Geheim agent C.H. van Brink

Niemand van de Gaasterlandse bevolking of van de bezettende macht heeft in de nacht van maandag 18 november op dinsdag 19 november 1940 gemerkt dat er bij Kippenburg iemand met een parachute uit een vliegtuig is gesprongen. En dat was juist ook de bedoeling want geheimagent Cornelis Hendrik (Kees) van Brink van M16 had daaraan uiteraard ook geen behoefte aan. Deze nacht was uitgezocht omdat voor een veilige landing een lichte maan noodzakelijk was. Maar Kees kon niet voorkomen dat hij bij zijn landing een koe schampte. Er werd later verteld dat de boer had gezegd dat het beest drie dagen lang geen melk had gegeven. Het Whitley vliegtuig waaruit Kees gesprongen was, had als schijnmanoeuvre tegelijk veel toffees en spotprenten uit de lucht laten vallen. Kees kende Gaasterland aardig goed, omdat hij door vakanties aldaar goed op de hoogte was van de plaatselijke omstandigheden.

Kees van Brink

Kees van Brink (foto) werd op 20 maart 1914 in Schiedam geboren en hij stierf op hoge leeftijd op 21 december 2004 in Sydney, Australië. Als geheimagent gebruikte hij de codenamen: VanGuard, Spin, Rakee en De Groot. Het was voor Kees van het grootste belang dat er twee betrouwbare helpers voor hem klaar stonden. Dat waren jachtopziener Jan Steffens en politieman Harmen de Jong, beiden uit Oudemirdum. Van De Jong is bekend dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in meerdere gevallen personen, die een dag later zouden worden opgehaald voor tewerkstelling in Duitsland, waarschuwde, zodat ze konden onderduiken. Van Brink was de tweede geheimagent van de Nederlandse Centrale Inlichtingendienst in Londen die naar Nederland gestuurd werd. Geheimagent Lodo van Hamel was de eerste, maar die was op 14 oktober 1940 al bij de Tsjûkemar (officiële naam voor het Tjeukemeer) opgepakt.

In deze nacht wordt Harmen de Jong, wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, postcommandant te Oudemirdum, wakker gemaakt door iemand die op de ruit klopt van zijn woning. Op 5 juli 1945 zou Harmen de Jong na de oorlog een officieel rapport maken en daarin noemt hij de nacht van 22 op 23 november 1940 als datum van eerste kennismaking. Hij gaat naar de deur en komt dan oog-in-oog te staan met Kees van Brink. De Jong laat Kees binnen. Van Brink legt dan aan De Jong uit dat hij vanuit Londen komt en hier in de omgeving uit een vliegtuig gesprongen is. Hij komt in opdracht van Hare Majesteit de Koningin om in deze omgeving zijn geheime opdracht uit te voeren. Daarvoor heeft hij een geheim uitzendapparaat bij zich. De Jong neemt het apparaat aan en Van Brink mag blijven.

Uiteraard moeten de andere huisgenoten ook op de hoogte gesteld worden van Kees zijn aanwezigheid. Vier maanden lang verblijft Van Brink zonder onderbreking bij de familie De Jong. Kees wordt steeds door de oudste zoon Nutte de Jong naar een eenzaam plekje gebracht, van waaruit hij met hulp van Nutte kan uitzenden. Nutte ziet daar wel enigszins tegenop, omdat hij goed weet welke risico’s hij loopt. Maar zijn plichtsgevoel tegenover Koningin en Vaderland geeft de doorslag.

Omdat Kees problemen krijgt met het uitzendapparaat, en daardoor worden er zeer weinig berichten naar Engeland verzonden. Na een paar draadloze berichten stopt het apparaat er mee. De opdracht van Kees is om inlichtingen te verzamelen en door te geven aan Engeland over landingsboten die bij Rotterdam klaar gemaakt worden voor de Duitse invasie op Engeland. Hij moest contact zoeken met J.A. Zaal, die hem als geheim agent moest opvolgen.

In april 1941 vertrekt Kees bij de familie de Jong naar een andere plaats in Nederland. Dat blijkt later Wassenaar te zijn geweest. Hier wonen zijn ouders. Het is een gevaarlijke plek want de overbuurman is niemand minder dan Hans Albin Rauter, de hoogste baas van de SS in Nederland. Van Brink krijgt zelfs eenmaal een lift van Rauter als hij naar Den Haag moet. Wel een daad van koelbloedigheid. Er is een plan om hem in april 1941 door de bekende Heye Schaper (ook betrokken bij Lodo van Hamel) op te laten pikken vanuit het IJsselmeer nabij het Oudemirdum Klif. Schaper en Van Brink hebben daarover al een afspraak gemaakt. Maar de Britten geven hiervoor geen toestemming. Naar eigen zeggen heeft Van Brink in totaal 46 telegrammen naar Londen gezonden.

Nadat Kees is vertrokken ruimt Harmen de Jong (foto) de geheime zender op en die wordt achter in zijn tuin begraven. Maar De Jong voelt zich nooit rustig over de verblijfplaats en verstopt de zender nog tweemaal op een andere plaats. Na de oorlog graaft hij de zender weer op. Eind november 1941 gaat Van Brink weer terug naar Engeland en waarschijnlijk via Delfzijl. Hij komt via allerlei omzwervingen na tien maanden aan in Engeland. Aan het eind van de oorlog krijgt Van Brink een betrekking bij de Nederlandse Ambassade in Zweden.

Op 14 augustus 1942 worden politieman Harmen de Jong en twee zonen, Pieter en Sake, alsnog gearresteerd door de SD van Leeuwarden. Hier worden zij naar toe overgebracht en opgesloten in het Huis van Bewaring.  Uit de verhoren blijkt al snel dat de SD - “tuig”  aldus De Jong - iets te weten is gekomen over Van Brink en de geheime zender. De Duitsers weten niet voldoende informatie weten los te krijgen om het tot een veroordeling te laten komen. De Duitsers bieden de oudste zoon Pieter grote sommen geld in ruil voor een bekentenis, maar hij houdt zijn mond.

Na een maand in de gevangenis van Leeuwarden, worden ze overgebracht naar het 'Oranje’ Hotel in Scheveningen. De Duitsers onderzoeken het gehele huis van de familie de Jong maar de geheime zender van Van Brink wordt niet gevonden. Zelfs het erf om het huis wordt met ijzeren staven omgewoeld. Gelukkig heeft de oudste dochter van De Jong de zender precies op tijd verstopt in het kippenhok achter in de tuin.De beide zonen Pieter en Sake worden na zes weken gevangenis in Scheveningen weer vrijgelaten. Harmen de Jong wordt 18 december 1942 ontslagen en dat is na vier maanden cel. Een van de beide zonen wordt later vrijwillig SS’er. Na de bevrijding heeft de familie De Jong de zendapparatuur weer opgegraven.

PACHTRECHTKWESTIE      

Voor de vader van C.H. van Brink uit Wassenaar was er na de bevrijding nog een affaire met de gemeente Gaasterland.

Voor de vader van C.H. van Brink uit Wassenaar was er na de bevrijding nog een affaire met de gemeente Gaasterland. In het ongedateerde verslag van een vergadering van Burgemeester en Wethouders van Gaasterland in augustus 1945 werd melding gemaakt van een probleem bij de aan de vader te verpachten jachtrechten in Gaasterland. Het college besloot hem geen nieuw jachtrecht te verlenen. Van Brink Sr. zou niet correct geweest zijn in de oorlog doordat hij bestuurslid was geweest van de niet altijd correcte Nederlandse Jagersvereniging. Hij was in Gaasterland al eens gesignaleerd tijdens het jagen in gezelschap van NSB’ers. Bij aankomst in Gaasterland kwam hij in een auto met een hakenkruisvlag waarbij hij vergezeld was van een Duits officier. Van Brink was in de Gaasterlandse Burgemeester en Wethouderscollege uitgenodigd om het afwijzende besluit aan te horen. Hij zei dat hij in 1944 voor de Jagersvereniging had bedankt. Die Duitse officier was geen Duits officier geweest maar zijn vriend Mr. Kaal. Laatstgenoemde had onderweg een hakenkruis op de auto gemonteerd. Hij had spijt van alles. Als goede daad had hij ervoor gezorgd dat O. Monsma geen streekjager was geworden omdat deze Pro-Duits was. Hij had er mede op aangedrongen dat W. Beuckens de functie had gekregen.

Burgemeester en wethouders handhaafden toch hun afwijzing.

Hieronder een gedeelte van een verslag over zijn functioneren als geheim agent, geschreven door C.H. van Brink zelf in de Engelse taal. Het verhaal is vanuit het Engels vertaald door Aletta Stevens.

HOOFDSTUK I – AUSTRALIE

Op een kille avond in november 1940 ben ik na een afwezigheid van vier jaar op een enigszins onorthodoxe manier teruggekeerd naar Nederland, mijn vaderland. In november 1936 was ik naar het verre Australië gevaren om mijn geluk te zoeken, waarin ik redelijk succesvol was. Dat veranderde toen in september 1939 de oorlog uitbrak. Hoe ik verwikkeld ben geraakt bij dit vreemde en enigszins riskante avontuur om per parachute terug te keren in plaats van op een acceptabelere manier van reizen, moet ik eerst even uitleggen. Ik ben altijd wat men gewoonlijk noemt ongebonden geweest. Al vanaf jonge leeftijd wilde ik uitvinden wat er zich in de rest van de wereld afspeelde; niet alleen in Europa, maar vooral in de vergelegen werelddelen: Amerika, Afrika, Australië en alle landen daar tussenin. Hoewel ik op school geen buitengewoon goede leerling kon worden genoemd, wilde ik graag talen studeren, want als ik de wijde wereld in zou gaan, zou ik die hard nodig hebben en vooral kennis van de Engelse taal was van groot belang.

Dus toen ik 13 of 14 jaar was, had ik een enorme voorsprong op mijn klasgenootjes en las, sprak en luisterde ik zoveel mogelijk naar het Engels. Ik was aan een uitgebreide correspondentie begonnen met jongeren in Amerika, Canada, Zuid-Afrika en Australië, alsook in Engeland. Ik had aan de redacteur van verscheidene kranten in die landen geschreven om te vragen of ze mij in contact konden brengen met jongeren die bereid waren hun “meningen” met mij uit te wisselen. De resultaten waren overweldigend. Ik herinner me dat de postbode op een avond aan de deur belde bij ons in Wassenaar en wel negentig of honderd brieven uit Australië bezorgde. Enorme opwinding en enige gêne! Welke brieven moest ik kiezen om een regelmatige correspondentie mee te beginnen? Ik moet vele tientallen antwoorden hebben geschreven en hele weekends hebben doorgebracht met het opstellen van fatsoenlijke antwoorden of alleen berichten van ontvangst, en al mijn zakgeld aan postzegels hebben uitgegeven. De meeste van deze contacten zijn na een poosje opgedroogd, maar twee ervan bleven trouw. De ene was Harry Renfree, die in Melbourne woonde en rechten studeerde. Hij was geïnteresseerd in de studie van het Nederlands, aangezien het de buitenlandse taal van een aangrenzend land was, Nederlands-Indië. Wij stuurden elkaar brieven over en weer; hij voornamelijk in het Nederlands en ik in mijn ontluikende Engels. Harry is trouwens de juridische wereld ingegaan en heeft zijn carrière als ‘Solicitor General’  (advocaat-generaal) in Canberra beëindigd. De andere was Arthur Dibley, die toentertijd voor een herbebossingsbedrijf in Sydney werkte. Arthur is later bij de Australian Broadcasting Commission (Australische Omroep) gaan werken en programmadirecteur geworden. In 1932 is Arthur meegegaan met zijn ouders, die “naar huis” gingen, zoals men in Australië in die tijd een bezoek aan Groot-Brittannië noemde. Mijn ouders vonden dat ik mijn Australische penvriend moest uitnodigen om bij ons te logeren, aangezien het slechts een korte reis van Londen was. Dit gebeurde en Arthur bracht ongeveer een week bij ons door in een zuiver Nederlands gezin, waar weinig of geen Engels werd gesproken, afgezien van mijn vrij beperkte vocabulaire. Zo had ik daadwerkelijk een van mijn verre vrienden ontmoet en hierdoor was ik nog vaster besloten om naar deze vergelegen plaatsen te reizen.

Ook een ander contact met Australië werd tastbaarder. De ouders van Harry Renfree’s verloofde kwamen naar Nederland. Meneer Sykes was fietsenfabrikant in Melbourne en had enige zakelijke contacten in Nederland. Hij en zijn vrouw hebben ons ook opgezocht - waarschijnlijk in 1933 – en ook dit was persoonlijk contact met dat vergelegen opwindende Australië! Hoe kon ik mijn plannetjes uitvoeren om die verre plaatsen te bezoeken? Het eerste probleem was geld. Mijn vader was wat dat betreft niet erg behulpzaam, maar mijn moeder gaf enige materiële en bovenal morele steun. Maar het volgende probleem was militaire dienst. In de meeste landen op het Europese vasteland, en Nederland was daarop geen uitzondering, hadden we, en hebben we nog steeds, dienstplicht. Afhankelijk van het onderwijs dat je had genoten, had je keuze tussen gewoon soldaat zijn, waarvoor je in die tijd vijfenhalve maand moest uittrekken, of een langere dienst om een aangestelde of niet-aangestelde officier te worden.

Dat betekende in mijn geval dat ik een jaar zou “verliezen” wanneer ik twintig werd. Eerlijk gezegd namen we deze dienst niet erg serieus en hebben latere gebeurtenissen aangetoond dat het Nederlandse leger bij de mobilisatie niet erg effectief was en niet tegen de fanatieke Duitsers was opgewassen.

In sommige opzichten had ik geluk. In 1934 ging ik in militaire dienst in Leiden, wat maar ongeveer een half uur fietsen van mijn ouderlijk huis was.

Het weekend kon ik bij mijn ouders doorbrengen en dan van mijn moeders kookkunst genieten. Al met al was de militaire dienst niet zo zwaar en de tijd ging snel om. Tegen de tijd dat ik uit dienst ging, was ik als sergeant verbonden aan het vierde infanterieregiment. Inmiddels was het 1935 en kon ik beginnen met mijn plannetjes om weg te komen en de wereld daadwerkelijk te verkennen. Ik maakte mijn studie af en werkte een poosje bij een bank in Den Haag, waar ik het grootste deel van de tijd op de afdeling deviezen doorbracht.

Mijn vader wilde echter graag dat ik bij hem op de zaak in Rotterdam zou komen werken, die zich bezighield met de import en verkoop van verschillende soorten suiker, gedroogde vruchten, enz. Ik had geen enthousiasme voor dit bedrijf zaak en heb het er niet lang kunnen uithouden. In de loop van 1936 regelde ik de vertegenwoordiging van Nederlandse bedrijven in Australië, waarin ik slechts gedeeltelijk succesvol was. Niettemin had ik tegen het einde van dat jaar een kleine portefeuille van bedrijven die graag naar Australië wilden exporteren. Daartoe behoorden bloembollen en zaadjes, evenals Nederlandse sigaren en jenever, waarvan ik dacht dat er in Australië een markt voor zou zijn. De Dibleys hadden me uitgenodigd om bij hen te logeren als ik in Sydney zou zijn, en de Wheelers, de ouders van een andere penvriend, Ben Wheeler, boden ook hun gastvrijheid aan, mocht ik bij hen in de buurt komen. Tenslotte had ik een klein vermogen opgespaard, waarvan ik dacht dat het genoeg zou zijn om enige tijd in Australië door te brengen en, wat nog belangrijker was, genoeg om mijn bootreis te betalen. Het was een van de nieuwe vrachtschapen van de Holland-Australië lijn, de Aagtekerk. Deze schepen hadden passagiersaccommodatie voor 12 personen in goede hutten. Het ticket bedroeg ongeveer vijftig pond, wat goedkoop was voor een reis die ruim acht weken zou duren, vooral daar de passagiers in die tijd onderdak en maaltijden kregen. Uiteindelijk vertrok ik op 13 november 1936, uitgewuifd door familie en vrienden. Na Rotterdam stopten we korte tijd in Antwerpen en gingen vervolgens door naar Genua en Algiers. Via het Suezkanaal (Port Said was heel spannend) en toen door naar Brits-Indië – Karachi, Bombay en verscheidene havens daar tussenin. Toen staken we de Indische Oceaan over en kwamen we in de eerste Australische haven aan, Fremantle! Na zes weken reizen was dit dan eindelijk Australië!

In september 1939 brak de oorlog uit. Ik was net terug uit Nederlands-Indië waar ik de bruiloft van mijn zus Jeanne op Java had bijgewoond. Zoals ik al eerder heb vermeld, was ik sergeant in het Nederlandse leger en werd ik als zodanig opgeroepen toen het land werd gemobiliseerd. De Nederlandse regering was echter duidelijk niet bereid om mijn overtocht te betalen en stuurde me een telegram om niet aan de oproep gehoor te geven. De oorlog veranderde het leven voor iedereen en wij waren daar geen uitzondering op. Door de importbeperkingen werd het onmogelijk om onze bloembollen en zaadjes uit Nederland te krijgen, maar ik kon wel op een andere manier geld verdienen. De Australian Broadcasting Commission was begonnen met buitenlandse uitzendingen in verschillende talen, waaronder Nederlands. Ze waren op zoek naar een presentator die goed Nederlands kon spreken. Ik solliciteerde en werd aangenomen. Dit betekende dat ik elke dag, inclusief in het weekend, twee keer het nieuws moest lezen, één keer om 6 uur ‘s avonds voor Nederlands-Indië en één keer om middernacht wanneer het nieuws voor Nederland zelf werd herhaald. Ik kreeg de tekst normaliter in het Engels om twaalf uur. Die werd dan vertaald en uitgetypt door Chelly Slade. Dan moest ik op het aangewezen uur naar de A.B.C. studios in Market Street.

De tijd tussen de twee sessies moest ik zelf vullen en zo heb ik in die maanden waarschijnlijk elke film in Sydney gezien! Ik had ook nog op een andere manier geluk. Als Nederlander, zo had de Consul-Generaal aan A.B.C. uitgelegd, kon ik niet in dienst worden genomen door een Australische overheidsinstantie, maar mocht ik wel als “kunstenaar” werken, waarbij ik voor elke “opvoering” werd betaald, wat neerkwam op vijf guineas per avond, veel meer dan ik als werknemer van A.B.C. zou hebben ontvangen. Rond deze tijd ontmoette ik een vriend van de Dibleys, Harry Cerutty. Samen met nog een andere kerel, Colonel Surman, maakte hij plannen om mica uit te graven in de Harts en MacDonnell bergketens in Midden-Australië. Sommige mijnen stonden onder leiding van Grieken en Italianen. Ik herinner me dat een van de mijnen de Caruso-mijn werd genoemd en het was de bedoeling om de productie te kopen en het – met sikkels bijgesneden en gespleten – in Adelaide te bewerken.

Ik had er wel interesse in en gezien dit onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog was en het minder goed ging met onze zaak, besloot ik om mee te doen. We vertrokken in een kleine vrachtwagen en kampeerden op weg naar Alice Springs. Het was een heel avontuur en ik heb toen meer van het binnenland van Australië gezien dan ooit ervoor of erna. Vanwege de oorlog werd mica erg duur en we slaagden erin om een deel van het product op de metaalbeurs van Londen te verkopen, en later aan Philips voor gebruik in radiobuizen. Het leven ging gewoon door totdat we op een ochtend in mei 1940 in de krant lazen dat de Duitsers Nederland en België waren binnengevallen! Wat moesten we doen? Ik besloot om mijn zaak achter te laten en die toe te vertrouwen aan mijn partner, Danny Slade. Ik boekte mijn reis, regelde een Amerikaans transitvisum en bereidde mij erop voor om naar Nederland terug te keren. Na een paar dagen hoorden we echter dat Nederland door de vijand was veroverd en in plaats van daarnaartoe te gaan, besloot ik naar Engeland te gaan. Met een aantal van mijn Nederlandse vrienden had ik besproken wat we zouden doen als Nederland bij de oorlog betrokken zou raken, hetgeen we als vrijwel onvermijdelijk beschouwden. Vreemd genoeg was het algemene gevoel in Nederland in die tijd dat zich een herhaling van de Eerste Wereldoorlog zou kunnen voordoen toen Nederland neutraal was gebleven.

Maar voor ons die ver van Europa af woonden en de dingen daardoor misschien juist duidelijker inzagen, bestond er weinig twijfel dat de gek die Duitsland regeerde geen rekening zou houden met de kleinere Europese landen. Dit standpunt werd nog versterkt toen Hitler Noorwegen binnenviel en Denemarken overnam. Toen Nederland op 10 mei 1940 echter toch bij de oorlog betrokken raakte, besloten mijn vrienden te blijven en was ik uiteindelijk genoodzaakt om alleen te gaan.

Het kostte weinig tijd om mijn vertrek te regelen en met veel spijt nam ik afscheid van mijn vrienden en associés, en bereidde ik mij erop voor om Australië te verlaten, waar ik drieënhalf bijzonder interessante jaren had doorgebracht. Het zou achttien jaar duren voordat ik weer zou terugkeren.