Familie Stoffelsma uit Oudega

LOTGEVALLEN FAMILIE STOFFELSMA IN OUDEGA

Het is zondagavond 11 februari 1945 halfelf. Het gezin van de familie Stoffelsma in Oudega ligt al in bed. Het gezin bestaat uit vader, moeder, twee zonen Auke en Uilke en twee dochters Grietje en Anke. Op dit late tijdstip gaat de deurbel en er wordt op de deur gebonsd door de Grüne Polizei uit Stavoren. Zij staan met 15 man bij de boerderij. Vader Jelle Uilkes Stoffelsma, (geboren 16 augustus 1884 en overleden 4 december 1951) gaat naar de deur, maar voordat hij daar is ,wordt de deur al opengetrapt. De familie heeft onderduiker Yke de Jong uit Warns in huis, maar deze kan, door het geluid van de ingetrapte deur gewaarschuwd, nog net op tijd in de schuilkelder verdwijnen. De Grüne Polizei is juist naar deze onderduiker op zoek.

Helaas is de verdwijning naar de schuilkelder voor de zoons Auke (geboren 20 februari 1920) en Uilke Stoffelsma (geboren 1 februari 1922) niet meer mogelijk. Zij zouden anders gezien zijn door de overvallers. De broers slapen in een bedstee die op slot gedaan kan worden, maar dat mocht in dit geval niet helpen. De Grüne Polizei trekt één keer stevig aan het slot en de bedsteedeur gaat open en de beide zoons zijn ontdekt. Ogenblikkelijk volgt het commando dat de beide mannen uit bed moeten komen; zich moeten aankleden en daarna met de handen omhoog en met de rug tegen de muur moeten gaan staan. Daar staan ze vier uren lang. Als de handen naar beneden gaan dan wordt er een trap tegen het achterste van de mannen gegeven of een klap met het geweer.

Intussen worden er aan vader Stoffelsma vragen gesteld. Maar als deze ziet hoe de beide zoons worden geslagen, dan wordt hij daardoor zo kwaad dat hij een van de Duitsers zijn geweer afpakt en met de gillende Duitser in gevecht gaat. Stoffelsma probeert de Duitser met twee handen te wurgen. De Duitser loopt blauw aan maar zijn collega-Duitsers kunnen net op tijd ingrijpen. Zij bewerken vader Stoffelsma dusdanig met de kolf van een geweer dat het bloed over de grond loopt. Een aanwezige hond likt Stoffelsma’s bloed van de grond. Vader Stoffelsma raakt buiten bewustzijn en hij wordt op bed gelegd. De commandant zegt dat hij Stoffelsma een dag later komt halen en hem een kogel door het hoofd zal schieten. In de tussentijd doorzoeken de overige Duitsers met steekpriemen het gehele huis en zij vinden uiteindelijk het warme bed van de onderduiker. De beide zonen van Stoffelsma worden nu ook opgehaald vanuit de keuken en onder bedreiging van een revolver tegen hun hoofd naar de schuur gebracht waar het bed gevonden is. Niemand van de gehele familie wil vertellen van wie dat bed is geweest. Uiteindelijk wordt het onderzoek naar de onderduiker gestaakt. Onderduiker Yke de Jong wordt niet gevonden want hij heeft zich veilig kunnen verstoppen in het hooi. Wel wordt een geslacht varken gevonden en de onder het stro verborgen auto van Stoffelsma. De Duitsers geven de beide zonen Auke en Uilke Stoffelsma de opdracht de auto uit het stro te graven zonder hulpmiddelen en alleen met hun handen. Er mag geen hooivork worden gebruikt.

Inderdaad kwamen de Duitsers een dag later terug om vader Jelle Uilkes Stoffelsma op te halen. Hij lag nog zwaar verwond in bed. Zijn vrouw Corneliske (Kee) Visser, geboren 23 september 1887, verbood de Duitsers bij het bed te komen. Zij nam vervolgens een heldhaftige beslissing door ook op het bed te gaan liggen en dan vóór haar man. Zij keek de Duitsers aan en zei: “Dit is dan de lêste dei foar Jelle en my, want jimme moatte ús dan hjir beiden yn bêd deasjitte”. (Dit is dan de laatste dag voor Jelle en mij, want jullie moeten ons hier dan beiden in bed doodschieten”). De Duitsers gaven het nog niet op. Vader en moeder Stoffelsma kregen drie maal vijf minuten de tijd om uit bed te komen. Na iedere vijf minuten kwamen ze terug maar Stoffelsma en zijn vrouw bleven elke keer in bed liggen. Uiteindelijk vertrokken de Duitsers. Op zoveel weerstand hadden zij niet gerekend. De beide zoons moesten met de Duitsers mee op de fiets naar Stavoren.

Bij aankomst zag men nog twee onderduikers uit eigen omgeving en ook nog Lieuwe Bergstra. In het hotel bij de haven zijn nog twee gearresteerden ondergebracht, zodat het aantal tot zeven personen is uitgegroeid. Iedereen moest op de biljarttafel slapen behalve Uilke Stoffelsma die in de hoek moest staan.

Dinsdagmorgen 13 februari 1945 werden al vroeg in de ochtend de zeven gevangenen met de beurtvaart naar het politiebureau in Sneek gebracht. Alle zeven personen werden in cel I opgesloten. Hier werd ieder op verschrikkelijke wijze verhoord, waarbij het vooral op Uilke Stoffelsma was gemunt. Hij werd van de ene hoek naar de andere hoek getrapt en in het gezicht geslagen. De volgende zondagmiddag werden de gebroeders Stoffelsma in overvalwagens naar het Huis van Bewaring gebracht in Leeuwarden. Van daaruit werden zij in het donker – met nog 400 anderen - naar het station gebracht en in goederenwagons op transport naar Duitsland gezet. Er werd verteld dat zij naar in werkkamp in Drenthe zouden gaan, maar toen het maandagmorgen licht werd – en de trein voor de eerste keer stopte – zag iedereen dat men al 20 kilometer over de grens was in de Duitse plaats Leer. Daar moesten zij 24 uur zonder eten of drinken in een volgepropte goederenwagon zitten, terwijl de behoeften in een hoek van de wagon moesten worden gedaan. Uiteindelijk kwam de gehele groep aan in Wilhelmshafen, waar iedereen werd opgesloten in een concentratiekamp met een dubbele rij prikkeldraad er om heen. Alle persoonlijke eigendommen werden ingenomen zoals beurs, mes, ringen en papieren. De hoofden werden kaalgeknipt en op de kleding werd een grote letter H geschilderd. De H kwam op de rug, op de mouwen en op de broekspijp. Met verf die niet verwijderd kon worden.

In het concentratiekamp moest gewerkt worden en dat werd voor de gebroeders Stoffelsma werken op de marinebasis, zo’n vier kilometer verwijderd van het strafkamp. Het werk bestond uit puinruimen met kiepkarren. Deze kiepkarren moesten ze zelf trekken en bij een dijk opduwen. ’s Morgens om 7 uur was het appèl en dan stond er een Oberfeldwebel voor de deur. Als je niet snel genoeg kwam, dan werd er met de gummiknuppel geslagen. ’s Avonds moest iedereen weer in de rij staan voor 1 bordje koolsoep en een stukje Duitse kuch. Hier moest men het de gehele dag meedoen. Als je in de rij stond, soms wel drie kwartier, dan mocht je de handen niet in de zakken hebben. Want als de Oberfeldwebel dat ontdekte dan was het: ,,Die Hände aus die Tassen” en kreeg men weer met de gummiknuppel te maken. Auke en Uilke Stoffelsma hebben vier weken in Wilhelmshafen gezeten en werden toen overgebracht naar een ander werkkamp in Brockzetel. Daar was het al niet veel beter als in Wilhelmshafen. Hier werd men ingekwartierd in een vertrek met zo’n 30 man. Tafels en bedden waren er niet: je moest slapen in het stro op de grond, zij aan zij. Men kon niet eens op de rug gaan liggen, want daarvoor was te weinig ruimte. Hier moest een grote afstand worden gelopen om op het werk te komen. Het bevel was om tankgrachten te maken. Als men dan ’s avonds thuiskwam, dan was men doodmoe. Al snel kwam de ellende van lichaamsluis en hoofdluis. ’s Avonds ging het hemd over het hoofd en de luizenjacht begon. Een vangst van meer dan vijftig luizen op een dag was geen uitzondering. Helpen deed zoiets overigens niet, want van de vervuilde omstandigheden profiteerden de luizen volop.

Auke en Uilke Stoffelsma werden in Brockzetel al snel ziek en werden opgenomen in een ziekenbarak. Vele kampgenoten zijn daar gestorven aan dysenterie. En van de behoeften doen op een emmertje werd de zaak er niet beter op. Iedere dag overleden er wel twee of drie mannen. Daarbij was ook nog iemand uit Oudemirdum: Bouke van Krijn Schotanus. Auke Stoffelsma was er heel slecht aan toe. Hij kreeg ontstekingen op het scheenbeen. Hierin zat zo’n groot gat dat het bot bloot kwam te liggen en daar kropen de luizen in en uit. Uilke Stoffelsma kreeg allemaal zweren in de nek en op de rug.

Na de periode in Brockzetel volgt overplaatsing naar het kamp Feddewaderode dat op zeven kilometer afstand ligt van Wilhelmshafen. Daar verblijven de beide broers twee weken. Hier krijgen zij het bericht dat alle zieken – en zij die ziek geweest zijn – naar huis mogen. Vanzelfsprekend is er een enorme vreugde-explosie. De broers worden in legerauto’s naar Emden gebracht. Hier worden ze met 400 man ingescheept in een grote duwbak. Die wordt voorafgegaan door een sleepboot, die wel op honderd meter afstand vaart. Achteraf krijgen ze te horen dat het plan was geweest om de duwbak te laten zinken, maar dat is mislukt. Wel zijn ze door een mijnenveld gevaren. Als de groep in Delfzijl aankomt dan willen de autoriteiten iedereen weer terugsturen, maar door de inzet van de burgemeester kan iedereen blijven. In Delfzijl is ook weer een kamp met prikkeldraad, maar daar zitten gaten in de omheining en op deze manier kunnen de gevangenen eten krijgen van de burgers. Velen krijgen te veel eten in één keer en worden zo ziek als een hond.

Vanuit Delfzijl gaat de groep op boerenwagens door de kop van de provincie Groningen naar de stad Groningen. Hier komt men terecht in het lyceum waar daarvoor NSB’ers gezeten hebben. De groep wordt hier ontbonden en ieder gaat zijn weg naar huis terugzoeken. Het hele gebied is al bevrijd. Uilke Stoffelsma moet nog vier dagen in Groningen blijven omdat hij ziek is. En dan komt de rector van het lyceum met een klein fietsje op kussiebanden. Hierop begint Uilke aan de weg terug naar het ouderlijk huis.

De allereerste dag heeft hij het geluk dat hij met een vrachtauto een eind mee mag rijden. ’s Avonds komt hij in Noordbergum aan. De directeur van het waterleidingpompstation ontvangt hem op een prettige wijze. Uilke mag snel binnenkomen en hij kan daar wel blijven slapen en eten. Uilke weigert dit aanbod en zegt: ,,Dat wil ik niet omdat ik onder het ongedierte zit”. Vervolgens krijgt hij een plaatsje bij een boer en daar mag hij slapen op het stro in een stal. ’s Morgens brengt de boer hem voedsel. Van daar gaat Uilke ’s morgens vroeg op zijn fietsje richting Leeuwarden en zo naar Wytgaard waar een oom van hem woont. Hier kan hij het fietsje inruilen voor een fiets en dan is het op naar huis...naar Oudega. In Harich komt hij de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten tegen waar Arend Stellingwerf ook bij is. Uilke ziet ze kijken en bij zichzelf denken ‘wat voor zwerver is dit’. Arend: ,,Bist do dat Uilke?”,,Ja, ik bin’t”. (Ben jij dat Uilke?, ja ik ben het) En Arend gaat vooruit om aan de ouders van Uilke te vertellen dat hij in aantocht is.

Uilke Stoffelsma is 23 april 1945 thuisgekomen en heeft daarna alle kleren uitgetrokken en zich lekker gewassen. Alle kleren zijn direct verbrand. Er moesten toch ook andere kleren komen, want Uilke woog minder dan vijftig kilo. Auke Stoffelsma was nog niet thuis en niemand wist waar hij was. Een dag na de thuiskomst van Uilke kwam er bericht dat Auke in het gereformeerd verpleeghuis in Sneek lag. Een dag later kwam ook hij thuis.

Over alle gebeurtenissen heeft buurman F. Keulen destijds een gedicht gemaakt:

Op een zondagavond stil en duister,
een zwarte nacht, ontdaan van alle luister
trokken zij langs de Zuidwesthoeks stille wegen,
geen mens, geen kip kwamen zij tegen
de ,,helden” van Des Deutschen Reich, der Grünen Polizei.
Na 8 uur ’s avonds op de weg dan was je erbij.
De eindspurt was ons kleine dorpje Oudega.
Het einddoel was de stille boer Jelle Uilkes Stoffelsma.
Ik weet het niet, men zei het later wel,
er was hier zeker verraad in het spel.
De deuren werden bij het niet direct openen ingetrapt.
Twee zoons, een onderduiker en een radio gesnapt.
Een varken geslacht, de moffen namen het mee.
Een auto onder het hooi, het leek niet best voor Jelle en Kee.
De twee zoons moesten tegen de wand aan staan.
,,Die Hände hoch”, anders ga je er aan.
De kasten leeg, alles werd over de vloer gegooid.
De huiszoeking vergeten die het zagen nooit.

De zoons, door een mof getreiterd en geplaagd,
tot het boer Jelle te erg werd en onversaagd
de mof aanviel en hem zijn geweer ontnam,
hem een mecajum gaf die goed aankwam.

Maar nu scheen dan ook alles voor Jelle verloren,
toen de anderen hun strijdmakker gillen horen.
Hij werd ontzet en Jelle met de kolven neergeslagen
tot ze hem buiten westen op bed moesten dragen.
Toen ging de stoet via Stavoren naar Duitsland heen.
Jelle met vrouw en dochter bleven achter in geween.
Hij bood hem zelfs gewond nog aan de moffen aan:
,,En laat mijn onschuldige jongens dan weer gaan”.
Maar de commandant zei: ,,Morgen dan halen wij je op
en krijg je direct een kogel door je kop”.
De andere morgen hoorden wij alras
welk een nacht het voor de Stoffelsma’s was.
Ik ben er toen direct heengegaan.
Was met hun lot vreselijk begaan.
Och, wat konden wij in deze droefheid met z’n allen?
Het vee verzorgen en de vuisten ballen.
Ik zal die droeve stonde nooit vergeten.
Ik heb toen voor hun bed gezeten.
Kee die schreide en zei:
“Dit is de laatste dag voor Jelle en mij”.
Jelle zei: ,,Ik ga niet met de moffen mee.
Willen ze mij doden dan hier op bed.
Dat heb ik deze nacht vast in mijn hoofd gezet”.
,,Ik ga voor of op hem liggen”, zei toen Kee.
,,Dan schieten ze ons maar dood, alle twee”.

Ik heb zelden van zoveel moed gehoord
en deze boerenmensen hielden woord.
De commandant gaf 3 keer 5 minuten tijd
maar Jelle en Kee waren niet bereid.
,,Wij sterven hier samen op bed”.
Alle dreigen werd er van de mof op gezet,
op ’t laatst de geweren uit de aanslag en ingerukt.
Jelle en Kee, zij zijn gespaard, ’t is hun gelukt.
De grote moed door hun betoond,
die werd gelukkig toch beloond.
Zij die op God en elkaar vertrouwen,
hun jongens in Duitsland bleven ook behouden.