potentieel aan sympathisanten al gebruikt en de reismogelijkheden werden steeds beperkter.

Hierdoor komt er van 23 september 1944 – 20 oktober 1944 voldoende ruimte in de Boerenschool voor grote opvang van Duitse militairen. De ruimten worden door 15 officieren en 122 manschappen in beslag genomen, omdat zij allen aangesteld zijn ten behoeve van de V2 lanceringen in het naastgelegen Rijsterbos. Bij de 15 officieren staat aangegeven dat zij een bed hebben en bij de 122 manschappen niet.

Dan is er nog de brief van verzetsleider Benjamin Herre Steegenga uit Balk aan heer Halbe Bearnt van der Goot in Oudemirdum. In deze brief van donderdag 25 januari 1945 doet Steegenga mededeling van het feit dat vrijdag 26 januari 1945 het eerste transport evacuees (uit Limburg) zal arriveren. Steegenga, van der Wal, Van Hout en Jan de Vries hebben een evacuatiecommissie gevormd. Zij zorgen ervoor dat de evacuees in huizen worden ondergebracht waar geen Joodse onderduikers zijn.

Alle mensen worden opgevangen in Bakhuizen, Mirns of Rijs. Hiervoor heeft de Bakhuister opvangcommissie een bespreking gehad op de Boerenschool. De leiding van de school heeft zich bereid verklaart om alle evacuees in de school op te vangen, om eten te koken, om te slapen enz. Na de ontvangst zal de Bakhuister commissie alles aldaar verder afhandelen en zorgen voor een dokter, een zuster etc. Verder wordt in de brief aangehaald dat het tweede transport evacuees op zondag 28 januari 1945 zal arriveren. Deze totaal ontredderde evacuees zijn al enkele dagen op weg, vervuild en berooid. De groep is bestemd voor Oudemirdum. Annigje van der Goot, geboren 7 augustus 1920 als dochter van Halbe Bearnt van der Goot, weet zich in een interview op 21 februari 2008 te herinneren dat zij in de Boerenschool een dag heeft geholpen bij de opvang van de evacuees. Zij moest o.a. helpen bij het ontluizen van de gasten.

Bijna een derde van de evacuees heeft ook nog schurft of dysenterie. In Sloten worden door bemiddeling van het I.K.B. (Interkerkelijk Bureau) 50 evacuees ondergebracht. Met de inwoners van Gaasterland had de Boerenschool weinig contacten. Het was in werkelijkheid niet anders dan een nationaalsocialistische instelling. Gelukkig wilden de mensen weinig van de Boerenschool weten zodat bijna iedereen blij was dat de Boerenschool op de Bevrijdingsdag van 17 april 1945 de deuren moest sluiten. Van 9 mei tot 15 juni 1945 ging de Boerenschool over naar de Kustbewaking, district 3, afdeling Rijs van de Ned. Binnenlandse Strijdkrachten (NBS). Zij noemden zichzelf ,, De Watergeuzen”. Ingaande 8 mei 1945 om 23.59 uur moest het wachtwoord: Glass-Beer worden gebruikt.  De IJsselmeerkust werd enkele weken door middel van wachtlopen bewaakt, omdat meerdere Duitsers probeerden vanuit Noord-Holland terug te keren naar Duitsland. In juni 1945 vond een compagnie van de ,,Gezagtroepen” onderdak in Mooi Gaasterland. Pas op 20 maart 1946 maakte het Friesch Dagblad bekend dat Mooi Gaasterland binnenkort zou worden ontruimd en weer door zijn vooroorlogse werkgever in gebruik zou worden genomen. De villa werd in uitgewoonde toestand teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar, de Stichting Volksgezondheid. De laatste tijd had het gebouw als opleidingsschool voor militairen gediend. Pas in september 1947 was het eindelijk zover dat het gebouw de oude bestemming weer had en weer bleekneusjes kon opnemen. In totaal 9 zusters van de ,,Congregatie van Onze Lieve Vrouwe van het Heilig Hart” uit Tilburg waren bereid gevonden de verzorging op zich te nemen op verzoek van de Utrechtse Diocesane Bond van de Katholieke Arbeidersbeweging.

Zuster Oda Leuven, de moeder-overste van de Congregatie wist in de laatste 3 maanden van 1947 met 8 medezusters de villa weer schoon te krijgen.

Zij hadden jutezakken als schort voorgebonden om op de knieën de vloeren af te krabben met scheermesjes. Op 6 januari 1948 kwamen de eerste bleekneusjes vanuit Utrecht, IJsselstein en Hilversum voor een periode van 6 weken naar het mooie ,, Mooi Gaasterland”. De Deken van Sneek verrichtte de inzegening van het gebouw op 13 januari 1948. Per verpleegperiode konden 50 ondervoede kinderen van 6 tot en met 14 jaar worden opgenomen. De opvang is tot 1970 doorgegaan.