Joden in Gaasterland

De Joden in Gaasterland en Sloten

Op donderdag 3 oktober 1940 voerden de Duitsers landelijk enkele maatregelen in met een anti-Joods karakter. Eén daarvan was dat voortaan in uitgaansgelegenheden borden worden neergezet of opgehangen met de tekst: Voor Joden Verboden.

Wanneer was iemand nu een Jood? In haar in 2006 verschenen boek Theesurrogaat voor Sneek  schrijft Jantje Engelina Bazuin:

 ,,De Duitsers hadden in een verordening bepaald wie nu eigenlijk joods was. Dat was ten eerste iedereen die tenminminste drie naar ,,ras” voljoodse grootouders had. Ook wie uit twee ,,voljoodse” grootouders stamde en tot de joodse kerkelijke gemeente behoorde, of wie twee ,,voljoodse” grootouders had en zelf met een joodse man of vrouw getrouwd was, gold als joods. Om verwarring te voorkomen bepaalde de verordening ook dat grootouders als ,, voljood” golden wanneer ze tot de joodskerkelijke gemeente behoorden of hadden behoord. Criterium voor het behoren tot het ,,joodse” ras is dus eigenlijk de ,,kerkelijke” binding. Deze inconsequentie ten spijt was dit criterium van de nazi’s in het vooroorlogse Duitsland zeer bruikbaar gebleken. Daar onderscheidde men Volljude (vier of drie joodse grootouders), Mischling I (twee Joodse grootouders) en Mischling II (één Joodse grootouder). De kerkelijke registers werden veel geraadpleegd bij het onderzoek naar de vraag wie er allemaal als jood moesten worden aangemerkt. In het vervolg zouden de bezettingsautoriteiten vrijwel steeds de definitie van deze verordening volgen. De joden zelf gebruikten echter een heel ander criterium dan de Duitsers. Van oudsher was je joods als je een joodse moeder had, of na intensieve studie en oefening onder erkende rabbinale leiding als jood ,,uitgekomen” en toegelaten was. Dat criterium wordt nog steeds gehanteerd in orthodoxe kringen. De laatste decennia erkennen liberalen en niet-godsdienstigen ook ,,vaderjoden” en iedereen die zich om wat voor reden ook joods voelt en als zodanig aangemerkt wil worden."

Kerkelijke Jodenhelpers

Veel joden werden in oorlogstijd de helpende hand toegestoken om zich aan het nazibewind - en dus aan vernietiging te onttrekken. Jantje Bazuin wijdt in bovengenoemde haar boek hieraan een apart hoofdstuk met als titel: De kerken en de Joden: een heet hangijzer.

En toen de deportaties begonnen, dachten veel kerkmensen: de joden hebben Christus gekruisigd, en dat kruis moeten zij sindsdien zelf dragen, maar ze blijven toch Gods volk. Zo kon het gebeuren dat de gereformeerden, acht procent van de bevolking, een kwart van de ondergedoken joden verborgen. Daar had het voor het begin van de oorlog eerst niet op geleken. In de Gereformeerde Kerken overheerste een ander beeld en beleid. Daar liet Prof. Dr. H.H. Kuyper, die pro-Duits was en anti-Engels, zich voor de oorlog gelden. Zijn zoon zou later sterven als vrijwillige SS’er aan het Oostfront.

H.H. Kuyper was een zoon van de roemruchte Abraham Kuyper, theoloog, predikant, publicist, grondlegger en Tweede Kamer vertegenwoordiger van de Anti Revolutionaire Partij, die tenslotte Minister-president werd (1901-1905). Zijn bijnaam was ,,Abraham de Geweldige” (1837-1920). Hij was in zijn tijd meer op de hand van de Duitsers geweest, dan van de Engelsen, die immers onze ,,stambroeders” in Zuid-Afrika bestreden. Hij was kritisch op joden, die volgens hem de liberale pers beheersten en de liberale onderwijspolitiek steunden, die hij juist bestreed.

In 1936 hebben de Gereformeerde Kerken en de Rooms-Katholieke Kerk voor hun leden het lidmaatschap van de NSB afgewezen”. Na de invoering van de Jodenster stuurden de kerken een fel protest aan Seyss-Inquart, de Duitse leider in Nederland. Hierin werd aangekondigd dat op 26 juli 1942 de protestbrief zou worden voorgelezen vanaf de kansels samen met een Herderlijk Schrijven, dat onder anderen repte van de roeping van de overheid en de betekenis van het volk Israël. ,, Een overheid die haar grenzen overschrijdt en iets verlangt dat tegen Gods gebod is, ontaard in tirannie”.

De voorzitter van de Hervormde Synode werd ontboden bij de bezetter en hij kreeg te horen dat alle hervormde christen joden gespaard zouden worden als dit telegram niet voorgelezen zou worden. Voorzitter Dijckmeester ging akkoord. De katholieken hielden hun rug recht. Prompt werden zij gestraft met het onmiddellijk deporteren van alle katholieke joden. Een klein deel van de hervormde joden overleefden door het gebaar van de bezetter de oorlog, maar dat ging wel ten koste van de solidariteit van de Ned. Herv. Kerk met alle Joden.”

In Gaasterland zijn Jodenhelpers bekend die uit alle geledingen van de bevolking kwamen. Eén daarvan was Benjamin Herre Steegenga uit Balk die de schuilnaam Kuiper als eerbetoon aan Abraham Kuyper gebruikte. Ook de firmanten van de grossierderij in levensmiddelen in Balk, Cornelis de Vries en Bouke van der Wal hebben 70 joden naar Gaasterland gehaald en ondergebracht.

Verklaring van niet-Jood zijn

Donderdag 3 oktober 1940 voerden de Duitsers landelijk twee maatregelen in met een anti-Joods karakter. In de eerste plaats moesten voortaan in uitgaansgelegenheden borden worden neergezet of opgehangen met de tekst: "Voor Joden Verboden". Als tweede maatregel werden alle overheidsdienaren verplicht tot het inleveren van een niet-jood verklaring. Ook de gemeenteambtenaren van Gaasterland ontkwamen er niet aan. Zij werden allemaal opgeroepen om een verklaring van niet-jood zijn te ondertekenen, ook wel Ariërverklaring genoemd. In deze verklaring moest door middel van een handtekening worden verklaard, dat betrokkene zelf, de ouders en grootouders niet tot de joodse geloofsgemeenschap hoorden of behoord hadden. Er was wel enige ophef hierover, omdat door het zetten van de handtekening werd meegewerkt aan het opzetten en het in standhouden van een systeem dat de Duitsers zou helpen tot het in kaart brengen en vernietigen van alle joden. De ondergrondse pers publiceerde in oktober 1940, naar aanleiding van de gevraagde Ariërverklaring, een brochure: Bijna te laat!. De circulaire werd in een oplage van 50.000 exemplaren verspreid. De samenstellers van dit rondschrijven zagen dus al na vijf maanden bezetting in, dat het lot van de joden bezegeld was. Op 24 oktober 1940 werd door zes samenwerkende protestantse kerken een protestbrief geschreven aan de Duitse leiding in Den Haag.

Uiteindelijk tekenden alle 37 Gaasterlandse gemeenteambtenaren deze verklaring en met de documenten opgezonden naar het Departement van Binnenlandse Zaken en wel:
1 verklaring van burgemeester G.W.C.D. Baron Thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg.
5 verklaringen van de gemeentesecretarie.
1 verklaring van de gemeente-ontvanger.
1 verklaring van de controleur steunverlening/gemeentebode.
1 verklaring van het burgerlijk armbestuur
1 verklaring van het bosbedrijf  met 9 verklaringen van de afdeling Openbare Werken (architect, wegwerkers, straatschoonmakers, brugwachters en schoonmakers gemeentehuis).
5 verklaringen van de gemeenteveldwachters.
2 verklaringen van de afdeling belasting (deurwaarder en controleur vermakelijksbelasting)
3 verklaringen van de volksgezondheidsambtenaren ( 1 van de keuringsveearts en twee van doktoren).
5 verklaringen van het onderwijspersoneel ( openbare ULO school en openbare lagere school).
3 verklaringen van de distributiedienst.

Burgemeester Schwartzenberg van Gaasterland stuurde daarbij  ook een verplichte opgave van Joodse bedrijfseigenaren. Daarin schreef hij de naam van drogist Aldert Noordwal uit Balk. Schwartzenberg schrijft daarbij dat Noordwal van Joodse komaf is en dat hij nu bij de Nederlands Hervormde Kerk behoord. Het gezin is in Balk ongemoeid gelaten. Maar de schrik was groot toen het bericht kwam dat in het concentratiekamp Auschwitz  op 15 oktober 1942 de Joodse kleermaker Izaak Noordwal uit Amsterdam was vergast. Wat was  zijn relatie met Gaasterland?

Izaak was op 12 maart 1873 in Balk geboren als zoon van koopman Hartog Philippus Noordwal, geboren 21 december 1824 in Gorredijk en zijn moeder was de Joodse Ester Izaaks Keizer, geboren 8 juni 1835 in Amsterdam. Hartog en Esther waren 15 juni 1864 in de gemeente Blokzijl getrouwd. Het echtpaar had zich in Balk gevestigd en daardoor telde Balk één Joods gezin. Het gezin van Hartog Philippus vertrok met zijn gezin op 24 mei 1889 naar Amsterdam. In Balk werd Hartog Philippus herinnerd als een lange, brildragende en moeilijk lopende man.

De ouders van Izaak: Hartog Philippus Noordwal was op 21 januari 1857 in Leeuwarden getrouwd met Sara Le Grand uit Leeuwarden, oud 29 jaar. Zij overleed op 23 oktober 1857 in Leeuwarden in het kraambed bij de geboorte van Philippus Noordwal. De ouders van Sara waren Mozes Salomons Le Grand en koopvrouw Betje Berend de Vries.
Izaak was dus uit het tweede huwelijk van vader Hartog Philippus geboren. Izaak trouwde op 21 december 1904 in Arnhem met Heintje Nenk, geboren op 27 januari 1872 in Arnhem als dochter van Jacob Nenk, slager, en van Betje Vredenburg.. Hun zoon Hartog Noordwal, van beroep boekbinder, was op 16 augustus 1942 in Auschwitz om het leven gebracht. Op 12 oktober 1942 zijn Izaak Noordwal en zijn vrouw Heintje beiden op transport gezet van Westerbork naar Auschwitz. Dezelfde dag is ook Heintje Noordwal – Nenk vergast in Auschwitz. Izaak leefde voort in de herinnering als een zwijgzame, stille man die fysiek niet tot de sterksten behoorde.

Izaak Noordwal had een oomzegger in Balk. Dat was kaashandelaar en drogist Aldert Noordwal, geboren 5 september 1884 in Balk als zoon van kleermaker Philippus Noordwal en Iettje Klazes. Hij was getrouwd met Grietje Kuipers, geboren 20 maart 1886 in Driesum. Zij overleed op 10 december 1957 in Balk. Daarna vertrok Aldert Noordwal naar Den Haag. In Haarlem overleed hij op 21 februari 1965. Zowel de man als de vrouw zijn op het kerkhof in Wijckel begraven.

Kleermaker Philippus – uit het eerste huwelijk van Hartog Philippus - had zich bekeerd tot het christendom. Verder was hij actief geweest in de gemeentepolitiek in Gaasterland tussen 1900 en 1914. Er is een anekdote dat Philippus in de gemeenteraad regelmatig een grote mond opzette. In een raadsvergadering had hij burgemeester Gaaikema gevraagd “of die soms dacht dat het in Philippus zijn hoofd allemaal niet meer aanwezig was”. De burgemeester moet ad rem opgemerkt hebben dat “het in Philippus zijn hoofd alles nog wel aanwezig was maar dat het binnenin wat schots en scheef stond”.

 

Schema               Hartog Philippus Noordwal 1824-1897

1e huwelijk Sara La Grand                               

                                                                           2e huwelijk met Esther Izaaks Keizer

↓                                                                                                 ↓

Uit 1e huwelijk 1 zoon:                                     Uit 2e huwelijk 1 zoon

Philippus Noordwal (1857 – 1914)      Izaak Noordwal (1873 – 1942)

Getrouwd met Iettje Klazes                           Getrouwd met Heintje Nenk

↓                                                                                            ↓

Tien kinderen in Balk geboren:                 Zoon: Hartog Noordwal, geb. 03-01-1906 Amsterdam
1.Eelke Noordwal, geb. 10-10-1881           Overl. 16-08-1942 Auschwitz
Overl. 27-01-1890

2.Hartog Noordwal, geb. 18-01-1883

3.Aldert Noordwal, geb. 05-09-1884

4.Alexander Benjamin Noordwal, geb. 09-07-1887

5.Judith Noordwal, geb. 24-09-1889

6.Eelkje Noordwal, geb. 27-10-1891 om 13.00 uur en overl. 03-11-1891

7.Sara Noordwal, geb. 27-10-1891 om 13.30 uur

8.Ytje Noordwal, geb. 27-10-1891 om 14.00 uur en overl. 31-10-1891

9.Eelke Noordwal, geb. 28-03-1894

10.Philippus Noordwal, geb. 02-08-1901

Aldert Noordwal en Grietje Kuipers krijgen ook 1 zoon: Philippus Noordwal, geboren 2 juli 1925 Leeuwarden

 

Uit het archief van meester Twerda
Hendrik Twerda, schoolhoofd in Bakhuizen heeft uitstekende Friestalige archieven nagelaten betreffende Bakhuizen en de directe omgeving. In de Tweede Wereldoorlog was Twerda zelf ook bij diverse illegale activiteiten betrokken in Bakhuizen. Hij heeft over de Joden in Gaasterland onderstaand verhaal geschreven in de Friese taal dat hieronder in het Nederlands wordt weergegeven. In de Balkster Courant werden regelmatig de aantekeningen van Twerda gepubliceerd in de rubriek: ,, Út it argyf fan master Twerda”. (Uit het archief van meester Twerda). In zijn verhaal over de Joden noemt Twerda geen namen. De namen van de door hem beschreven “beide mannen uit Balk” zijn Cornelis de Vries en Bouke van der Wal. Zij waren levensmiddelengrossiers in Balk in de Dubbelstraat naast het oude raadhuis.

De Joden
Geen bevolkingsgroep waar het er zo voor op aan kwam in de tijd dat Hitler hier de baas was, als voor de Joden. Eerst in Duitsland, toen in Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije en later in Polen.
Ja, overal waar de Nazi-man Hitler zijn voet zette, zorgde hij voor maatregelen om het oude Joodse volk totaal uit te roeien. Geen enkel middel werd daartoe geschuwd.  Elke nieuwe maatregel was nog wreder dan de vorige. Maar dat hinderde hem niet want het Joodse volk moest volgens hem uit Europa verdwijnen. De Joden hadden volgens Hitler de meeste schuld aan al het leed, aan al het lijden, dat door de eeuwen heen over Duitsland gekomen was.

En daarbij kwam het onverteerbare vredesverdrag van Versailles in Frankrijk, waardoor Duitsland de oorlog van 1914-1918 niet als overwinnaar had kunnen afsluiten. Daarom moest het Joodse volk vernietigd worden. Niemand van hen mocht van Hitler in leven blijven. Vele rijke Joden in ons land zagen het zwerk drijven en vertrokken al voor de inval op 10 mei 1940 naar Palestina en naar Amerika, want zover zou de lange arm van Hitler voorlopig wel niet reiken.  Echter, het waren maar enkelingen die vertrokken. Toen legde Hitler zijn wrede hand ook op Nederland, waardoor het niet lang duurde of de Joden zaten in de hoek waar de klappen vielen. Hun bezit, hun beroepen, hun rechten moesten ze langzamerhand allemaal inleveren. Alle Joden moesten als herkenningsteken een grote gele ster op de borst dragen. En zo kwamen er steeds meer maatregelen. En uiteindelijk – nadat de Duitsers de adressen van bijna alle Joden op papier hadden staan – begonnen de deportaties naar de vernietigingskampen.

Aan deze persoonsadministratie hadden goedbedoelende ambtenaren meegewerkt die met mooie woorden de ogen waren dichtgeplakt. De Joden werden eerst naar het grote kamp Westerbork in Drenthe vervoerd en van daaruit naar Duitsland, Polen en Oostenrijk. Mannen, vrouwen en zelfs kleine kinderen. En wat gebeurde er dan? Wat zou er met hen gebeuren?  Heel Nederland werd er koud van. Wat hadden de Joden toch gedaan? Wat hadden de Nederlandse Joden Hitler aangedaan? Waarom moest dat onschuldige bloed worden vergoten? En meerdere mensen, al waren het er niet genoeg, staken de handen uit om te helpen. Het was gevaarlijk werk, ,,want”, zo zei Hitler, ,, die het voor de Joden opneemt, die wordt tot Jood gerekend”.

Ook in Gaasterland kwamen de Joden. Wanneer dat precies geweest is, is niet te zeggen omdat het allemaal zo stiekem moest gaan. Rondom heerste er het gevaar om verklikt te worden en niet in de allereerste plaats door de Duitsers. Och nee, die had in dit land van bossen en hoogten wel andere bezigheden. Maar een nieuwsgierige buurman of kletsende bodes konden ongewild veel meer kwaad doen. Echter sinds begin augustus 1943 ontstond er langzamerhand een begin van een organisatie. Dat kwam zo.

Eén van de twee Balkster firmanten in levensmiddelen moest rond die tijd voor zaken naar IJlst. Hij ging tijdens deze reis zijn moeder bezoeken. En natuurlijk kregen ze het al snel over de tijd van onderduikers en Joden. Toen zei de moeder: ,,ik neem een Jodin”. De Balkster firmant zei daarop: ,, wel nu, ik wil er ook wel een hebben”. En zo werd dat afgesproken. Toen hij weer thuiskwam sprak hij erover met zijn medefirmant en die besloot ook de deur open te zetten. En bij deze beide mannen bleef het niet. Zij werden gezamenlijk het adres voor de Joden in Gaasterland. Leo ten Brink, een Jood, was het contact tussen de organisaties in Sneek en Balk. De Sneker organisatie had de taak op zich genomen om de Joden uit het westen van Nederland hieronder te brengen. De meesten kwamen uit Amsterdam. Twee inwoners uit Joure, die nogal wat aandurfden, ondernamen zeer regelmatig de reis naar Amsterdam met de auto en zorgden dat alles vlekkeloos verliep voor de terugreis naar Friesland. Als het niet te zien was dat de medereiziger een Jood was, dan lieten zij op eigen initiatief en verantwoordelijkheid hem of haar naar Joure, Scharnegoutum of Sneek reizen.

De anderen namen zij zelf mee in de auto. Dat gebeurde niet met de boot maar met de auto omdat dat veiliger was. In de havenplaatsen Lemmer en Stavoren was veel controle door Duitsers en Landwachters op inkomende en uitgaande personen op de boot. Vanuit Joure, Scharnegoutum of Sneek werden de Joden ondergebracht in de Zuidwesthoek van Friesland. Zo kwamen er ook Joden in Gaasterland waarbij de meesten uit Sneek kwamen. De beide eerdergenoemde firmanten uit Balk hadden hier de organisatie vast in handen. Zij gingen meestal eerst op zoek naar onderduikplaatsen. En had men weer iemand gevonden die met zijn eigen leven als inzet de arme stakkers wilde helpen, dan werd direct telefonisch contact gezocht met de onderduikcentrale in Sneek met de vraag: ,,Kunt u ook een kostuum, een mantelpakje, een meisjesjurk of een paar jongenspakjes op zicht naar ons toesturen. En daarna duurde het niet zo heel lang of de auto kwam voor de zaak van de firmanten te staan en dan kwamen er weer één of twee van het ,,oude volk” uit de auto. Die auto kwam vaak, te vaak. Het werd in die tijd gewoon te zeggen: ,,zie, daar heb je de auto van de ,,Geheime Dienst” alweer. Daarom werd uiteindelijk maar gestopt bij de buren, Hotel Boonstra. Dat was wel zo veilig. De meeste Joden gingen naar Balk, Harich en Wijckel. Daar hadden de beide Balkster zakenlieden de meeste zakelijke contacten.

Als er ’s avonds tijdens spertijd niemand meer de weg op mocht, dan brachten zij de Joden naar het onderduikadres na eerst de politie gewaarschuwd te hebben. Die wisten dan wat er aan de hand was. In het prille begin viel het onder dak brengen niet mee. Ieder had daarvoor een bepaalde angst. Een gewone onderduiker, ja dat was meestal zomaar klaar. Maar een Jood? Nee, dat werd te gevaarlijk. Had men eenmaal iemand wel een onderduikadres kunnen geven dan bleef die daar ook, want de Gaasterlanders konden het over het algemeen goed met de Joden vinden. Natuurlijk waren er wel Joden die teveel in de openbaarheid kwamen. De meeste Jodinnen deden het voor de Friese vrouwen, waarvoor zij werkten, lang niet altijd goed, omdat zij vaak aan de ruige kant waren. Maar met anderen zaken ging het prima.

Vooral met de mannen, want zij pakten alle werkzaamheden aan die voor handen waren en zij sloegen zich er het beste doorheen. Had men de Joden eenmaal een onderdak kunnen geven dan was al het werk daarvoor nog niet klaar. Hun persoonsbewijzen moesten in orde zijn en de bestaande bewijzen leken nergens naar. Gelukkig maakten de beide Balkster mannen dat ook voor elkaar. Zij zorgden dat de ambtenaren in het gemeentehuis van Balk de nieuwe inwoners inschreven in het Bevolkingsregister met een nieuwe naam. Daarmee kregen de Joden een nieuw persoonsbewijs met een stamkaart, inlegvellen enz. Vooral de bonkaartenverstrekking gaf veel drukte want die haalden onze beide Balkster mannen zelf op. Dat was veel vertrouwder. En de verstrekking van persoonsbewijzen was ook zomaar nog niet klaar. Zo moest de vingerafdruk op het persoonsbewijs worden gezet en dat gebeurde meestal thuis. Dat kon omdat de gemeenteambtenaren in Gaasterland niet alleen vertrouwd waren, maar ook hielpen daar waar dat mogelijk was. Wat sommigen van de Gaasterlandse gemeenteambtenaren in die tijd gedaan hebben voor de verdrukten en verdrevenen, dat moet niet te licht worden geacht.

Zonder hun hulp had de Jodenaktie voor een groot gedeelte moeten mislukken. Want wie durfde het in die tijd aan om een Jood in huis te nemen zonder dat diens papieren in orde waren? Dat waren maar enkelen omdat het een erg gevaarlijke zaak was. Vooral in het laatst van 1944 toen de landwachters in Gaasterland omzwierven en hun intrek namen in het Gebouw voor Christelijke Belangen te Balk. Vanaf dat moment durfde niemand het meer aan. Wat gebeurde er als men de Duitsers en Landwachters eens op bezoek kreeg en de schuilplaats zou daarbij worden ontdekt: wat dan?

Toen werd er voor een paar Joden een nieuwe schuilplaats gezocht. Het werd wel niet een geriefelijke plaats maar wel een veilige plaats. Het was boven het plafond van de Hervormde Kerk in Balk. De kerk stond dichtbij het Gebouw voor Christelijke Belangen waarin de Landwachters waren gehuisvest. Maar geen landwachter die eraan dacht zo dichtbij eens even in de kerk te speuren naar Joden. Dat was maar goed ook want zelfs de ernaast wonende verantwoordelijke dominee (Ds. Schweitzer) was in die gevaarlijke tijd hiermee niet op de hoogte gebracht. Dat kreeg men pas door toen het gevaar voorbij was. Later, in begin 1945, werd het nog gevaarlijker. In heel Gaasterland kwam de Grüne Polizei om huiszoeking te doen. Zij doorzochten alles op onderduikers, wapens en Joden. In die periode van begin 1945 brachten de hongerevacuees de redding. Alle Joden kregen een vluchtelingenverklaring. Deze Joden werden voortaan aangeduid als hongerevacuees uit Roermond, Arnhem enz. Deze evacuees waren plotseling gevlucht en zonder persoonsbewijs en stamkaart van huis weggegaan. Zoiets kwam regelmatig voor. Op deze vluchtelingenkaart konden voortaan ook de bonkaarten gehaald worden.

Maar men moest nu wel elk moment op de hoede zijn voor gevaar. Dat wist zo langzamerhand iedereen die aan het stille verzet meedeed tegen de vreemde overheerser. Zoiets begrepen zelfs de kinderen. Zo was er eens iemand uit Gaasterland die een tijd lang drie Joden in zijn huis verborg. Bij hem in huis was een Jodin die als werkster fungeerde en nog twee anderen Jodinnen.

Deze twee laatsten kwamen nooit tevoorschijn. Toen kreeg hij op een avond visite van zijn schoondochter en zij zou een paar dagen blijven. Zij mocht natuurlijk helemaal niets weten van de aanwezigheid van de drie Joden. De schoondochter zou dit eens kunnen verraden. De volgende dag zou zijn dochter, een kind van ongeveer 12 jaar, de Jodin die als werkster optrad, een kopje thee brengen. Nadat ze dit gedaan had kwam ze terug en zei dat tante Truus zich niet goed voelde, want ze wilde direct nog graag een kopje thee. Even later was het 12-jarige kind al weer terug en zei dat tante Truus nog wel een derde kopje thee wilde om aan te sterken. Zij moest dus wel ziek zijn. Maar van dat tweede en derde kopje thee heeft tante Truus geen druppel gedronken. Zij had de kopjes heel stil naar boven gebracht naar het kamertje waar de beide andere Jodinnen zaten. Deze bezorgprocedure had het 12-jarige kind zelf uitgevonden.

 Toen de schoondochter na drie dagen weer vertrok, had zij helemaal niets gemerkt van de beide Jodinnen hoewel beide dames op tijd hun natje en hun droogje kregen. Voor iedere Jood werd kostgeld betaald. Voor een man en een vrouw gezamenlijk werd honderd gulden per maand vergoed, voor ieder kind een bedrag van veertig gulden per maand. Wie van de Joden dat zelf kon betalen die deed dat. Voor de anderen regelde de Jodenorganisatie het kostgeldbedrag. Het kostgeldbedrag was laag, het was bijna niets wat er voor Joden uit het westen van het land werd gevraagd. Maar het was onze Gaasterlanders dan ook niet om het kostgeldbedrag te doen maar om te redden wat er te redden viel. Van de ruim 100 Joden in Gaasterland en in Sloten die in Gaasterland waren ondergebracht zijn er 70 door de beide eerdergenoemde mannen uit Balk hier gebracht. Je kunt je voorstellen dat het een heel bedrag is geweest dat betaald moest worden. Er moest niet alleen geld voor Joden komen maar ook voor andere onderduikers. Daarom werd al snel het N.S.F. opgericht, het Nationale Steunfront. Deze organisatie zorgde ervoor dat in geheel Nederland geld werd ingezameld voor het illegale werk. De leiders van de organisaties in Gaasterland en Sloten deden alles gezamenlijk. Voor het verbergen van Joden en onderduikers hebben ze nooit een vergoeding gevraagd of gekregen. Zij hebben alle financiële zaken zelf geregeld. Vanaf halverwege 1943 tot aan de bevrijding hebben zij zestigduizend gulden bij elkaar gebracht. Voor Gaasterlandse gevallen werd tweeënvijftigduizend gulden uitgegeven. Er bleef dus nog achtduizend gulden over dat naar de ondersteuning van oorlogsslachtoffers is gegaan.

Hulde voor al dit werk.

Cornelis de Vries, werd geboren op 23 februari 1904 in IJlst als zoon van Jan de Vries en Geertje Nauta. Hij was van beroep grossier. Godsdienst Ned. Hervormd. Hij trouwde 9 mei 1928 in Workum met Anneke Mink, geboren op 4 januari 1903 als dochter van Johannes Mink en Oedske Bakker. Zij woonden in de Raadhuisstraat 8 in Balk. Cornelis de Vries overleed 24 december 1962 in Balk en Anneke Mink op 12 februari 1963 in Leeuwarden.
Er werden 5 kinderen geboren: Anneke Oedske; Geertje; Johanna; Jan IJbele en Oeke Trijntje.

Cornelis de Vries schreef in een verslag dat zijn illegale activiteiten bestonden uit het helpen van onderduikers, geld ophalen en het verspreiden van het illegale blad Frontnieuws.  Hij was daartoe aangezocht door Leo van Gelder en later door Boonstra en Wiersma, beiden uit Joure. Hij schreef direct met illegaal werk begonnen te zijn en vanaf 1 mei 1943 in georganiseerd verband. Zijn motief was het bestrijden van het Nationaal Socialisme. Hij werkte in georganiseerd verband voor de LO District Sneek en was daarin bestuurslid van de afdeling Gaasterland en Sloten. Hij had daarbij voor District Sneek als contactpersonen Leo, Sjoerd, Dries en iemand waarvan de naam onleesbaar is. Hij schreef eerst dat hij achtendertig onderduikers had geplaatst en verzorgd. Dat aantal streepte hij weer door en daarvoor vulde hij in: ‘Onbekend’. Zij kwamen uit Leeuwarden, Amsterdam, Arnhem, Zwolle en Haarlem.

Daarbij waren ook belangrijke onderduikers geweest. Ook gaf hij aan dat hij valse persoonsbewijzen had verstrekt maar hij wist niet precies hoeveel. Ook het aantal ,,Z-kaarten” en bonkaarten wist hij niet precies meer en daarom vulde hij daarbij het woord ‘veel’ in. De bonkaarten ontving hij van het kantoor in Balk. Ook gaf hij aan piloten te hebben verzorgd. Tenslotte schreef hij dat hij over al deze zaken contact kon hebben met het districtsbureau, het arbeidsbureau, het gemeentehuis en het politiebureau allemaal in Balk. Hij had regelmatig gelden ingezameld voor de LO, NSF, illegale Pers en B.B.C. nieuws (voor al het Frontnieuws). Voor het BBC nieuws had hij f. 3000,00 ingezameld (€ 1350) en voor LO en NSF f. 50.000,00 (€ 22.000).

Bouke van der Wal werd op 12 maart 1902 in IJlst geboren als zoon van Durk van der Wal en Weltje Nooitgedagt. Hij trouwde 20 april 1927 in Hemelumer Oldephaert en Noordwolde met Eelkje de Goede. Zij woonden aan de Harichsterzijde 45, Balk. Zijn beroep was grossier. Zij vertrokken naar Joure op 16 juni 1967.
Kinderen: Durk; Jan; Marijke; Weltje; Okke; Nellie Bregtje; en Trijntje Anna.

Bouke van der Wal hielp bij de verspreiding van het Frontnieuws, het plaatsen van onderduikers, haalde geld op en begon op eigen houtje een radioluisterpost al vanaf het begin van de bezetting. Hij was betrokken bij het georganiseerd illegaal verband als penningmeester van LO Gaasterland en Sloten. Hij sloot zich hiervoor aan bij Leo van Gelder en later bij Boonstra en Wiersma uit Joure. Van der Wal is nooit ondergedoken en sliep weliswaar niet thuis maar wel in Balk. Hij had een vals persoonsbewijs op naam van Haring Hoekstra. Hij wekte anderen op om illegaal te werken zoals Petronella Kuiper, Piet de Jong (Distributie) en Simon Helder (secretarie). Hij had een onbekend aantal onderduikers geplaatst. Volgens zijn verklaring had hij 37 Joden geplaatst en verzorgd.

Het waren Joden uit Leeuwarden, Amsterdam, Arnhem, Zwolle en Haarlem. Ook heeft hij legio persoonsbewijzen gewijzigd of laten wijzigen, alsmede een niet te tellen aantal bonkaarten die van het distributiekantoor in Balk afkomstig waren. Ook had hij piloten verzorgd. In 1943 verstrekte hij onderdak aan belangrijke onderduikers van LO- en de KP centrale. Tenslotte zamelde hij regelmatig geld in voor LO, NSF en Frontnieuws. Voor het BBC-nieuws verzamelde hij maar liefst f. 3000,00 (€ 1.350,=) en vóór 1 april 1944 een bedrag van f. 30.000,00 (13.500) voor LO en NSF. Na 1 april 1944 was dat f. 20.000,00 (€ 9000).

Joden in Gaasterland
De ondergedoken Joden werden niet in het bevolkingsregister ingeschreven. Van één persoon is bekend dat dit wel is gebeurd maar met een geheel andere naam en valse persoonsgegevens. Het betrof de Joodse onderduikster Catella Jessurun Geraldine Korthals-Spinossa. Zij was ondergedoken bij het gezin van de familie G.W.C.D. Baron Thoe Schwartzenberg en Hohenlandsberg, de burgemeester van Gaasterland. Je moet dat als burgemeester maar aandurven, terwijl de Duitsers op de meest gekke momenten bij je kunnen aanbellen voor diverse oorlogszaken. Maar de inschrijving gebeurde op een zeer gewiekste manier door met buitenlandse woonplaatsen te werken waar de Duitsers niet konden controleren. Bewijsstukken van bv. geboorte en huwelijk konden niet worden geleverd.

In het Friesch Dagblad van 5 februari 1946 werd een artikel gewijd aan de aanwezigheid van Joden in Gaasterland. Er liep een rechtszaak hierover tegen fotograaf Tjeerd de Vries uit Bakhuizen. Hij had foto’s gemaakt van personen met Joods bloed ten behoeve van het door de gemachtigde van het Afstammingsonderzoek te verrichten rasonderzoek. Door foto’s te maken van deze Joden ontstond er voor hen meer gevaar voor deportatie. Maar nu kwam met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te staan dat De Vries de Joden, of diegenen waarvan men dacht dat ze het waren, op eigen verzoek had bezocht, al of niet in gezelschap van dr. Haring Tjittes Piebenga, die een zekere vermaardheid als rassendeskundige genoot.  Dr. Piebenga kreeg de opdracht van deze mensen, die of gevaar liepen, of reeds opgesloten waren, hun niet-Joodse afkomst te bewijzen en de Vries maakte foto’s van hen. Zijn verdediger, Mr. A.W. Haan, was dan ook van oordeel, dat er helemaal geen reden bestond om op beschuldigde de Vries, die geen   NSB-‘er was, enige maatregel toe te passen. Het Tribunaal wilde nog een desbetreffende verklaring van Dr. Piebenga hebben. In afwachting hiervan werd de  onmiddellijke invrijheidsstelling gelast.

Op 6 april 1946 werd bekend gemaakt  dat fotograaf Tjeerd de Vries geheel werd vrijgesproken, omdat uit de getuigenverklaring van Dr. Piebenga bleek, dat dit fotograferen geschied was op verzoek van de betrokkenen zelf.

Hoeveel Joden er totaal in Gaasterland waren is niet exact aan te geven. Uiteraard was hiervan geen centrale administratie aanwezig. Volgens opgave van de Vereniging Friesland 1940-1945 hebben zich 1.914 joden aangemeld bij één van de vijf districten waarin de Friese L.O. verdeeld was. In Sneek waren dat er 870, in Dokkum 464, in Drachten 320, in Leeuwarden 200 en in Stiens 70.

Het district Sneek besloeg bijna de helft van het provinciaal grondgebied met de gemeenten Baarderadeel, Bolsward, Doniawerstal, Gaasterland, Haskerland, Heerenveen, Hemelumer Oldephaert en Noordwolde, Hindeloopen, Lemsterland, Rauwerderhem, Sloten, Sneek, Weststellingwerf en Wonseradeel. Wel moet hierbij worden opgemerkt dat in het rayon Sneek nog niet de helft van het Friese inwoneraantal was gevestigd: veel gemeenten waren slechts dun bevolkt. Er zijn twee lijsten bekend waarin gegevens over in Gaasterland verblijvende Joodse onderduikers staan geschreven. Het betreft een lijst van Benjamin Herre Steegenga uit Balk, de verzetsleider van Gaasterland. De tweede lijst is een opsomming van in het district Sneek ondergedoken Joden. Deze lijst is afkomstig uit de archieven van de Vrienden van Sneek 1940-1945. De auteur is onbekend. De beide lijsten zijn hieronder samengevoegd.

Tenslotte is gebruik gemaakt van de onderduikerskaarten in Friesland bij Tresoar. De overigen zijn door eigen onderzoek aan deze lijst toegevoegd.

Aardewerk, Louis 2-11-1918 Amsterdam de Vlugt, Wijckel 191A
Idem Idem Idem J. Faber, Wijckel
Aron, Minnaa 14-3-1920 Amsterdam R. van Dijk, Ruigahuizen
Bakker,Mozes 26-04-1868 Hattem R. Duister, Nijemirdum
Bamberg, Esther 12-11-1891 Midwolda Oosteinde 16,Balk
Barend, Philip en 1 kind 13-03-1917 Groningen J. de Vries, Oudega
Barend-v.d. Kar, Betty M 5-3-1917 Idem Idem
Blankestein, Familie     Mirns
Boas, Levie 19-7-1892 Den Haag Westerend Harich 149
Boas-Alter, Rebecca 11-10-1918 Idem Idem
Boekdrukker, Alize 4 jaar   H. Hoogeveen, Balk
Bouscher, Alex 5-1-1880 Zwolle J.B. Schurink, Rijs
de Bruin-Italie, Henriette 17-8-1894 Leeuwarden Jac. Strikwerda, Balk 17
de Bruin,  Bettie 12 jaar   A.de Boer, Wijckel
Cats, A 16-03-1889   Schippers, Wijckel
Cats-Teybets (of Trijbits), Alida 24-02-1887   Schippers, Wijckel
Cats, David M 4-2-1898 Rotterdam V.d. Vlugt, Wijckel
Cats, Elli      
Cohen, Ellen 1-8-1925   Bakhuizen
Cohen, Joseph 21-7-1890 Amsterdam A. Groen, Harich 82
Cohen-Jas, Lena 9-9-1892 Idem Idem
Cohen, K      
Cohen, Max      
Cohen, Rotie      
Colthof en echtgenote     H.Dobma, Oudega
van Dam, Freddie 15 jaar   Sj. Faber, Wijckel
van Dam, Rosette 25-2-1915 Amsterdam De Vries, Balk 350
Dasberg, Herman 14 jaar   Van der Wal, Harich
Vaz Dias, Benjamin 26-7-1907 Maarn Van der Wal, Balk
Vaz Dias-Noch, Wilhelmina 10-3-1912 Idem Idem
van Gelder, David     Lauwerse, Wijckel
van Gelder-van Bever, Elizabet     Lauwerse, Wijckel
Halberstadt, Louis 23-05-1903 Amsterdam Wijckel 67
Halberstadt-Van Naarden, J 25-09-1909 Idem Idem
Jacobs, Asser 15-02-1886 Leeuwarden Balk, Oostende 16
Jacobs-Bramberg, Esther 12-11-1891 Leeuwarden Idem
Jansens en echtgenote en 1 kind      
Jonker, Herman 3 jaar   Y. de Jong, Wijckel
Kisch, Hartog Herman 31-08-1895 Amsterdam Jet van Hes, Oudemirdum
Kisch-van Vlijmen, Belia 18-6-1900 Idem Idem
Klein, H.P. 10 jaar   Konst, Bakhuizen
Koppels, Arend 27-05-1901 Naarden J.A.de Vries,Oudemirdum
Koppels-Laurie, Sadie 8-8-1902 Idem Idem
Korthals-Spinossa, Catella Jessurun G 21-07-1896 Den Haag Burgemeester Schwartzenberg
Krant,Samuel 12 jaar   Jac. De Graaf, Balk
Krant, Emanuel 13 of 15 jaar   S. Bokma, Harich
Logcher, Siegfried 6-4-1906 Rijswijk Hotel Jans, Rijs
Logcker-Kalker, Reina 17-04-1907 Idem Idem
Maykels, Elisabeth 15-10-1917 Idem Idem
Maizot, Elizabet     B. Hoekstra, Balk
Mok, Philip 6-8-1910 Amsterdam v.d.Veer, Bakhuizen MB168
Van Naarden, Louis 5-5-1908 Amsterdam Bokma, Harich 158
Van Naarden-de Jong, Elisabeth E 22-3-1913 Idem Idem
Nogendorff, Paul 12 jaar   Terwisga, Balk
..as,Rebecca 29-12-1876 Amsterdam Wijckel 67
Pomerans, Jozef 12 jaar   H. Postma, Nijemirdum
Rijnsdorp, Rebecca     J. de Ruiter, Harich
Sanders, Louis (kunsthandelaar) 13-02-1905 Leeuwarden Everaas, Sloten; daarna de Boer, Wijckel en daarna Piet de Boer,Balk
Sanders-Polak, Froukje 30-05-1907 Idem Idem
van der Sluis     Piersma, Balk
Van der Sluis zijn echtgenote     Idem
Trijbits, Alida 24—2-1887   Balk B382
Vadias, B     B.v.d.Wal, Balk
Vecht, Abraham H 21-05-1926 Rotterdam Hotel Jans, Rijs
Verduin, Emiel 10 jaar   P. Klijnsma, Ruigahuizen
Verduin, Inneke 11 jaar   Harm Sinnema, Nijemirdum
de Vries, Louis Abram 23-05-1915 Amsterdam Voorstreek 115, Sloten
de Vries-Scheffer, Elisabeth 28-02-1916 Amsterdam Idem
Vissel, Izaäk 24-08-1890 Bussum Tj. Albada, Mirns
Vissel-Wans, Esther 21-04-1893 Bussum Idem
Vissel, Jacob Karel 3-5-1927 Bussum Idem
Vissel, Henrica Mia 27-09-1928 Bussum Idem
Vissel, Nico Bert 31-7-1934 Bussum Idem
Vromen, A     W. Lootsma, Harich
Vromen, A zijn echtgenote     Idem
Wolf, Helena 18-11-1921 Den Haag Veenstra, Balk
Wijnbergen, Abraham 12 jaar   Huisarts v.d.Bijllaardt, Balk

Het echtpaar Asser Jacobs en Ester Jacobs–Bramberg

De Leeuwarder Courant van 29 april 2017 heeft op bladzijde 7 van de bijlage "Sneon en Snein" aandacht besteed aan het echtpaar Jacobs-Bramberg, die vanaf 1943 waren ondergedoken op het Oosteinde 16 in Balk bij de familie Jacob de Graaf (1902) en zijn echtgenote Trijntje de Graaf-de Kroon(1900). Ze worden genoemd in het verhaal over het handelen in de oorlog van Ida Jetskalina (Iet van Dijk), geboren op 18 oktober 1919 in Winschoten. Zij smokkelde meer dan 100 Joodse kinderen van Amsterdam naar Friesland.

Het echtpaar Jacobs–Bramberg kwam uit Leeuwarden. Hun mooie woning aan de Emmakade was door de NSB’ers opgeëist. In Balk werden ze als twee "familieleden" in het gezin van de familie de Graaf opgenomen. De kinderen noemden hen oom Kees en tante Margje, maar de buren wisten wel dat Jacob en Trijntje een Joods echtpaar onderdak verschafte. Er waren hen valse identiteitsdocumenten verschaft met de namen Kees Dijkstra en Margje Dijkhuis. Dankzij die papieren konden ze vrij bewegen, in ieder geval in huis. In tijden van acuut gevaar zaten ze verstopt in een geheime ruimte onder de vloer. Die ruimte was zo groot dat ze daar konden staan. Nachts kon het echtpaar soms wel even naar buiten voor een wandelingetje.

Zij waren alles kwijtgeraakt en na de oorlog kregen ze de woning niet terug. Er werd hen een woning aangewezen aan de Bijenhofstraat. Het werd een teleurstelling want deze woning was van een aanmerkelijke mindere stand. In 1946 kwam het echtpaar Jacobs er achter dat ze een kleinzoon in Amsterdam hadden. Hun beide dochters bleken te zijn omgebracht. Dochter Bep was in begin 1944 bevallen van een zoon en daarna verraden. Onder politiebewaking werd zij met haar zoon naar het St. Elizabeth Gasthuis in Haarlem overgebracht. Het verzet slaagde er alleen in het jongetje te redden. Bep Jacobs wist nog op weg naar Westerbork een briefje uit de trein te gooien met de mededeling dat haar zoon Arthur Jacobs moet gaan heten. Daarna werd zij vermoord in Auschwitz. De Jodenhelpster Iet van Dijk wierp zich op als zijn moeder en schreef hem in met de namen Steven Johannes van Dijk. Dit alles gebeurde dus in een tijd dat de grootouders van Arthur in Balk verbleven. Toen zij daarna vanuit Balk weer naar Leeuwarden vertrokken, kregen zij het bericht van een nog levende kleinzoon. Arthur kwam bij hun inwonen en werd in de Joodse traditie opgevoed. Hij heeft er voor gezorgd dat het echtpaar de Graaf-de Kroon postuum op woensdag 25 september 2019 in Leeuwarden de Yad Vashem (Rechtvaardigen onder de Volkeren) oorkonde en medaille kreeg uitgereikt. De zonen Albert en Hette de Graaf namen de onderscheiding aan uit handen van een diplomaat van de Israëlische Ambassade.
Naast het echtpaar Asser uit Bloemendaal was ook de 12-jarige Samuel Krant (schuilnaam Jan Haga) meegekomen en ondergebracht bij de familie de Graaf. Alle drie personen waren slechts met enkele koffers naar Balk gekomen.  Aan de achterkant van de woning aan de Meerweg was een kamer gebouwd waar de onderduikers woonden. Timmerman Dijkstra had er onder een grote kelder gemaakt waar ze zich konden verstoppen. Het echtpaar Jacobs had daarin zijn eigen huishouding. Jan Haga draaide gewoon mee in het gezin en dat kon omdat hij niet een echt Joods uiterlijk had.Samuel Krant vertrok na de bevrijding naar Amsterdam en later naar Amerika.

ALIZE BOEKDRUKKER

In de Balkster Courant van 13 december 2018 stond dat Alize (Liesje) Boekdrukker van 1942 – 1945 ondergedoken was bij de familie Hans Hoogeveen en Geertje Hoogeveen-Bakker op het adres Lytse Side 12 in Balk. De familie Hoogeveen had daar een metaalbedrijf. Alize Boekdrukker was in 1940 in Amsterdam geboren.

 

Wreedheden
In het Vrije Volk van 4 mei 1948 is een artikel gewijd aan iemand die wreedheden beging tegenover twee Joden die in Balk waren gepakt. De slachtoffers waren vader en zoon Jozeph en Juda Levie. Van deze beide Joden is in Gaasterlandse boeken, geschriften en verhalen niets bekend.

“Toen de 24-jarige Gerrit Klut voor de eerste maal voor het Bijzonder Gerechtshof te Rotterdam verscheen, eiste de procureur-fiscaal de doodstraf tegen hem. Een vonnis werd toen nog niet tegen hem uitgesproken; het Hof liet een psychiatrisch rapport over de man samenstellen en maandagmiddag werd zijn zaak opnieuw behandeld. Nu luidde de eis twintig jaar gevangenisstraf. Klut was opgegroeid in een vurig NSB-milieu. Als jongen van zestien jaar meldde hij zich reeds voor de SS. Dat was in het begin van de oorlog. Hij kreeg zijn “opleiding” in München; werd naar het front gestuurd; streed voor de Duitsers in Polen; werd daar gewond en na veel omzwervingen kwam hij terug in Nederland. Daar maakte hij zich nuttig voor de Groot-Germaanse gedachte als SD-er. Hij was feller dan menige Duitser en toen de SD nabij het Friese plaatsje Balk weer eens een goede vangst hadden gedaan, - twee ondergedoken Joden, Jozeph en Juda Levie, vader en zoon – mishandelde hij hen in Zwolle waar toen zijn standplaats was. Hij draaide de boeien van de zoon zó geniepig aan, dat het vlees er uit werd geperst; hij sloeg de vader zó hard in het gezicht dat het gebit van de man werd verbrijzeld…

Mr. Donker, de procureur-fiscaal, gevoelde ook nu eigenlijk het meest voor de doodstraf, maar omdat Klut wel niet tot die straf zou worden veroordeeld, eiste hij ditmaal twintig jaar gevangenisstraf”.

 Ondergedoken in Fryslân

Op www.ondergedokeninfryslan.nl staan van plm. 1600 onderduikers in Fryslân de persoonsgegevens met foto. Hiervan zijn 17 personen met foto die in de gemeente Gaasterland verbleven. De bruine horizontale streep op de pasfoto is van het verroeste nietje op de pasfoto.

Rosette van Dam, ondergedoken in Balk

Alex Boucher, ondergedoken in Rijs

Henriëtte de Bruijn-Italië, ondergedoken in Balk

Mozes Bakker, ondergedoken in Nijemirdum

Philip Mok, ondergedoken in Bakhuizen

Elisabeth de Vries - Scheffer en Louis Abram de Vries Echtpaar verbleef in Wijckel en Sloten

Hartog Herman Kirsch en Belia Kirsch - van Vlijmen. Echtpaar verbleef in Balk

Familie Roos. Zij verbleven in oorlogstijd als onderduikers in Hotel Jans in Rijs. Tweede van rechts is hotelhouder Jans. Foto; Archief van A. Olivier.

Louis Sanders en Froukje Sanders - Polak. Echtpaar verbleef in Balk

Lena Cohen - Jas en Joseph Cohen. Echtpaar verbleef in Harich

Benjamin Vaz Dias en Wilhelmina Vaz Dias - Noach. Echtpaar verbleef in Balk

Joodse dankdienst in Balk

Op 9 mei 1945 organiseerde Benjamin Vaz Dias, een Joodse onderduiker bij Bouke van der Wal in Balk, een dankdienst in de Nederlands Hervormde Kerk in Balk om 14.00 uur. Hiervoor waren alle ondergedoken Joden in Gaasterland uitgenodigd. Vaz Dias ging als eerste in deze dienst voor en daarna kwamen de voorgangers van de kerken uit Balk. De orde van dienst is in de familie van Vaz Diaz bewaard gebleven. ( Met dank aan Miriam Vaz Dias)

Beschikbaar gesteld door Miriam Vaz Dias

De familie Barend in Oudega

Er zijn meerdere verhalen geschreven over het verblijf van het onderduikersgezin van Philip Barend bij het kinderloze echtpaar Jelle de Vries en Jeltje de Vries – Haga in Oudega. Zij hadden een -inmiddels afgebroken - boerderijtje met 30, 35 koeien aan de Ige Galamawei in Oudega. Het verhaal is ook bekend geworden omdat de tv-persoonlijkheid Frits Barend (1947) een zoon is van het echtpaar Barend. Het eerste gedeelte is een samenvatting, samengesteld uit meerdere boeken en publicaties. Het tweede verhaal is overgenomen van de toenmalige site www.bevrijdingsverhalen.nl. Het is geschreven door de echtgenote van Frits,  schoondochter Marijke Barend–van Haeften. 

Bij een razzia,  op zoek naar onderduikers, in Oudega begin 1945, klopt een Duitse soldaat en een landwachter op de boerderijdeur van het echtpaar Jelle de Vries (1909) en Jeltje de Vries – Haga (1911). Jeltje opent de deur en aan haar wordt gevraagd of zij onderduikers in huis hebben. De landwachter ziet een vrouw achter Jeltje staan met een Joods uiterlijk. Hij zegt haar dat zij mee moet naar het politiebureau in Sneek.

Deze vrouw is Betty Barend–van der Kar (1917). Met haar man Philip Barend en de zoon Abraham Philip “Bert” (september 1942) zijn zij hier bij dit echtpaar al vanaf 1943 hartelijk welkom geweest als onderduiker. Het gezin Barend is eind 1942 uit Amsterdam opgehaald door Bouke Van der Wal uit Balk, de groothandelaar in levensmiddelen. Deze werkt samen met de Jouster Jodenhelpers Sjoerd Wiersma en Uilke Boonstra.

De familie Barend is in eerste instantie gastvrij - en zonder vergoeding -  ondergebracht bij de familie Bosma in Wijckel; een gezin met 4 kinderen. Na twee maanden wordt een nieuw onderduikadres gevonden in Harich maar na vijf maanden vertrekken ze weer omdat ze zich daar niet meer veilig voelen. Daar komt nog bij dat ze daar moeten betalen.

Gelukkig wordt de familie De Vries bereid gevonden het gezin Barend op te nemen. Vanaf het begin is er bij zowel de familie De Vries als bij het gezin een warme en hechte band.

Jelle en Jeltje de Vries met Bert Barend. Foto overgenomen van www. db.yadvashem.org

Bij haar aanhouding moet mevrouw Barend direct mee en ze wordt op een tandem gezet. Zij weigert daarbij om mee te trappen. Haar man, haar zoon Bert en Jelle de Vries zijn op het land aan het werk en zijn niet aangehouden. Mevrouw Barend is begin 1945 op transport gezet naar Westerbork waar zij tot aan de bevrijding gebleven is.
Direct na de bevrijding stapt Philip Barend op de fiets om in Westerbork te informeren naar de verblijfplaats van zijn vrouw. Hij komt daar niet aan want onderweg bij Wolvega komen ze elkaar al tegen. Mevrouw Barend is al lopend op weg gegaan naar Oudega. In de periode van aanhouding tot aan de bevrijding was zij sterk vermagerd, maar gelukkig was ze nog gezond en nu helemaal vrij.

Het portret door Marijke Barend–van Haeften

Frits Barend kreeg bij zijn geboorte in 1947 als tweede naam de naam 'Jelle' mee. Het is een verwijzing naar de oorlogsgeschiedenis van zijn ouders die lange tijd samen met zijn broertje Bert in Friesland ondergedoken zaten. Zijn moeder, Betty Barend-van der Kar (1917), werd in maart 1945 opgepakt en naar kamp Westerbork gebracht.

Betty van der Kar werd in 1917 geboren als eerste kind van Sophia Polak en Philip van der Kar. Na haar zouden nog een broer en zusje volgen, Sieg en Mary. Eerst later zal blijken dat haar ouders, Sieg en Mary diep in het verzet zaten.

Aan het begin van de oorlog trouwde ze met Philip Barend – roepnaam Flip. Dat was mede op aandringen van haar schoonouders, omdat allen toen nog hoopten dat een huwelijk een soort bescherming zou bieden tegen de praktijken van de nazi’s. De gedachte daarachter was dat Joodse families met eventuele kinderen bij elkaar zouden mogen blijven en ontzien werden in de “werkkampen” in Polen en Duitsland. Al was het huwelijk in januari 1941 dus een “oorlogshuwelijk” en hadden donkere wolken zich boven Nederland samengepakt, het werd ook in oorlogstijd uitgebreid gevierd. Vreugde gaat voor verdriet in de Joodse traditie en het was destijds net als nu weer gebruikelijk, groots uit te pakken met allerlei optredens en een mooi diner.

Het feest vond in Amsterdam plaats in het populaire gebouw Eik en Linde op de Plantage Middenlaan, vlak bij de Hollandsche Schouwburg en midden in de zogenaamde Jodenbuurt. Er werd een feestelijke “Mode-Show Revue” aan het bruidspaar aangeboden. Als ceremoniemeesters fungeerden de broers van de echtelieden, Sieg van der Kar en Maurice Barend. Een oom en tante van de bruidegom hadden de revue geschreven, terwijl een goede vriendin met de “revuegirls” diverse dansen en liedjes had ingestudeerd. De namen van alle genodigden die optraden, stonden in een draaiboek. Het is achteraf uiterst wrang om te weten dat nauwelijks twee jaar later al meer dan de helft van het revuegezelschap was vermoord. Kort na hun huwelijk verhuisde het jonge echtpaar Barend naar Groningen. Flip ging er als vertegenwoordiger van de Amsterdamse textielfirma Alex Meijer werken, het familiebedrijf van een oom. Abraham Barend, de vader van Flip, werkte er ook.

Halverwege 1942 al werden vader en zoon Barend naar een werkkamp voor Joden in Orvelte gestuurd, op vier kilometer afstand van doorvoerkamp Westerbork. Daar moesten ze heide ontginnen en aardappelen rooien. Sinds oktober 1941 hadden de nazi`s een veertigtal van dat soort kampen ingericht. Ze fungeerden in feite als wachtkamers voor verder transport naar Westerbork en de vernietigingskampen.

Betty was inmiddels zwanger en eind september 1942 uitgerekend. Daarom vroeg ze bij het Gewestelijk Arbeidsbureau tijdelijk verlof aan voor haar man, zodat hij aanwezig kon zijn bij de geboorte van hun eerste kind. Dat werd hem voor maximaal twaalf dagen verleend, van ongeveer drie dagen voor tot negen dagen na de geboorte.

In Groningen werd op 23 september in het ziekenhuis een zoon geboren.  Eenmaal in dat ziekenhuis “schonken” medici de jonge vader Flip een besmettelijke ziekte. Ze verklaarden dat het medisch onverantwoord was hem terug te sturen naar Orvelte en hielden hem uit voorzorg in quarantaine in een ziekenhuisbed. De Duitsers waren als de dood voor besmettingen en geloofden de artsen. Die redden daarmee uiteindelijk zijn leven. Betty’s schoonouders werden begin september al doorgestuurd richting Auschwitz en werden nog voor de geboorte van hun eerste kleinzoon vermoord.

Met man en kind verliet Betty na een paar dagen midden in de nacht het ziekenhuis. Twee dagen later werd de baby, slechts in aanwezigheid van zijn ouders, door een lokale moheel volgens de officiële rabbinale rituelen besneden en kreeg hij de naam Abraham Philip, roepnaam Bert. In de loop van 1943 begaf het jonge gezin Barend zich, op last van de bezetter, naar Amsterdam. Ze moesten op de Tugelaweg in Oost gaan wonen. Daar werden Joden van buiten de stad samengebracht omdat ze dan makkelijker opgehaald konden worden en naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Die schouwburg fungeerde als verzamelpunt voor Joden die naar Westerbork werden doorgestuurd. Betty had al een koffertje voor haar zoon, man en zichzelf klaargemaakt, maar haar man overtuigde haar dat ze het huis moesten verlaten.  Hij zegt: ‘We laten ons niet ophalen; we gaan hier weg en lopen naar je ouders in de Molenbeekstraat.’

Wanneer ze daar een dag zijn, wordt er in de middag hard gebeld. Die ochtend had Betty’s jongere zuster Mary op straat een buurvrouw gesproken die vroeg hoe het met haar oudere zuster en haar kindje ging. Mary zei dat ze eigenlijk niets mag zeggen, maar de buurvrouw lacht om haar wantrouwen. Ze woont immers al een paar jaar op nummer 20 en kent de familie Van der Kar toch al van voor de oorlog. Dan fluistert Mary dat Betty met man en zoontje even naar het ouderlijk huis is gekomen en dat het goed gaat. Als Betty`s moeder Sophie opendoet, staan een Amsterdamse politieagent en een Duitser van de beruchte Grüne Polizei voor de deur. Ze hebben een tip gekregen dat de familie Van der Kar een Joods gezin dat zich had moeten melden onderdak heeft verschaft. De Duitser doorzoekt het huis, de Nederlandse politieagent moet van Betty`s moeder beneden op de stoep blijven staan. ‘Die Duitser is gestuurd, die kan er niets aan doen, maar jij moet het niet wagen mijn huis te doorzoeken’, zegt ze met een overtuiging die geen ruimte biedt voor twijfel tegen de Nederlandse diender. Dan voltrekt zich een wonder. De Duitser bekijkt eerst de benedenverdieping van het huis, ziet niemand en loopt vervolgens de trap op naar boven waar Betty`s zoontje in bed ligt. Hij opent de deur van de zolderkamer en moet daar de gezochte baby hebben gezien. Haar man Flip Barend is bij de huiszoeking meteen uit het zolderraam geklommen en via het platte dak en een open raam bij behulpzame buren naar binnen geklommen. Betty zelf heeft zich in een gammele zolderkast verstopt.

De Duitser doet de deur van de kamer waar de baby ligt dicht, gaat weer naar beneden en zegt tegen de wachtende Nederlandse agent dat er ‘keine Juden’ zijn. Hoewel de buurvrouw uit de Molenbeekstraat dus niet haar ‘kopgeld’ – f 7,50 voor iedere verraden Jood – heeft kunnen incasseren, wordt het gezin de grond in Amsterdam toch te heet onder de voeten en besluit het onder te duiken. De moeder, broer en zuster van Betty zitten in het verzet en hebben contact met een Friese verzetsgroep in Gaasterland die wordt geleid door Sjoerd Wiersma en zijn vriend Uilke Boonstra. Via deze groep worden de drie geholpen.

Betty wordt met man en zoontje Bert tijdelijk ondergebracht bij de familie Bosma uit Wijckel. De Bosma`s zijn gastvrij, zorgen goed voor de familie uit de grote stad en willen voor de opvang geen geld ontvangen. Maar de drie kunnen niet lang blijven bij het gezin dat zelf al vier zoons telt. Na twee maanden komen ze terecht bij een gezin uit Harich dat minder goede bedoelingen heeft. Daar moet worden betaald. Betty vertrouwt het na een paar weken niet meer en wil weg als ze in het Fries hoort zeggen: ‘We hebben het geld voor de kamer eruit, ze kunnen vertrekken.’ Na wat omzwervingen worden ze begin 1944 ondergebracht bij Jelle en Jeltje de Vries-Haga die in een afgelegen boerderij in de wei tussen Oudega en Kolderwolde wonen. Het blijkt een warm nest te zijn. Als ze midden in de nacht aankomen, treffen ze de tafel rijkelijk gedekt en staat een opgemaakte wieg klaar voor de kleine Bert.

Vooral Bert heeft het goed op de boerderij. Jelle en Jeltje hebben zelf geen kinderen en zijn dol op hem. En die genegenheid is al gauw wederzijds. Bertje wordt in hun trouwboekje door het verzet als zoon Albert bijgeschreven en dat hebben ze er nooit meer uit laten halen. Flip en heit kunnen het ook goed met elkaar vinden en de vertegenwoordiger in stoffen werkt gewoon mee op het land. Betty moet mem helpen in de huishouding. Met slootwater maakt ze melkgerei en melkbussen schoon.

Als beppe, de moeder van heit, in het najaar van 1944 overlijdt, verhuizen heit en mem met hun onderduikers naar haar boerderijtje aan de rand van Oudega.

Beppe de Vries, Jeltje de Vries en Betty Barend met Bert

Hoewel het hele dorp weet dat bij Jelle en Jeltje drie Joden zijn ondergedoken, heeft niemand hen verraden en, in Berts woorden, het "kopgeld" van f. 22,50 opgehaald. Dat was het standaardbedrag dat men kreeg voor iedere verraden Jood.

Maar in de eerste maanden van 1945 worden talrijke razzia`s in Friesland gehouden. De rossig-blonde Bert slaapt nog wel op de boerderij bij heit en mem, maar zijn ouders zijn uit voorzorg elders ondergebracht. Betty slaapt aan de overkant bij de familie De Koe met de dochter in één bed en Flip brengt samen met een zoon de nacht door in een skûtsje. Dat is expres aan de overkant van de vaart aangemeerd, omdat je er dan niet makkelijk bijkomt en het daar niet snel doorzocht kan worden. Dat hebben ze goed bedacht, want begin maart gaat het mis en wordt Betty opgepakt. Ze belandt op het politiebureau in Sneek, en wordt mishandeld en langdurig hardhandig ondervraagd. Maar ze laat niets los. Ze is een sterke vrouw en vreest dat, als ze iets vertelt, dat ernstige gevolgen zal hebben voor haar man en zoontje, de familie De Koe en Jelle en Jeltje de Vries.

Betty wordt naar Westerbork vervoerd, waar ze half maart 1945 aankomt. Ze moet meteen gaan werken en in de keuken aardappelen schillen. Omdat er na de spoorwegstaking uit september 1944 geen transporten meer naar de vernietigingskampen gaan, is het leven in het kamp relatief niet al te beroerd voor haar. Ze ontmoet er diverse oude bekenden en van een Duits-Joodse vriendin die in een geprivilegieerde positie in het kamp verkeert, krijgt ze wat extra eten dat boven op de spoelbak van de wc is gelegd.

Op 12 april wordt ze samen met zo`n 875 andere gevangenen door de Canadezen bevrijd. Op de kreet `De Tommy`s zijn er’, loopt iedereen het kamp uit om hen te verwelkomen. De bevrijders verrassen de kampbewoners met heerlijkheden als chocola en sigaretten. Hoewel de SS is vertrokken, moeten de gevangenen voor hun eigen veiligheid in Westerbork blijven, omdat nog niet heel Nederland is bevrijd. Zodra Friesland is bevrijd, vertrekt Flip op een oude fiets met harde banden naar Westerbork om zijn vrouw op te halen. Betty is vermagerd, maar beiden zijn gezond en vrij.

Het vertrek van de familie Barend uit Friesland is voor de Amsterdammers en de Friezen een traumatische aangelegenheid. Heit en mem brengen hun onderduikers naar de boot in Lemmer. Het gehuil van Jelle is, volgens Jeltje, tot aan de overkant van het IJsselmeer in Amsterdam te horen geweest. Hij is ontroostbaar en zit nog uren te huilen. In Amsterdam vragen Betty en Flip uit angst voor een nieuwe vervolging bij de burgerlijke stand voor hun zoontje Bert meteen een vergunning aan om zijn officiële, Joods klinkende naam Abraham te veranderen. Met Koninklijke toestemming wordt al in augustus 1945 zijn naam in Albert gewijzigd.

Jeltje de Vries, Betty Barend en Bert

Bert mist zijn heit en mem en het leven op het land intussen net zo erg als Jelle en Jeltje hem en zijn ouders missen. Daarom koopt Flip Barend in Amsterdam-West een melkzaak voor ze. De families zijn dan dichter bij elkaar en kunnen elkaar zien wanneer ze maar willen. Maar de twee geboren Friezen kunnen niet wennen aan het leven in de grote stad en na een tijdje vertrekken ze tot ieders teleurstelling weer naar Friesland.

In 1947 wordt Frits Jelle geboren. Frits, omdat dat eventueel voor de Duitse naam Fritz kan doorgaan en Jelle naar de Friese onderduikgever. Hoewel zijn ouders samen met zijn broertje de oorlog overleefden en hij na de oorlog nog is geboren, loopt hun huwelijk in 1953 spaak. Niet alleen laat Flip het gezin daarna financieel en emotioneel in de steek, ook aan heit en mem heeft hij op een afscheidsbriefje na nooit meer iets laten horen.

Betty van der Kar is na haar scheiding nooit meer hertrouwd en heeft keihard voor haar zoons moeten werken. Over de oorlog vertelde ze weinig, totdat kleindochter Barbara – toen negen jaar – in 1983 voor school een werkstuk over de Tweede Wereldoorlog maakte. Daarin heeft ze haar oma geïnterviewd. De eerste vraag luidde: ‘Wat kan je je nog herinneren van de bevrijding?’ Oma Betty antwoordde: ‘Er kwamen Canadezen, toen waren de Duitsers weggevlucht. We hoorden dat we bevrijd waren.’ Op de volgende vraag `wat is het eerste wat je deed toen je bevrijd was’, antwoordde ze:

‘We hebben overlegd wat we konden doen. Na twee dagen kwam mijn man me ophalen met de fiets. Toen hebben we er twee dagen over gedaan om naar Friesland te gaan. Toen ging ik naar mijn zoontje die niets van mij wilde weten, want hij kende me niet meer.’ In 1991 is ze met een glimlach op haar gezicht gestorven in het trotse bezit van twee zoons, vijf kleindochters – van wie de oudste naar Jeltje werd vernoemd – en een achterkleindochter. Haar tweede achterkleinzoon werd in 2006 geboren en draagt de naam Sam Frits Jelle Groot met ere.

In de Balkster Courant van 11 april 2019 is nog in een artikel het schuldgevoel van mem Jeltje beschreven. “Mem Jeltje worstelde op het einde van haar leven toch met het feit dat Berts moeder bij een razzia op het einde van de oorlog toch werd ontdekt en weggevoerd. Ze kwam gelukkig terug. Maar het vrat aan haar. “Mem was op dat moment aan het boodschappen doen en heit en Bert zaten net in het land. Onze moeder was alleen thuis en is toen opgepakt en vreselijk mishandeld in Sneek. Mem Jeltje leed echter enorm onder het gegeven dat Bert en Frits moeder alsnog werd weggevoerd en allerlei narigheid heeft moeten doorstaan. “Ze was liberaal gelovig, geloofde in het hiernamaals, maar ook in de hel. Ze dacht dat ze in de hel zou komen omdat ze onze moeder niet had kunnen beschermen. Toen heb ik haar hand gepakt en gezegd dat als er een hemel was zij daar sowieso naartoe zou gaan. Daardoor was zij gerustgesteld en is ze rustig heengegaan”, aldus Frits Barend.

Woensdag 10 april 2019 was er plechtigheid in de PKN-Kerk van Oudega waarin de symbolische grafrechten en de grafplichten werden overgedragen van het graf van Jelle en Jeltje de Vries – Haga. De gehele familie Barends was hierbij aanwezig. De ABSbasisschool van De Fluessen uit Oudega heeft het graf nu eeuwigdurend geadopteerd zodat het graf ook nooit geruimd zal worden.