Het jaar 1939

BIJZONDERE VRIJWILLIGE LANDSTORM

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 werd de Vrijwillige Landstorm (V.L.) opgericht. Deze oprichting had verder geen invloed op binnenlandse oorlogsomstandigheden omdat Nederland gedurende deze gehele oorlog neutraal bleef. Maar vanaf het moment dat de vrede werd getekend, brak er voor Europa een onzekere tijd aan met de dreiging van een revolutie die vanuit Duitsland over kon slaan naar Nederland. Het Friese Tweede Kamerlid Pieter Jelles Troelstra, leider van de socialisten in Nederland, riep de arbeiders op de macht te grijpen, maar kreeg geen poot aan de grond. De revolutiedreiging werd zo groot dat op 16 november 1918 Minister-President Hendrikus Colijn met spoed in een Britse torpedoboot terugkeerde vanuit Londen naar Nederland. Hij kreeg de opdracht van de Ministerraad om “landelijk een burgerwacht te organiseren onder handhaving van de, sinds het begin van de oorlog bestaande, Vrijwillige Landstorm”. Dit werd de oprichting van de B.V.L. (Bijzondere Vrijwillige Landstorm) De B.V.L. werd een soort Nationale Reserve en heeft dus niets met de Landstorm Nederland uit de Tweede Wereldoorlog te maken. Op 29 juli 1940 werd de Nederlandse krijgsmacht, inclusief de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, door de Duitse bezetter ontbonden

In de Tweede Wereldoorlog stichtten de Duitsers verwarring door de naam “Landstorm Nederland” in te voeren. De Duitse bezetter misbruikte de vertrouwde naam voor een speciale eenheid van de Waffen-SS in bezet Nederland. Dit waren eenheden die aan de verschillende fronten werden ingezet. De Nederlandse Landwacht was een door de NSB in 1943 opgerichte hulppolitie. 

Op zondag 10 november 1918 vluchtte de afgezette Duitse Keizer Wilhelm II naar Nederland omdat in geheel Duitsland de revolutie was uitgebroken nadat de oorlog was verloren. De Keizer was die ochtend om zes uur bij de Nederlandse grens aangekomen met een stoet van negen automobielen. Hij was gekleed in een generaalsuniform en was bewapend. Pas ’s avonds werd hij Nederland binnengelaten. Diezelfde avond nog stelden de politieke partij SDAP (Sociaal – Democratische Arbeiderspartij) en het NVV (Nederlands Verbond van Vakverenigingen) nog een program van eisen op. Een dag later, om 11.11 uur, kwam de algehele wapenstilstand tot stand (Verdrag van Versailles) en diezelfde avond hielden Pieter Jelles Troelstra (fractievoorzitter SDAP Tweede Kamer) en Heykoop (vakbondsleider NVV) redevoeringen op emotionele vergaderingen in Rotterdam.

Op 12 november 1918 hield Pieter Jelles Troelstra zijn historische rede in de Tweede Kamer, waarin hij de eiste dat de regering de macht zou overdragen aan de arbeidende klasse en soldatenraden. Die gedachte had bij hem plaats gevat door de revolutionaire omwentelingen in Rusland en Duitsland. Maar koningsgezind, liberaal en antirevolutionair Nederland huiverde. De spanning nam snel toe en de regering aarzelde. Op 13 november 1918 werd de Bijzondere Vrijwillige Landstorm geboren. De B.V.L. werd een soort van Nationale Reserve. Officier Lodewijk Franciscus Duymaer van Twist, lid van de Anti Revolutionaire Partij in de Tweede Kamer, deed met steun van de rechtse en liberale Kamerleden het voorstel daartoe, dat aangenomen werd. Het voorstel had als inhoud:

“Een beroep doen op de betrouwbare dienstplichtigen met groot verlof om zich beschikbaar te stellen tot steun aan het wettig gezag, in het bijzonder in Den Haag, de verblijfplaats van het koninklijk gezin en in Rotterdam, de broeihaard van het revolutionair verzet”.

Vanwege de Eerste Wereldoorlog waren de dienstplichtigen zojuist gedemobiliseerd en konden weer opgeroepen worden. Deze keer niet om Nederland te beschermen tegen buitenlandse vijanden maar tegen het binnenlandse “rode gevaar”. Mr. J.J. Croles uit Leeuwarden, raadsheer van het gerechtshof, was de man die Friesland bewerkte om vrijwilligers te leveren. Tot in het holst van de nacht had hij zijn bodes met telegrammen uitgezonden naar de kleinste dorpen van het Friese land, zo werd er verteld. In Sneek sloegen katholieken en antirevolutionairen (ARP) de handen ineen. In het katholieke Sint Josefgebouw kwam op diezelfde dag een actiecomité bijeen, samengesteld uit de besturen van de confessionele partijen, vakorganisaties en een aantal geestelijken. Ook zij begonnen met het werven van regeringsgetrouwe militairen. Sneek speelde een belangrijke rol in de tegenbeweging. Het katholieke volksdeel was hier hecht georganiseerd. Tegelijk was Sneek het bolwerk van de ARP.

Toen Duymaer van Twist, na de gehele dag in de Tweede Kamer bezig te zijn geweest, thuiskwam, vond hij een telegram van Mr. Croles. Deze schreef dat hij veel geld nodig had en dat een bedrag van f. 10.000 (€ 4500) voorlopig genoeg was. Een uur later was het gevraagde bedrag per postwissel al op weg naar Leeuwarden. De Wassenaarse zakenman A.G.Kröller had ervoor gezorgd dat    in samenwerking met Duymar van Twist deze dag voor 17.00 uur per telegrafische postwissel de gevraagde tienduizend gulden was overgemaakt

In Leeuwarden werden op 14 november in alle vroegte de talrijk opgekomen soldaten letterlijk de extra exprestrein ingestouwd. Twee locomotieven, versierd met een brede oranje band, trokken de lange rij wagons die bij elke halte voller raakten. De stemming onder de mannen was ernstig en vastberaden. “Enkelen, geprikkeld nog door de talrijke kwetsingen van nationaal gevoel en Oranjeliefde, waren bepaald strijdlustig”. Kapelaan H. Eiberssen uit Sneek, reserve-aalmoezenier, kwam zelf met de vrijwilligers mee. Van de Friese vrijwilligers moeten ook de 22 man uit Sneek worden genoemd, die met de reservekapitein mr. Pieter Sjoerds Gerbrandy uit Goëngamieden – de latere minister-president in Londen tijdens de 2e Wereldoorlog – in de extra exprestrein naar Den Haag trokken.

Uiteindelijk kwamen er 600 regeringsgetrouwe en Oranjegezinde Friese militairen uit de trein stappen in Den Haag. Hier stond Duymaer van Twist klaar om hen persoonlijk van de trein te halen. Troelstra verklaarde die dag in de Tweede Kamer dat hij in zijn rede van 12 november nimmer van een staatsgreep had gesproken. In totaal kwamen er drie- tot vierduizend mannen naar Den Haag om de orde te bewaken tegen “socialistische oproerkraaiers”. Op 16 en 17 november tijdens het SDAP-congres gaf Troelstra toe zich in de machtsverhoudingen te hebben vergist en de revolutie werd afgelast. De Friese vrijwilligers stonden vooraan op 18 november 1918 tijdens de grote huldebetoging van duizenden mensen aan koningin Wilhelmina op het Malieveld in Den Haag. De Friezen behoorden tot de militairen die de paarden van het rijtuig van de koningin uitspanden en zelf het rijtuig naar het Malieveld trokken. ”Hoog boven de geweldige menschenzee uit wapperde de vlag der Friezen” zo staat dat in een gedenkboek uit 1923. Hare Majesteit verzocht haar rijtuig naar die zijde te wenden waarna de “driekleur met de Friese emblemen als symbolische schuts over het Koninklijk gezin werd heengestrekt”. Het Friesch Dagblad schreef dat Hare Majesteit uit haar rijtuig bij de Friese vrijwilligers “met bewogen stem had geroepen: “Lang libje Fryslân”.

Op 19 en 20 november 1918 keerden de Friese B.V.L. -ers terug naar huis onder aanvoering van reservekapitein Jan de Jong uit IJlst. Hij bracht namens de heer Colijn de boodschap mee dat de actie niet als afgelopen zijnde beschouwd moest worden. De boodschap van de B.V.L. was snel in Bakhuizen aangekomen en daar hebben de tien mannen op de foto onmiddellijk gehoor aan kunnen geven. En dat terwijl de dodelijke Spaanse griep razendsnel internationaal – en dus ook Nederland – om zich heen greep. Bij vertrek op 17 november naar Den Haag had commandant Johannes de Jong zich al niet fit gevoeld. Bij aankomst in Den Haag werd hij ziek maar hij  wilde met al zijn vrienden naar huis. Terug in Bakhuizen was hij als een dronken man naar huis gelopen. Het bleek de Spaanse griep te zijn waaraan hij – na een longontsteking – op 27 november 1918 is overleden. De eerste griepgolf was in de zomer van 1918 en de tweede ziektegolf vanaf oktober 1918. Dichtbij werden de scholen in Sneek, Joure, Bakhuizen en Heerenveen gesloten terwijl Balk en Harich slechts een klein aantal leerlingen had. In december 1918 was voor Noord-Nederland de ergste ziektegolf voorbij. In Nederland zouden er zo’n 60.000 mensen aan zijn gestorven en wereldwijd 50 miljoen mensen.

1: Sjoerd Galama; 2. Andries Konst; 3. Pieter Folmer; 4. IJpke Huisman; 5. Hendrik Nagelhout; 6. Johannes van der Zee; 7. Hans Huisman; 8.Johannes de Jong; 9. Sjoerd Melchers en 10. Johannes B. Nagelhout.

Koningin Wilhelmina sprak na de mislukte staatsgreep: “Wij zijn veilig geweest in Gods Hand. Wij voelen, dat Zijne leiding aan onze historie gegeven, opnieuw is bevestigd. Wat was en is, zal ook in de toekomst zijn”. De burgemeester van Sloten opende de eerstvolgende raadsvergadering met een heftige rede tegen de revolutie. Dat gebeurde daarna in meerdere raadszalen.

Op 7 mei 1919 werd er een Nationale Landstorm Commissie benoemd met het doel om de toetreding tot de B.V.L. te bevorderen. Daarop werd o.a. het Fries Nationaal Landstormcomité opgericht. Nederland werd opgedeeld in twee dozijn gewesten die weer uit lokale afdelingen bestonden.   De B.V.L. werd een echt Nederlandse vorm van volksbewapening, gesmaad en bespot bij een deel van ons volk; geprezen en bijna verafgood bij een ander deel van de natie. Bij dreigend revolutiegeweld konden dienstplichtige militairen die niet gemobiliseerd waren, als vrijwilliger bij de B.V.L. onder de wapenen komen. Op die manier konden zij de overheid te hulp komen bij het handhaven van de binnenlandse orde en rust.

Bij de B.V.L. waren dienstplichtigen aangesloten die volledig geoefend waren. Bij de Vrijwillige Landstorm (V.L. van 1914) konden diegenen terecht die van dienstplicht vrijgesteld of uitgeloot waren of de dienstplicht reeds vervuld hadden.

Alles met betrekking tot de opkomst van niet-dienstplichtige vrijwilligers en van de korpsen Motordienst, Vaartuigendienst, Spoorwegdienst en Luchtwachtdienst werd pas officieel vastgelegd in het Landstormbesluit van 28 februari 1922.

De B.V.L. was een gewapende macht, gevormd uit dienstplichtigen en reservisten, die het wettig gezag konden handhaven tijdens binnenlandse onrust. Het devies van de B.V.L. was “Als het moet”. Zij heetten voortdurend “waakzaam en paraat” te zijn. In de twintiger en dertiger jaren van de 20e eeuw zijn de B.V.L. -ers vrijwel niet anders opgetreden dan op grote landdagen, nationale feestdagen, bij erewachten, filmavonden, lezingen, vergaderingen en onderlinge schietwedstrijden.  Begin 1920 waren er in heel Nederland bijna 42.000 personen aangesloten bij de Vrijwillige Landstorm en de B.V.L. samen. In 1923 waren bijna 3800 Friezen onderdeel van de B.V.L. en in 1936 was dat aantal gegroeid naar bijna 5500. Mr. Pieter Sjoerds Gerbrandy werd commandant van de Friese B.V.L. In 1928 telde de B.V.L. 56.500 vrijwilligers en in 1938 ruim 93.000. Er kwam een eigen blad met de naam “Het Landstormblad”. Er ontstond een organisatie voor werving en propaganda en men kreeg een eigen symbool: de spittende boer met het geweer over de schouder. De B.V.L.  is gelukkig nooit geheel gemobiliseerd geworden. Wel werd op 25 maart 1920 een plaatselijke afdeling B.V.L. opgeroepen in ’s-Heerenberg wegens de dreiging van een aanval door het Duitse Rode Leger – met Spartacisten – op Nederlands grondgebied. (Duitsland blijft in 1920 in gebreke inzake de herstelbetalingen o.a. aan Frankrijk en België. Franse en Duitse troepen bezetten het Ruhrgebied en vele Duitsers nemen de vlucht. De periode staat bekend als Spartacisten-onlusten). Ook kwamen in 1925 afdelingen van het Vrijwillig Landstormcorps Motordienst in actie om de orde te handhaven in de zuidoosthoek van Friesland en de veenstreken in Drenthe. De grootste manifestatie van de B.V.L.  was de nationale Landstormdag in Den Haag in 1928 waar 20.000 tot 25.000 vrijwilligers gedurende twee uur langs de Koningin defileerden.

Ruim de helft van de B.V.L. leden werd in 1939 gemobiliseerd vanwege de oorlogsdreiging.  In de meidagen van 1940 leverden zij strijd en moesten de eenheden de nodige gesneuvelden betreuren. De laatste handeling vond plaats tussen 13 augustus 1940 en 12 september 1940. Alle gedemobiliseerden van land- en zeemacht – en de B.V.L.-vrijwilligers – moesten in die periode hun uitrusting en de bijbehorende kleding inleveren bij de indelingscommandant. Eventuele in bezit zijnde Rijkseigendommen moesten ook aangeboden worden aan de commandant. In 1948 was er opnieuw behoefte aan een snel inzetbaar vrijwilligerskorps. Het grootste deel van de landmacht bevond zich in Nederlands-Indië, terwijl op dat moment in Europa de Koude Oorlog oplaaide (o.a. blokkade van Berlijn en de val van Praag). Defensie besloot op 15 april 1948 tot oprichting van de Nationale Reserve voor extra bescherming van het Nederlandse grondgebied.

Commandant BVL; Siemen de Jong met zijn vrouw

De B.V.L. stond in Gaasterland onder leiding van commandant Siemen de Jong uit Balk. Hij bekleedde daarbij de rang van reserve 1e luitenant. Hij had vijf plaatselijke leiders ter beschikking. Dat waren H. Gijssen uit Nijemirdum; R. van Goor uit Sloten; J. de Vries uit Kippenburg; J. van der Heide uit Sondel en M.H. Dinnissen uit Bakhuizen. De Gaasterlandse afdeling oefende vaak rondom Oudemirdum.De groep in Bakhuizen oefende regelmatig vanaf ongeveer 16.00 uur op het plein van de staatsschool in Bakhuizen. Meester Dinnissen was het eerste schoolhoofd van de Rooms Katholieke School vanaf 1921 totdat hij op 1 april 1932 naar Lent bij Nijmegen vertrok. Hij was tevens B.V.L.-groepsleider.

Het B.V.L.-vaandel opgehangen in het oude raadhuis te Balk. Het vaandel is rond 2010 geheel gerestaureerd.

Op 8 en 9 september 1925 was er erewacht in Leeuwarden en Sneek bij het bezoek van Koningin Wilhelmina. Het is niet bekend of de B.V.L. uit Gaasterland daaraan heeft meegewerkt. In de Balkster Courant van juli 1928 werd door de B.V.L. zelf een artikel geschreven ter gelegenheid van het tienjarig bestaan. Hieruit kwam naar voren dat de B.V.L. mede afhankelijk was van particuliere giften en niet alleen door een overheidsinstantie betaald werd:

 “Aan de ingezetenen van Gaasterland en Sloten.
In 1928 herdenkt de Bijzondere Vrijwillige Landstorm haar tienjarig bestaan. En nog steeds is hij dringend nodig. De meeste deskundigen verklaren dat herhaaldelijk. Voor ieder die een krant leest is dat trouwens duidelijk.
Daarom moeten ook onze streken blijven meehelpen tot bloei van deze zo echt vaderlandse instelling. Daarom is het noodzakelijk, dat vele oudgedienden het zich tot een eer en plicht rekenen, Landstormers te zijn. Gelukkig is dat hier het geval, al zou verbetering op prijs worden gesteld. Maar evenmin kan de B.V.L. de belangstelling missen, en als het kan, de hulp der ingezetenen. De Landstormers geven zichzelf.
Velen van hen ook nog wat van hun tijd en geld. En toch is de B.V.L. niet allereerst hun taak. Maar van allen, die orde en rust willen en verbetering langs de wettige weg. Zeer velen hebben dat in de afgelopen tien jaren begrepen en toonden dat metterdaad. De B.V.L. is daarvoor zeer dankbaar. Vooral aan de vrienden die graag op meer dan gewone wijze meewerkten, als dat gewenst was. En aan de begunstigers die het mogelijk maakten de laatste jaren iets meer te doen dan vroeger. Daarom menen wij voor de toekomst te mogen vragen om blijvende sympathie en steun. Wie zonder enig bezwaar het doen kan, zou dat bijvoorbeeld kunnen tonen door zich op te geven als begunstiger. Gewone bijdrage één gulden per jaar; meer of minder is even goed. Op een bijzonder punt zouden wij nog graag wijzen. Het tienjarig bestaan van de B.V.L. wordt in september gevierd met een grote nationale landdag in ’s-Gravenhage. Tienduizenden Landstormers worden daar verwacht om te laten zien dat overal in het land nog de idee leeft: eerbied voor het wettig gezag en steun met de daad als het moet. Daar horen onze Landstormers ook bij. Enkelen gaan geheel op eigen kosten. Anderen kunnen dat niet en moeten tegemoet worden gekomen. Daarom mogen wij de begunstigers – en zij die het willen worden – en anderen, misschien wel verzoeken daaraan te willen denken. Mogelijk wensen zij dan dit jaar iets extra’s te doen. De bijna lege kas zou ons anders wellicht dwingen thuis te laten blijven, wie eigenlijk allereerst in Den Haag dienden aanwezig te zijn.
Bij voorbaat danken ondergetekenden allen, die aan de B.V.L. in Gaasterland en Sloten hun aandacht zouden willen schenken en vooral degenen, welke dat aan één van hen zou doen blijken.

De commandant en plaatselijk leiders”. 

Uit het verslag van de B.V.L. Landdag op 25 juli 1934 in Huis ter Heide bij Sint Nicolaasga bleek uit de rede van Pater A. de Hart al dat Nederland op de hoogte was dat er sedert de aantreding van Adolf Hitler op 30 januari 1933 er zaken in Duitsland in minder gunstige zin zich ontwikkelden. Een gedeelte uit zijn rede: “In de Bijzonder Vrijwillige Landstorm wordt iedere godsdienstige overtuiging geëerbiedigd. Als wij krakelen zijn de fascisten, communisten en socialisten erbij om de boel kort en klein te slaan. Het communisme staat als een pindamannetje langs de straat en roept: “Pinda, lekka”. Ook van het fascisme hebben wij niets te verwachten. In Duitsland heerst bruut heidendom. Men slacht de mensen als beesten af. Wodan is onze God en Hitler is zijn profeet, dat is daar het parool”.

Op woensdag 11 september 1935 werd door een Landdagcomité voor de eerste maal in Rijs een landdag georganiseerd voor de gemeenten Gaasterland, Hemelumer Oldephaert en Noordwolde, Sloten en Workum. Het programma voor deze dag was:

Bij 3b staat “Gymkhana” als onderdeel. Dat is een paardensport waarbij een behendigheidsparcours wordt afgelegd. Het is de bedoeling dit zo snel mogelijk te doen. Tijdens het parcours zijn er vele plotselinge wisselingen, draaiingen, wendingen en momenten waarbij moet worden op- en afgestapt of zaken moeten worden gedragen, vastgehouden of doorgegeven. Hierbij wordt verwacht dat de ruiter lenigheid, wendbaarheid en samenwerking met het paard toont.

De Landdag werd door 8000-9000 personen bezocht. De organisatie was in handen geweest van een speciale commissie in de Zuidwesthoek onder voorzitterschap van Gaasterlands burgemeester Schwartzenberg. Daarin zaten verder J.H.W. Verkouteren, penningmeester; J.B. Schurink, 1e secretaris; S. Dijkstra, 2e secretaris; R. Minnema en P. Aukema. De keuze was op Rijs gevallen omdat hier in de openlucht de geluidsfilm kon worden vertoond. In andere plaatsen van Friesland was daartoe geen ruimte geweest. Er was uitgesproken dat bij Gewestelijke Landdagen brassmuziek het best passend was. In Rijs was een optreden van de Koninklijke Marine Kapel uit Den Helder.

De dag was indrukwekkend begonnen met het spelen van twee coupletten van het Wilhelmus bij het begin van een bijeenkomst voor genodigden in Hotel Rijsterbosch. Dat was een chique aangelegenheid als de lijst van sprekers werd gevolgd:

  1. Burgemeester Schwartzenberg.
  2. Mr. J.A. de Wilde, Minister van Binnenlandze Zaken.
  3. Luitenant-Generaal L.F. Duymaer van Twist (hij memoreerde dat Friezen in november 1918 in de voorste gelederen te vinden waren).
  4. Jonkheer Roël als Commandant van het Veldleger
  5. J. Schouten, lid van de Tweede Kamer uit Rotterdam
  6. Dr. K. Dijk, predikant uit Den Haag
  7. P. Bootsma, legerpredikant uit Wassenaar
  8. Pastoor H. Elbersen, aalmoezenier uit Goy-Houten
  9. T. Nauta, burgemeester Dantumadeel
  10. Dhr. Nauta, voorzitter Fries B.V.L. verband. Hij bracht hulde aan de      organisatie en met name aan burgemeester Schwartzenberg.
  11. Mr. J.W. Tijsma, kantonrechter en lid van het Friesche B.V.L. comité.

Na de pauze werd er door 1500-1600 B.V.L.-leden deelgenomen aan en defilé waarbij vaandels en banieren uit verschillende provinciedelen werden meegedragen. Er werden uiteraard schietwedstrijden gehouden. Bij de korpsen werd Woudsend kampioen met Balk op een 2e plaats. Koudum werd derde, Warns 4e en Mirns 5e. Ferwoude werd 6e. Bij de persoonlijke wedstrijden was er Gaasterlands succes omdat H. Keuning uit Mirns tot beste schutter gekroond werd. Hij liet Schilstra en K. Visser, beiden uit Woudsend achter zich. Verdere Gaasterlandse deelnemers waren:

Uit Mirns: G. Hoekstra, D. Bakker, H. Mulder, T. Albada, D. Haarsma, en J. de Vries.
Uit Balk: B. Stegenga, A. van Dijk, M. Demmer, R. van Dijk, J. Siemonsma en S. De Jong.
Uit Sondel: J. Schokker en R. Bangma.
Uit Oudemirdum: Jan Keulen.
Uit Wijckel: R. Stoffelsma, S. Dijkstra, P. De Boer en L. Wildschut.
Uit Nijemirdum: H. Gijzen.
Namens de motordienst: H. Visser, Joh. Wierda en J. Boomstra.

In die B.V.L. werd aangedrongen op het houden van schietoefeningen en die kwamen er ook. Als geoefende militairen hebben de B.V.L.-leden geen volledige militaire trainingen nodig, maar een vaste hand houden is belangrijk. Ook uit “een oogpunt van propaganda” en “voor het gevoel van saamhorigheid” is het schieten zinvol, zo schrijft het gedenkboek in 1923: voortdurend paraat zijn moet wel een beetje leuk blijven. Bij schietwedstrijden op 2 september 1927 werd S. de Jong uit Balk aanwezig als lid van de wedstrijdcommissie.

In Rijs werd op 6 september 1937 weer een schietwedstrijd gehouden voor leden van de B.V.L. Deelnemers waren de gemeenten Gaasterland, Hemelumer Oldephaert en Noordwolde en Workum. Bij de korpsen werd Warns kampioen. Op de tweede plaats eindigde Heidenschap en als derde werd Koudum genoteerd. Bij de individuele schutters werd J. de Vries uit Heidenschap als kampioen gehuldigd. Zijn plaatsgenoot B. Folkertsma werd tweede en H. Couperus uit Warns eindigde op de derde plaats.

Op 6 november 1937 werd in Gaasterland de Luchtbeschermingsdienst ingesteld als onderdeel van de B.V.L.

In Rijs vond in 1938 een grote nationale B.V.L. Landdag plaats. Een teken dat de organisatie in Gaasterland op goede orde was met meerdere contacten buiten de provinciegrenzen. Naast zijn baan als burgemeester van Sloten was J.W.M. Verkouteren was voorzitter van de afdeling Gaasterland-Sloten van de B.V.L. Hij opende de B.V.L. propagandavond in het lokaal van Christelijke Belangen in Balk. Pastoor B.A.W. Kaeler van Sloten hield een opwekkend woord. Er werden twee films getoond. De eerste was “Een Koningskind geboren” en de andere was een klankfilm “Je Maintiendrai”.

MOBILISATIE EN GEMEENTELIJKE VOORBEREIDING

Hoewel erg vergezocht, was de aanleiding voor de Tweede Wereldoorlog er al op 28 juni 1914 en nog voordat de Eerste Wereldoorlog begon. Wat gebeurde er toen precies? Welnu, de twintigjarige Bosnisch-Servische terrorist Gavrilo Princip schoot op een straathoek in Sarajevo de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger Franz Ferdinand en zijn echtgenote dood. Deze moord leidde enkele weken later tot het begin van de Eerste Wereldoorlog. Deze daad was het fatale openingsdrama van de twintigste eeuw. Het einde van de Eerste Wereldoorlog was weer het begin van de Tweede Wereldoorlog. Bij het vredesverdrag van Versailles op 11 november 1918 kreeg Duitsland dusdanige financiële straffen dat hierdoor Duitsland in armoede raakte.

In de tweede helft van de jaren dertig in de 20e eeuw werd het steeds duidelijker dat er een nieuwe wereldoorlog dreigde. Duitsland bezette het Rijnland en bemoeide zich met de Spaanse Burgeroorlog en daarna werd Oostenrijk ingelijfd en kregen de Duitsers door middel van het Verdrag van München eerst Sudetenland en vervolgens heel Tsjecho-Slowakije in handen. Wat was de Duitse “Führer” Adolf Hitler nog meer van plan? Frankrijk kwam in actie en zocht discreet militaire samenwerking met het neutrale Nederland, want zij zagen de bui al hangen. De Duitsers zullen vast net als in de Eerste Wereldoorlog van 1914 – 1918, de sterk verdedigde Frans-Duitse grens vermijden en via Nederland en België door een zwak gedeelte van de Maginotlinie in Noord-Frankrijk breken. Ook Nederland meende dat het gevaar van over de oostgrens zal komen en werkte daarom in stilte samen met Frankrijk en mobiliseerde op 28 augustus 1939. Dat die maatregel verstandig was, bleek slechts een paar dagen later toen Duitsland op 1 september Polen binnenviel.

Daarop verklaarden Engeland en Nederlands discrete bondgenoot Frankrijk de oorlog aan Duitsland. Na de afgang van München in 1938 lieten de Fransen en Britten niet nog een keer over zich heenlopen door de Duitsers. Daarna werd de oorlogsdreiging behoorlijk groot in West-Europa. Op 30 januari 1933 was Adolf Hitler aan de macht gekomen door zijn benoeming tot Rijkskanselier. Hij en zijn partij NSDAP (Nationaal Socialistisch Democratische Arbeiders Partij) waren bij de verkiezingen de grootste partij geworden met veertien miljoen stemmen.  Op 27 februari 1933 was er een grote brand in de Rijksdag in Berlijn. De 24-jarige Nederlander Marinus van der Lubbe werd opgepakt omdat hij bij een communistisch complot betrokken zou zijn. Op de morgen van 10 januari 1934 werd hij op de binnenplaats van de gevangenis onthoofd. Hitler maakte van de situatie gebruik om meer macht naar zich toe te trekken.

Nadat de nazi’s een dictatuur hebben gevestigd in Duitsland, konden ze zich concentreren op het uitvoeren van hun politieke programma. Al in juli 1933 namen ze een wet aan die het mogelijk maakte om geestelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten georganiseerd te vermoorden. In 1935 volgden de tegen Joden gerichte Neurenberger Rassenwetten. In Gaasterland had de NSB geen enkele rol van betekenis in de politiek gespeeld. Bij gemeenteraadsverkiezingen in Gaasterland zijn zij nooit met een lijst uitgekomen.

Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten op 17 april 1935 behaalden in Gaasterland de NSB 3,13% van de stemmen; op 26 mei 1937 was dat 1,69% bij de Tweede Kamerverkiezing en op 19 april 1939 slechts 1,34% bij de Provinciale Statenverkiezing. Daarmee was de provincie Friesland de laagste van Nederland. Ter vergelijk kan worden gesteld dat in Groningen 4,32% op de NSB stemde en in Drenthe 8,24%. De samenstelling van de Gaasterlandse gemeenteraad leende zich ook niet voor de NSB-gedachte. Van de 11 raadsleden waren er 10 “rechts” georiënteerd en de Freulepartij was met 1 zetel niet duidelijk als rechts te bestempelen. De Gaasterlandse uitslag van 6000 inwoners van de gemeenteraadsverkiezingen op 14 juni 1939 luidde:

Christelijk Historische Unie 1072 stemmen 4 zetels
R.K. Staatspartij 601 stemmen 2 zetels
Anti-Revolutionaire Partij 584 stemmen 2 zetels
Vrije Christelijke Kiezers (Noordwal) 358 stemmen 2 zetels
Freule Van Swinderen Partij 263 stemmen 1 zetel

De Staatskundig Gereformeerden behaalden geen zetel ondanks de lijstverbinding met de CHU.

De raadsleden waren:
W.J. Visser Oudemirdum CHU Wethouder
D.J. Tuinier Harich CHU
J.B.Schurink Rijs CHU
P.F. Bosma Wijckel CHU
A. Rampion Bakhuizen R.K. Staatspartij
C. ten Brink Wijckel R.K. Staatspartij
H.B. van der Goot Oudemirdum A.R. Wethouder
Tj. Hoekstra Ruigahuizen  A.R.
A. Noordwal Balk Vrije Christ. Kiezers
A. Lootsma Oudemirdum Vrije Christ. Kiezers
Freule Van Swinderen Rijs Freule Partij

In Sloten werden de 7 zetels verdeeld door:
C.H.U.        2 zetels
A.R.            2 zetels
R.K.            1 zetel
H.G.S.        1 zetel
Lib.             1 zetel
W. Nijdam(A.R.) en P. P. de Vlugt (CHU) werden de wethouders.

Bij de Provinciale Statenverkiezing in 1939 werden er 9 stemmen uitgebracht op de N.S.B.

In 1939 hadden enkele belangrijke media zich afgezet tegen het nationaalsocialisme. De Gereformeerde Synode had zich heel duidelijk hiertegen afgezet op basis van een rapport waar de Leeuwarder dominee van Es aan meewerkte. Ook de katholieke bisschoppen hadden zich duidelijk laten horen tegen het nationaalsocialisme. Ondertussen nam Hitler de herbewapening van Duitsland energiek ter hand met gunstige gevolgen voor de Duitse economie. Het Verdrag van Versailles (1919) waarin dit verboden werd, negeerde hij. In Duitsland was grote werkloosheid. Door het sterk uitbreiden van legermateriaal ontstond er veel werkgelegenheid.

Hitler voelde zich steeds sterker worden nu hij in het bezit was gekomen van veel legermateriaal. Hij liet oorlogszuchtige taal uitgaan naar meerdere Europese landen. Zijn streven was om te komen tot: “Eén Rijk, Eén Volk en Eén Führer” (leider). Hij zag Europa als één groot Duits Germaans Rijk. De Europese regeringen bleven op hun hoede en namen de nodige maatregelen.

Nederland meende buiten de oorlog te kunnen blijven en verwachtte evenals in 1914-1918 de neutraliteit te kunnen handhaven. In 1938 had men in Nederland al het gevoel dat er sprake was van oorlogsdreiging. In “Onze Kerkbode”, blad van de Hervormde Ring Sloten, werd bij 4 november 1938 geschreven dat er in Wijckel een gift van tien gulden bij de kerkvoogdij was ontvangen “uit dankbaarheid voor de bestendiging van de vrede”.  Veertien dagen later was in datzelfde blad te lezen dat er in Elahuizen, Wijckel, Nijemirdum, Oudemirdum en Sondel in de kerk gecollecteerd werd voor de Joodse vluchtelingen. De mededeling werd gevolgd door: “Over de nood en de ellende van het Joodse volk in Duitsland zult u reeds genoeg gelezen en gehoord hebben”.

Maar de vrede pakte anders uit. In het begin van 1939 begon ook Nederland met voorzichtige defensieve oorlogsvoorbereidingen. De sedert Pasen 1939 gemobiliseerde militairen, waarvan vele van oudere – uit 1924 – lichtingen zijn, konden behalve periodieke bewegingsvrijheid ook z.g. “klein-verlof” krijgen, dat speciaal in de mobilisatietijd in ruime mate kon worden verleend. Een en ander betekende dat er nogal wat mannen aan de organieke sterkte ontbraken. Het is dan ook begrijpelijk, dat de Nederlandse regering, toen de moeilijkheden van Duitsland met Polen en Danzig scherpere vormen aannamen, op 22 augustus 1939 alle klein-verloven introk. Hierdoor was de strategische beveiliging aan de grenzen weer op haar volle sterkte. Een algehele mobilisatie van militairen werd noodzakelijk.

Het kabinet de Geer-II voelde bijzonder weinig voor het nemen van krachtige maatregelen.  Terwijl alles bij invoering juist goed georganiseerd moest zijn, omdat bij de laatste algehele mobilisatie van 1870, ten tijde van de Frans-Duitse oorlog, alles zo chaotisch was verlopen dat de Minister van Oorlog, generaal Van Mulken, moest aftreden. Maar Minister Dijxhoorn (Defensie) en Minister Van Kleffens (Buitenlandse Zaken) dachten daar anders over. Zij waren van mening dat er ditmaal geen chaotische toestanden zouden ontstaan. Koningin Wilhelmina had weinig op met de besluiteloosheid van De Geer. Het mobilisatiebesluit volgde toch en op 23 augustus 1939 ging Telegram A uit, het waarschuwingstelegram voor de Algemene Mobilisatie.

Dit waarschuwingstelegram A werd al op de 24e augustus 1939 gevolgd door telegram B, waarin de voormobilisatie op 25 augustus werd gelast.
Dit betekende dat op die dag van elke oorlogseenheid een kern van personeel onder de wapens kwam, zoals commandanten der oorlogsonderdelen, kwartiermakers, menagemeesters, koks, hoefsmeden, rijwielherstellers enz. Die kernen, 50.000 man, moesten de algemene mobilisatie van het betreffende onderdeel voorbereiden. Dit alles was voor elk onderdeel in een zeer gedetailleerde instructie vastgelegd.  Op 24 augustus 1939 werd het Duits-Russisch pact gesloten, hetgeen inhield dat Hitler zijn handen vrij had om met Polen af te rekenen. Frankrijk en Engeland hadden met Polen een verdrag van wederzijdse militaire bijstand afgesloten, daardoor leek een nieuwe Europese oorlog onvermijdelijk.

Vanwege deze dreiging kwam de ministerraad bijeen. Na zwaar onder druk te zijn gezet, stemde de Geer in met een Algemene mobilisatie op de 28e augustus 1939. Tijdens een radiotoespraak – die de koningin op deze dag hield, zei de Koningin ondermeer: “Neutraliteitshandhaving eischt de mogelijkheid, aan onze wil tot eenzijdigheid de vereischte kracht te kunnen bijzetten”. Aan de Koningin werd op 26 augustus 1939 door de Duitse gezant, antinazi, graaf Zech von Burkersroda, in het bijzijn van Minister Van Kleffens, een geruststellende verklaring voorgelezen, waarin Adolf Hitler plechtig liet verklaren dat hij de Nederlandse neutraliteit zou eerbiedigen.

Telegram C dat op 28 augustus om één uur ’s middags uitging, luidde: “ALGEMENE MOBILISATIE. Eerste mobilisatiedag 29 augustus 1939”. De algemene mobilisatie bracht de gehele krijgsmacht op oorlogssterkte. Alle dienstplichtigen, 16 lichtingen van 1924 tot en met 1938 werden opgeroepen; de lichting 1939 was al onder de wapenen. De landmacht ging  daardoor in sterkte van ongeveer 100.000 man naar 280.000 man.

Het ALGEMEEN HANDELSBLAD meldde in de avondeditie van 28 augustus 1939:

Eerste Opkomst: Dinsdag 29 Augustus. ’s Gravenhage, 28 Augustus. De regeringspersdienst meldt: “Ten einde ten volle voorbereid te zijn op den plicht welke op Nederland zou rusten om, in geval dat tegen alle nog bestaande hoop in een gewapend conflict in het buitenland mocht uitbreken, onze onzijdigheid naar alle zijden met alle ter beschikking staande middelen te handhaven, heeft de Regeering gemeend niet langer te mogen wachten met het nemen van den uitersten voorzorgsmaatregel en is daarom thans het bevel gegeven tot mobilisatie van leger en vloot.”

België had drie dagen eerder, op 26 augustus, al 600.000 reservisten opgeroepen. Nu werden ook in Nederland alle militairen tot 35 jaar verplicht zich te melden bij hun legeronderdeel. De periode van 28 augustus 1939 tot aan 10 mei 1940 werd de mobilisatietijd genoemd. Mobilisatie is het in staat van paraatheid brengen van de Krijgsmacht van een land.  De term wordt gebruikt om de overgangssituatie tussen vrede en oorlog aan te duiden. Hiertoe behoort naast het oproepen van de militairen die met verlof zijn het veiligstellen van strategische plekken en het vorderen van voertuigen en voorraden. Ook landen die geen deelhebben aan het conflict van hun buurlanden of volgens verdragen, zoals het Verdrag van Parijs (1815), verplicht neutraal zijn en dus als bufferstaat dienen, zullen eveneens tot mobilisatie over moeten gaan. Dan konden zij niet als makkelijke doorgang of voornaamste strijdtoneel van de strijdende partijen dienen.

Een neutraal land stelt troepen op aan alle landsgrenzen en kusten en mag geen grensoverschrijdingen van strijdende partijen toestaan. Zo begon op 29 augustus 1939 een volksverhuizing van 280.000 dienstplichtigen. Dat een en ander niet over een leien dakje ging mag duidelijk zijn. Het onder de wapenen komende personeel moest worden geregistreerd, gekeurd, ingedeeld, gelegerd, gevoed en van wapens, kleding en van uitrustingstukken voorzien zijn.  Paarden, auto’s, fietsen en legeringsgebouwen, meestal scholen en bollenschuren, moesten worden gevorderd. In Gaasterland werd een collecte gehouden op 17 september 1939 voor de oprichting van militaire tehuizen. In Soest werden zes tehuizen opgericht.

Een maand later werd in de Leeuwarder Courant van 19 oktober 1939 mededeling gedaan van een inzameling voor de aankoop van wol voor de te breien sokken etc. voor gemobiliseerden. De opbrengsten werden vermeld in guldens en halve centen:

Balk f.   79,45
Wijckel f.   39,10
Sondel/Nijemirdum f.   57,69 ½
Oudemirdum f.   27,84 ½
Mirns, Bakhuizen, Rijs   f.   76,20
Harich/Ruigahuizen   f.   47,12 ½
Totaal  f. 327,41 ½

In het blad “ Onze Kerkbode” van de Nederlands Hervormde Kerk, ring Sloten, deelt Ds. Schweitzer van Balk op 5 april 1940 mee dat de Hervormde Vrouwen- en Meisjesvereniging in de afgelopen winter gebreid hebben voor o.m. de gemobiliseerde militairen. Het resultaat was dat er 33 paar sokken konden worden ingeleverd, 25 paar wanten, 6 paar bouffantes en 5 bivakmutsen. Er was die week in de NH-Kerk in Balk f. 43,50 gecollecteerd voor het Protestant Christelijk Militair Tehuis in Leeuwarden. Dominee G.J. Hintzbergen van Wijckel schreef in hetzelfde nummer daarover:

“Verleden week ontving ik bezoek van een heer, voor wie ik alle respect kreeg, toen hij mij vertelde, dat hij als penningmeester van het Chr. Militair Tehuis te Leeuwarden, vele gemeenten afreisde om voor genoemde instelling belangstelling te wekken. Gratis had hij zichzelf met zijn auto een maand lang ter beschikking gesteld. Zulk een geestdrift scheen mij alle steun waard. Hij vroeg mij, in de gemeente brieven te willen verspreiden met een strookje eraan, waarop men zou invullen, wat men voor het doel over heeft. Ik beloofde hem te doen wat ik kon, doch de volgende dag kreeg ik een verzoek uit Haarlem, en ook één uit Steenwijk voor gelijke doeleinden. Wilt u wel geloven dat het mij even begon te schemeren, temeer omdat wij al talloze andere aanvragen ontvangen. Nu meenden we, buiten de offers die van de gemeenteleden worden gevraagd, geen extra lasten op te leggen en ons te bepalen tot de gewone maandelijkse collecte. Gaarne willen wij daardoor in staat zijn, de genoemde tehuizen met een flinke gift te gedenken. Wilt U helpen? Graag. Doet, wat ge kunt. Laat ditmaal uw gave “vergroot zijn” als het kan. Met vriendelijke groet en heilbede”.

Op schriftelijke vragen van 18 september 1939 door het gemeentebestuur van Sneek antwoordden Burgemeester en Wethouders van Gaasterland dat er in Gaasterland voldoende tijdelijke ziekenhuisruimte was bij eventuele luchtaanvallen. Het gebouw voor Christelijke Belangen in Sneek kon ook gebruikt worden als hulpziekenhuis voor chirurgische patiënten. Het gymnastieklokaal in Sneek is aangewezen voor de behandeling van gaszieken. In deze vergadering benoemden Burgemeester en Wethouders de heer G. Plantinga tot hoofd van het distributiekantoor. Hij is al gemeenteontvanger. Een week later maakte de Rijksarchivaris van Friesland – tevens inspecteur gemeentearchieven – maatregelen kenbaar voor een veilig archief wegens oorlogstoestanden in Europa. Laconiek antwoordde het college van Burgemeester en Wethouders dat er in het raadhuis of daarbuiten geen veilig alternatief aanwezig was. “Alleen de kluis is goed beveiligd”.

Burgemeester en wethouders sloten een verzekering af voor het personeel van de gemeentelijke luchtbescherming. Het college besloot ook dat er geen commissie van bijstand kwam voor beheer en toezicht op de bossen. Wethouder Van der Goot werd een erkende deskundige genoemd op landbouwgebied en ook wethouder Visser was geen onbekende op dit terrein. Op voorstel van wethouder Visser werd Van der Goot speciaal benoemd tot toezichthouder op de gemeentelijke landerijen.  In Duitsland was niet ieder blij met de gang van zaken rondom Hitler en de oorlogsvoering. Er werd door Georg Elser op 8 november 1939 een aanslag op Hitler’s leven gepleegd in München. Hitler wist aan de bomexplosie te ontsnappen.

Koningin Wilhelmina en de regering feliciteerden Hitler direct via een telegram met zijn ontsnapping aan de dood.

Het Nederlandse Ministerie van Defensie nam echter wel direct maatregelen omdat men vreesde dat Hitler zo kwaad was geworden dat hij zijn legers zou laten uitrukken naar andere landen. Gaasterland had iets van die oorlogsdreiging gemerkt. Op last van het Ministerie van Defensie werd namelijk de vakantiekolonie “Mooi Gaasterland” in Rijs ontruimd. Zodoende meldde de “Graafschap Bode” op maandag 13 november 1939 dat de veertien “bleekneusjes” uit Gaanderen alweer thuis waren gekomen uit Rijs. De kinderen waren op 7 november 1939 vertrokken. De ontsnappingsgelukwens had dus kennelijk niet geholpen om Hitler gunstig te stemmen want een half jaar later werd ons land toch aangevallen. Doordat Koningin Wilhelmina en haar regering met dit soort acties Hitler probeerden te paaien, zal eraan bijgedragen hebben dat aarzelende mensen toe gingen treden tot de N.S.B. “Als Wilhelmina het goedvindt, dan vinden wij het ook goed”.

 

Uit bovenstaand artikel uit het Guestblad Historie, nr. 2.-2017 bleek dat Koningin Wilhelmina een opvangkamp voor Joden in Ermelo 1939 niet zag zitten nabij haar buitenverblijf Het Loo. Haar protest was succesvol en het kamp kwam uiteindelijk in Westerbork. Ook hier zullen de mensen gedacht hebben: “De Koningin weigert Joden en dus zal het wel goed zijn”.

Volgende