Johannes Nagelhout

De voordeur blijft op een kier

Op 18 juni 1940 verongelukte de ongehuwde matroos 2e klas Johannes Nagelhout uit Mirns, geboren op 14 maart 1915 in Mirns en Bakhuizen, met de gehele bemanning in de onderzeeboot O-13 van de Koninklijke Marine. Alle 34 opvarenden vonden de dood in de onderzeeboot door een aanvaring met de Poolse onderzeeboot ‘Wilk’.  Aan boord zijn 31 Nederlanders en drie Engelsen. Bekend was dat de O-13 op 12 juni 1940 is uitgevaren vanuit Dundee naar de wateren die noordwestelijk van Denemarken waren gelegen. Het is de enige Nederlandse onderzeeboot waarvan niet bekend is wat ermee is gebeurd. De O-13 is ook bij een zoekpoging in juli 2019 niet gevonden. Begin juli 2019 vind er een poging plaats in de wateren rondom de Doggersbank. Jack Kooistra schreef in zijn boek ‘Het Laatste Saluut ‘ dat Nagelhout was omgekomen door een mijnexplosie op 56 graden, 55 NB en 03 graden 40 OL.  Lange tijd werd aangenomen dat de onderzeeboot O-13 slachtoffer geworden was van dit Duitse mijnenveld. Later was echter wel gebleken dat de aanvaring met de Poolse onderzeeboot de precieze oorzaak was geweest. Over de datum was er geen 100% zekerheid, omdat in het ene document 18 juni 1940 als overlijdensdatum werd aangemerkt terwijl in een ander document 19 juni 1940 werd gebruikt.

Johannes kwam op 2 september 1935 in dienst als Matroos der 3e Klasse ZM voor de vervulling van de dienstplicht. Hij werd geplaatst in de marine kazerne Willemsoord. Op 26 oktober 1935 werd hij geplaatst op het wachtschip Willemsoord. Johannes deed het kennelijk goed want hij werd 22 januari 1936 bevorderd tot matroos 2e Klasse ZM. Op 1 mei 1936 mocht hij met groot verlof. Toen Johannes Nagelhout werd opgeroepen in verband met de algehele mobilisatie van 28 augustus 1939, werd hij ingedeeld bij de Koninklijke Marine in Helder en wel bij de O.Z.D. (Onderzeebootdienst). Op 31 augustus verzond hij een ansichtkaart met de mededeling:

‘Moeder. Goed gezond en ik hoop van jullie hetzelfde. Gisteravond in een loods geslapen en vanmorgen ingedeeld bij de O.Z.D. Niets te doen en best eten. Al een vette hap gehad. Catrinus is ook bij mij van Warns. Later een brief. Gegroet J.D. Nagelhout, OZD Den Helder’. 

Het was niet meer te achterhalen wanneer Johannes aan boord van de O13 was geplaatst. Wel was bekend dat hij aan boord voornamelijk allerlei klusjes deed zoals het helpen bij het aan- en afmeren van de boot, schilderen, schoonmaken, uitkijken en assisteren van de koksmaat.  Het oorlogsoptreden van de O-13 begon eigenlijk al op 9 april 1940. In verband met de zeer gespannen situatie en de inval van de Duitsers in Noorwegen besloot het Algemeen Hoofdkwartier van de Strijdkrachten in Nederland dat er geen verlof meer mocht worden verleend. Om 20 minuten over acht ’s avonds op 13 april 1940 kwam er op hetzelfde hoofdkwartier een bericht binnen dat er verdachte schepen waren gezien ter hoogte van Huisduinen, dichtbij Den Helder. Het bericht luidde: ‘Door Commandopost Landmacht ten 19 uur 12 een konvooi van 16 grote schepen waargenomen gedurende 10 à 15 minuten, varende in Zuidelijke richting. Marine-Kustwachtpost niets gezien’. Achteraf bleek deze waarneming onjuist. Maar als resultaat van de waarneming bij Den Helder werd voor alle troepen in de vesting Holland de volledige strijdvaardigheid gelast.

De kustlichten ten zuiden van Egmond werden gedoofd en de diverse onderzeeboten, bestaande uit Hr.Ms. O9, O10 en O13, kregen order zee te kiezen en onder water de afwikkeling af te wachten. Bij een Duitse landingspoging moesten zij zonder verdere orders de vijandelijke vloot aanvallen. De verwarring werd nog groter toen er de volgende morgen vliegtuigen boven hetzelfde gebied verschenen.

Het bleken Britse en Franse vliegtuigen te zijn. ’s Morgens om tien voor negen op 14 april 1940 werd de O13 door een Franse bommenwerper bedreigd. De O13 opende daarom het vuur en verjoeg de bommenwerper. Dit zal het incident zijn geweest waar Johannes op heeft gezinspeeld tegenover zijn vrienden. De spanning nam in de loop van april 1940 verder af waardoor en vanaf 27 april 1940 weer verlof werd toegestaan. Johannes heeft daar graag gebruik van gemaakt. Maar het duurde niet lang want op 4 en 5 mei 1940 kwamen er bij het Algemeen Hoofdkwartier berichten binnen dat een Duitse aanval op Nederland aanstaande was. Het werd concreet toen de militaire attaché in Berlijn op 6 mei seinde dat woensdag 8 mei 1940 de dag van de aanval zou zijn. De commandanten van de divisie onderzeeboten, bestaande uit de O9, O10 en O13 krijgen op 7 mei 1940 een operatiebevel voor het geval als de oorlog zou uitbreken. In dit bevel stond dat bij daadwerkelijk geconstateerde oorlogshandelingen, zonder nader bevel, met de volle inzet tot de aanval moest worden overgegaan.

Op 9 mei 1940 was de dreiging van een naderende inval van de Duitsers zo hoogopgelopen dat de chef marinestaf Viceadmiraal J. Th. Furstner omstreeks 6 uur ’s avonds de eerste graad van paraatheid bepaalde voor alle marine onderdelen langs de Nederlandse kust. Personeel dat op dat moment wachtliep, werd erop uitgestuurd om de bemanningsleden van alle schepen op te roepen om aan boord te gaan. Iedereen moest zich naar zijn post begeven. Tijd om afscheid te nemen was er niet. Op 20.45 uur deelde de opperbevelhebber der strijdkrachten Generaal Winkelman mee: ‘Van de grens komen zeer verontrustende berichten binnen. Weest derhalve hedennacht bijzonder op uw hoede’. Schout-bij-nacht H.Jolles, stuurde rond middernacht aan onderzeebootcommandant E.H. Vorster de opdracht om – samen met de O9 en de O10 - de marinebasis in Den Helder te verlaten. Johannes stond op de lijst van opvarenden. Er moest langs de Nederlandse kust gepatrouilleerd worden. Nachts om halfdrie namen de boten op periscoopdiepte een afwachtende positie aan. Dat was zo’n tweeënhalve mijl uit de kust tussen Bergen en Egmond. Om vier uur ’s morgens ging de O13 nog dieper onder water omdat er vanuit het westen onbekende vliegtuigen laag overvlogen. Later bleken dit Duitse vliegtuigen te zijn geweest.

De O13 ging weer op periscoopdiepte varen en even later ging men bovenwater. Om 5.15 uur werden de O13 en enkele inde buurt varende vissersboten beschoten door een Duits vliegtuig. Om 06.30 uur ontving de O13 het officiële bericht ontvangt van de Schout-bij-nacht H. Jolles: ‘Oorlogstoestand met Duitsland, bondgenoten Engeland en Frankrijk’. Op 10 mei 1940 werd het bevel ontvangen om naar Engeland te varen. Reden hiervan was dat het inzetten van onderzeeboten in deze fase als zinloos werd gezien.

Door de Nederlandse marineleiding en de admiraliteit in Engeland werd besloten om naar Engeland uit te wijken. De Britse admiraliteit was bang dat de aanwezigheid van Nederlandse onderzeeboten in de Noordzee aanleiding tot misverstand zou kunnen geven. Aan de O9, O10 en O13 werd de order verstrekt om bij Lichtboei Zuiderhaaks rendez-vous te maken met de mijnenveger Hr.Ms. Jan Gelder.  Alleen de O13 ontving dit bericht want de twee andere boten bevonden zich nog dieper onder water in verband met luchtaanvallen. Een dag later kwam de onderzeeboot in Portsmouth aan en werd daarbij begeleid door mijnenveger Hr.Ms. Jan van Gelder.

HMS Jan van Gelder (from Wikimedia Commons, the free media repository)

In de avond van de 10e mei voer de O13 naar de Downs in Engeland, een vaarwater dat afgeschermd is van de open zee vanwege zandbanken, vlak onder de kust ten noorden van Dover. In de namiddag van 11 mei 1940 arriveerden beide schepen in de Downs. De volgende morgen lichtten de boten het anker en er werd in scheepsverband gevaren met als bestemming de Britse marinebasis Portsmouth.  Voorop voer de Jan van Gelder, gevolgd door de Jacob van Heemskerk. Daarna volgden de onderzeeboten O21 en O22. Hekkensluiter was de O13 die evenwel niet sneller kon varen dan dertien mijl en slechts op post kon blijven door telkens de hoeken der vaargeulen af te snijden. Tegen het vallen van de avond werd de rede van Portsmouth bereikt.  De Britten waren erg voorzichtig met de bemanning omdat er wantrouwen was vanwege waarschijnlijke aanwezigeheid van nazi-sympathisanten onder de Nederlanders. Desondanks was de ontvangst in Portsmouth overweldigend. De gehele bemanning van de Britse onderzeebootbasis stond op de steiger om de nieuwe bondgenoten toe te juichen. Direct nadat de schepen waren afgemeerd bleek hoe goed alles geregeld was. Om te begonnen werd er aan iedere Nederlandse officier, onderofficier of ander lid van de bemanning, een Britse collega toegewezen om hem de weg te wijzen. Er waren kamers en slaapkamers ingericht en er stonden bedden klaar. Ook was er voor de eerste behoeften gezorgd, zeep en handdoeken lagen klaar voor gebruik. Door het overhaaste vertrek uit Nederland hadden veel Nederlanders niet meer kleding bij zich dat dat was ze aan hadden.

Tenslotte werd een gedeelte van de kazerne aan de Nederlanders beschikbaar gesteld die, voor zover zij niet aan boord behoefden te zijn, er hun intrek in konden nemen. De Nederlanders volgden de berichten uit Nederland. Na het bericht van de capitulatie werd door alle aanwezige Nederlanders spontaan het Wilhelmus gezongen. Een dag later kwam het blije bericht dat nog vier Nederlandse onderzeeboten uit Nederland waren ontkomen, de O9, O10, O23 en O24. Dat was nog niet alles, want in de loop van de 15e mei kwam pas de grote stroom van de uit Nederland uitgeweken schepen de Britse marinehaven binnenlopen. De commandanten van de onderzeeboten hadden nu even tijd om zo spoedig mogelijk de manschappen te verdelen en voltallig te maken. Dit gebeurde op 14 en 15 mei 1940. Aan boord van de O13 vond ook een aantal wisselingen plaats. De bemanning werd op 18 mei versterkt met een Britse verbindingsofficier, Ian Greswell. Niet helemaal duidelijk is of de Britse seiner James Henry Spettigue en de Britse telegrafist Hugh Phimister McDonald, die aan boord waren toen de O13 later in juni verdween, ook al op 18 mei aan boord zijn gekomen.

Daarna was het wachten op orders. Op 29 mei was het zover en de O-13 vertrok met Hr. Ms. O9 en O10 vanuit Portsmouth voor de eerste oorlogspatrouille naar het Engels Kanaal. ‘s Nachts om 1 uur op 1 juni 1940 dacht de O-13 een vijandelijke onderzeeër in het vizier te hebben op positie 49,54N en 00,46 W onder de Franse Kust.

Zij gaat direct tot onderduiken over en niet tot de aanval. Later bleek dat het de Duitse onderzeeër U9 was.  Beide schepen lagen echter in een dusdanige positie dat de O13 niet in staat was om torpedo’s af te vuren. Dit was tot grote teleurstelling van de manschappen, die tijdens het eerste contact van een Nederlandse onderzeeboot met de vijand graag een daad hadden willen stellen. Later op de dag kwam de O-13 weer aan in Portsmouth. Ondertussen kwamen er verontrustende berichten binnen uit het bezette zuiden van Noorwegen. Er waren daar troepenverplaatsingen gaande.

Daarom vertrok men twee dagen alweer naar Dundee tegelijk met de Britse HMS White Bear, HMS H28 en HMS 31. Beide laatstgenoemden gingen niet verder dan Blyth. De O-13 arriveert 6 juni ’s middags als eerste Nederlandse onderzeeboot in Dundee om vanuit deze Schotse basis de patrouilleren en samen met andere onderzeeboten een mogelijke invasie tegen te houden. Vreemd genoeg werd daar de O13 als N13 aangeduid. Deze werd uitgerust met Britse draadloze zend- en ontvangstapparatuur en was daarmee klaar voor de patrouille. Op 16 juni was er draadloos contact vanuit Dundee met de legerleiding. Een dag later vertrok de O-13 voor zijn tweede – en naar later zal blijken – tevens laatste patrouille.

De opdracht was om in de Noordzee te patrouilleren in de omgeving van 57,00 N en 05,50 E bij de ingang van het Skagerrak. Daarbij moest de O13 de positie overnemen van de Britse onderzeeboot HMS Tetrach welke een positie aan de Noorse kust ging innemen. Het patrouillegebied van de O13 was de ‘flessenhals’ waarlangs Duitse U-boten vanuit de Duitse havens de weg naar de Atlantische Oceaan zochten. De opdracht was om op 19 juni terug te keren en 21 juni terug te zijn in Dundee. Om 20.30 uur werd het sein ‘voor en achter’ gegeven. De trossen werden losgegooid en de O13 voer langzaam weg van de kade in Dundee voor zijn eerste patrouille in de Noordzee. Johannes Nagelhout was met zijn collega matrozen Van Gend en Rienstra op het voordek geplaatst. Een paar minuten later waren ze  op de Rivier Tay. Ze passeerden Bell Roch en gingen in de richting van de open zee. Ze gingen over op elektrisch varen omdat er mijnenvelden waren. De O13 was maar een kleine boot. Eenmaal buitengaats begon hij te stampen en te slingeren. Omdat het nog licht was, werd al snel het sein gegeven om onder water te gaan varen. Het etenspatroon in een onderzeeboot moet even wennen want het verliep net andersom dan aan de wal. ‘Avonds werd het ontbijt opgediend, om middernacht de warme maaltijd en ’s morgens het avondeten. Vanaf nu werd er wachtgelopen: zes uur op en zes uur af. Er waren slaapplaatsen in de boegbuiskamer. Er is één kooi voor twee personen. Wie van de wacht kwam, keerde het matras van de vorige slaper om. Zo had een ieder dus zijn eigen kant van het matras. Er moest geruisloos worden gevaren en dat betekende dat er aan boord geen geluid mocht worden gemaakt. Iedereen aan boord droeg gymnastiekschoenen en wie zich moest verplaatsen deed dat zo stil mogelijk. Er mocht ook niet hardop gepraat worden want elk geluid dat het schip maakte, kon door de vijandelijke geruispeilers worden opgevangen. Om zuurstof te besparen moest er zo weinig mogelijk worden bewogen.

Hr. Ms. O13, Nederlandse onderzeeboot, Bron Mark, C. Schepen van de Koninklijke Marine in W.O. II Alkmaar: De Alk bv, 1997.

Op 19 juni 1940 werd de O13 per radio opgeroepen om de positie bekend te maken. Er werd niet op het signaal gereageerd. Een dag later werd er weer geprobeerd contact te maken, maar weer werd er niet gereageerd. Weer een dag later, op 21 juni 1940, de dag dat de O13 binnen had moeten lopen, was er nog steeds niets van de O13 vernomen. Op 28 juni 1940 werd de Hr. Ms. O13 officieel door de Britten als verloren beschouwd. Het verlies van de O13 werd door de bevelhebber van de Zeestrijdkrachten Viceadmiraal J.Th. Furstner met een vertrouwelijke mededeling op 2 juli 1940 aan alle schepen van de Nederlandse vloot bekend gemaakt: ‘Met grote droefheid bericht ik U hierbij, dat Hr. Ms. O13 zo lang over tijd is, dat helaas haar verlies als vaststaand aangenomen moet worden’.

Wat de oorzaak is geweest dat de O13 als vermist moest worden opgegeven, is nog steeds niet voor 100% duidelijk. Er zijn daarvoor meerdere theorieën ontwikkeld. Toen de O13 op 21 juni 1940 niet terugkeerde, begon iedereen zich zorgen te maken. Het bericht dat er een onderzeeboot getroffen zou zijn door een Duitse aanval was namelijk al doorgedrongen. Op 16 juni 1940 namelijk, hadden Duitse vliegtuigen de Britse onderzeeboot HMS Porpoise aangevallen met bommen. De Porpoise had een snelle duik gemaakt. Bij deze duik vulde zij haar duiktanks en verhief het achterschip zich hoog boven water. Door het ontsnappen van lucht uit de tanks en de explorerende Duitse bommen spoot het water overal omhoog. Hierdoor dachten de Duitse piloten dat ze de Porpoise in de grond hadden geboord maar in werkelijkheid was de onderzeeboot slechts licht beschadigd en kon die veilig naar de basis terugvaren. Dus kon het bericht dat de O13 – die mogelijk met de Purpoise was verward - door een Duitse aanval was vergaan ook worden ontzenuwd. Maar het kwaad was geschied. De verkeerde waarneming van de Duitse piloten werd nu zelfs door de militaire leider van de Britse onderzeeboten overgenomen en hij was daarbij niet de enige. Nog geen twee weken nam de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten in een vertrouwelijk mededeling aan alle Nederlandse marineschepen dit bericht ook weer over. ‘De vijand meldde 18 juni met bovenwaterstrijdkrachten jacht te hebben gemaakt op een onderzeeboot ongeveer ter plaatse waar de Hr. Ms. O13 moet zijn geweest’. Zelfs de nabestaanden kregen een brief met de verklaring dat de O13 waarschijnlijk door Duitse zeestrijdkrachten was aangevallen.

Het verdwijnen van de O13 en het incident met de HMS Porpoise waren met elkaar verward geraakt. Een oorzaak werd gezocht in de (on)geoefendheid van de bemanning die in Portsmouth opnieuw was samengesteld. Maar een onderzeeboot blijft vooral een stuk techniek. Zou dan een technisch mankement geleid hebben tot het zinken van de boot? De O-13 was bovendien nog al eens voor reparaties onderhanden geweest. Maar daar stond tegenover dat Commandant Vorster wel voldoende kennis en ervaring had om te beoordelen of hij met de boot en bemanning op patrouille kon gaan. In 1949 werd aan weer een andere oorzaak gedacht.

Het hoofd van de Britse Marine-Inlichtingendienst schreef aan de Britse militaire attaché in Den Haag dat uit Duitse documenten duidelijk was geworden dat de O13 op een mijn in een mijnenveld was gelopen op 13 juni 1940 of op een losgeslagen drijvende mijn was gevaren. De Britten waren zeker van hun zaak. Eind 1960 kwamen de onderzoekers weer tot andere inzichten. Deze volgende theorie kreeg bekendheid als het ‘Wilk-incident’. Een Poolse onderzeeboot met die naam had op 20 juni 1940 een onbekende onderzeeboot geramd. Die aanvaring had halfeen ‘s nachts plaatsgevonden op positie 56-50’N.B. en 3-37’O.L.  De Wilk kon terugvaren maar alleen boven water en niet sneller dan 5 mijl. De Polen gaven aan dat ze een boot met voorop een kanon hadden geramd en dat het overduidelijk het silhouet was van een Duitse U-boot. Maar uit onderzoek bleek dat op het moment van de botsing er geen enkele Duitse onderzeeboot was vergaan of vermist of beschadigd. Eén onderzeeboot was niet teruggekeerd en dat was de O13. De geschatte positie van de O13 ten opzichte van de Wilk verschilde slechts 16 mijl. De conclusie was dat het wel de Wilk moest zijn geweest die de O13 geramd had. Maar de O13 had geen kanon op het voordek gehad en dat hadden nu juist getuigen gezien op de Wilk. Er waren nog een paar andere vreemde zaken. Het eerste rapport over dit incident van 23 juni 1940, omschreef de schade aan de Wilk als het gevolg van een ‘external explosion” en niet van een botsing. De ernstige lekkage die daarbij was ontstaan bleek later het gevolg van slecht onderhoud. Toen bekend werd dat 16 uur na de zogenaamde botsing een Duitse U-boot was gesignaleerd, ontstond het verhaal van de vermeende botsing met een Duitse onderzeeboot. Als laatste werd in het rapport van 26 juni 1940 beschreven dat de officier van wacht meende na de botsing een ‘triangular shape’ te hebben gezien. En een ‘driehoekig object’ lijkt meer op het silhouet van een drijvende mijn. Het lijkt erop dat het ‘Wilk-incident’ ook weer verward is met de vermissing van de O13.

Op 25 november 1940 kreeg burgemeester Schwartzenberg van Gaasterland bericht via het Nederlandse Rode Kruis dat dat Johannes Nagelhout was overleden. In Bakhuizen was Frederikus Gerben Wartna de pastoor van de Rooms Katholieke Kerk. Hij was 3 november 1886 in Bolsward geboren en overleed 19 december 1961 in Bakhuizen). Burgemeester Schwartzenberg verzocht pastoor Wartna het doodsbericht over te brengen hetgeen de pastoor op 28 november 1940 heeft gedaan bij de ouders en familie. De ouders van Johannes Nagelhout waren Durk Nagelhout, heibaas en zuiderzeevisser, geboren 3 januari 1887 in Mirns en Bakhuizen. De moeder van Johannes is Willemke van der Wal, geboren 24 april 1892 in Hemelum. Jozef Nagelhout was een broer van Johannes en Jantje en Durkje waren de zusters. Het gezin woonde eerst in Seehorne in Mirns en verhuisde later naar de vlakbij gelegen woning van It Herntsje in Mirns aan de kant van Laaxum. Johannes werkte na de lagere school bij zijn vader. Als jongeman had hij een witte zeilboot bij het Freuletempeltje in Mirns liggen en daarmee ging hij zomers met toeristen op het IJsselmeer zeilen.

Dit was de boot van de familie Nagelhout. Op mooie zomerdagen ging Durk hiermee met gezin of gasten het IJsselmeer op. Op de bovenste foto het gezin Nagelhout. Helemaal rechts zit vader Durk Nagelhout. Daarvoor zit dochter Jantsje. Rechts van moeder Willemke Nagelhout – tegen de mast - zit zoon Jozef. Helemaal links zit Johannes Nagelhout. De vrouw bij de mast is moeder Nagelhout. Dochter Durkje zit op haar schoot. “Zij werd “Zwarte Durkje” genoemd. Zij ging bij gevaar iedereen waarschuwen. Haar beroep van kraamverzorgster kwam haar dan goed van pas. “Aan de kant, aan de kant” riep zij als zij haar witte pak aanhad.

De foto is van een dia genomen uit het bezit van Hendrik Twerda.

Zijn militaire dienstplicht vervulde hij bij de Marine in Den Helder. De allerlaatste keer dat Johannes Nagelhout thuis was in april 1940, zei hij tegen zijn moeder bij het afscheid: ‘Ik tink dat jimme my net wer sjogge” (‘Ik denk dat jullie mij niet weer terug zullen zien’). Johannes Nagelhout heeft een zeemansgraf gekregen. Wel is er een speciale rouwdienst gehouden in de R.K. Kerk van Bakhuizen. Hierin was bij de afscheidsdienst een ‘nepkist’ geplaatst zonder lijk. De familie heeft een bidprentje laten maken waarin ondermeer de volgende zinsnede stond: “En al is zijn stoffelijk overschot niet door zijn dierbaren naar het graf vergezeld, enz.’. De naam van Johannes Nagelhout blijft in ere doordat de gemeenteraad van Gaasterland een straat in Bakhuizen naar hem vernoemd heeft. Omdat Johannes werd vermist en niet als gesneuvelde was aangemerkt, hielden zijn moeder en later zijn zus hun hele leven de voordeur op een kier staan. Johannes kon immers nog thuiskomen.

Hr.Ms. O13

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de O-13 alsnog redelijk modern beschouwd. De kiel was op 22 november 1928 gelegd in de Westloods van de Koninklijke Maatschappij De Schelde in Vlissingen. De O-13 werd op 18 april 1931 gedoopt en te water gelaten. Hij verliet op 2 oktober 1931 de werf. De boot had 2.441.501 gulden gekost (€ 1.100,000).
Om te kunnen duiken bezat de O-13 3 hoofdballasttanks, 1 periscoop aan de voorzijde van 7,1 meter lengte en 1 periscoop aan de achterzijde van 7,35 meter. Beide waren elektrisch bedienbaar. De voorste diende als aanvalsperiscoop en de achterste werd gebruikt voor navigatie. Aan boord was ook een antennemast voor radiotelegrafie. In de winter van 1936/1937 kreeg de O13 een onderhoudsbeurt. Bij wijze van proef kreeg de O13 als eerste onderzeeboot een koelinstallatie.

De kust- onderzeeboot was gemaakt als boot voor eigen wateren maar in 1936 werd de beslissing genomen de onderzeeboten ook in te zetten voor de maritieme verdediging van de Nederlandse Antillen. De afmetingen waren 60,6 meter lengte; de breedte was 5,7 meter; de bovenbouw 5,3 meter en de diepgang boven water was 3,5 meter. De O13 verplaatste onder water 696 ton en bovenwater 562 ton. De boot werd voortgestuwd door 2 Sulzer dieselmotoren 2-tact; 6 cilinders 900 PK. Daarnaast voor onder water; 2 W. Schmitt elektromotoren van 610 PK.
Boven water haalde de boot een snelheid van 16 knopen en onderwater maximaal 8 knopen. De maximale duikdiepte was 60 meter.
De O13 was bewapend met 4 boegbuizen van 53,3 cm; 1 hekbuis van 53,3 cm; 10 torpedo’s; 2 mitrailleurs van 40 mm in waterdichte buns en nog een mitrailleur van 12,7 mm.

Op de werf in Den Helder werden in september 1939 noodzakelijke reparaties uitgevoerd omdat er problemen met de koelers van de compressoren waren. Uit rapporten over de technische staat van de onderzeebotenserie waartoe de O13 behoorde, is te lezen dat er regelmatig problemen waren met de bevestigingsbouten van de buitenboordkleppen en duikroeren.

Verantwoording:
De beschrijving van de reis en de technische gegevens van de O13 zijn grotendeels overgenomen uit het boek: “O13 Still On Patrol” door Tonny Froma, Wilco Pleging en Ludmilla van Santen. (opm JGV)

 

De officiële mededeling van de vermissing

Met onderstaande brief werden de families van de vermiste opvarenden door de bevelhebber der strijdkrachten in kennis gesteld. Dit bericht heeft de ouders en familie van Johannes Nagelhout nooit bereikt.

"KONINKLIJKE MARINE,
BEVELHEBBER DER ZEESTRIJDKRACHTEN
S.
207/1/1 G.

Londen, 2 juli 1940

Met groote droefheid bericht ik U hierbij, dat Hr.Ms. onderzeeboot O-13 zoo lang over tijd is, dat haar verlies als vaststaand aangenomen moet worden. De boot is op 12 juni 1940 met een oorlogsopdracht in de Noordzee uitgegaan. De vijand meldde op 18 juni 1940 met bovenwaterstrijdkrachten jacht te hebben gemaakt op een onderzeeboot ongeveer ter plaatse waar Hr.Ms. O-13 moet zijn geweest. Toen op 19 juni de boot werd teruggeroepen, heeft hij zich niet gemeld.

Zo zijn dan wederom 35 van de dappersten onder ons gevoegd bij de lange lijst van Nederlanders, die in dezen, ons tegen wil en dank opgedragen oorlog, het leven lieten. Onverschrokken, verlangend de vijand afbreuk te doen ten einde daardoor de uiteindelijke overwinning te bespoedigen en daarbij het recht te hebben het Vaderland ongeschonden terug te eischen, zijn zij in zee gegaan, helaas, om niet meer terug te keeren. Zij zullen in de geschiedenis van ons vaderland de volle eer krijgen als mannen die het hoogste offer hebben gebracht voor de Vrijheid en de Onafhankelijkheid van het thans opgroeiende geslacht Nederlanders.

Hun offer zal niet tevergeefsch gebracht zijn, evenmin als dat van de drie wapenbroeders van de Britsche Marine, die aan boord van de O-13 het lot van onze mannen deelden. De toekomst moge er nog zo weinig voor de eerstkomende weken uitzien, wanneer men met maanden – als het moet – jaren rekent, is de overwinning van de volken verzekerd.
Bedenken wij hoe de eerste Prins van Oranje te moede was in den tijd, dat de dichter van het Wilhelmus hem de volgende woorden (het 9e couplet) in den mond legt:

Na’t suer sal ick ontfangen
Van Godt, mijn heer, dat soet
Daer na so doet verlanghen
Mijn vorstelijk ghemoet
Dat is, dat ick mag sterven
Met eeren in het velt
Een eeuwich rijck verwerven
Als een ghetrouwe helt.

Toch versaagde de eerste Oranje niet en……hij mocht het geluk smaken Nederland weer vrij te zien van het juk van den overweldiger.  Als ,,getrouwe helden” zoo zullen de namen van de mannen van Hr.Ms. O-13 geboekstaafd worden in de geschiedenis van ons vaderland. In verband met het te verwachten misbruik der publicatie van ons verlies voor de propaganda van de geslepen vijand, verzoek ik U het bovenstaande als een vertrouwelijke meededeling aan de bemanning van Hr.Ms. oorlogsschepen bekend te maken. Het juiste oogenblik en de wijze van publicatie in de pers zal door mij later worden bepaald.

De Vice-Admiraal, Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, J.Th.Furstner"

Het monument in Den Helder.

Het monument in Dundee, Schotland.

De oorlog zoals moeder Willemke Nagelhout die beleefde

Het gezin Nagelhout uit Mirns bestond uit vader Durk Nagelhout (geboren 3-1-1887); moeder Willemke Nagelhout-van der Wal (geboren 24-4-1892); zonen Johannes en Jozef en 2 dochters Jantje en Durkje.

Moeder Willemke heeft na de oorlog haar herinneringen op papier gezet. Hier volgt haar verhaal, dat letterlijk is overgenomen uit haar aantekening. Het verhaal gaat niet alleen over haar zoon maar over het verloop van de gehele oorlog. Het geeft ook nog eens aan hoe moeilijk het is om van de Friese taal over te schakelen naar het Nederlands.

Het was in het jaar 1939 dat de mare ging, er komt oorlog, toen moest Johannes onder dienst. Het was september de 2e kwam hij `s avonds thuis en moest de andere daags naar Den Helder. Want hij had voor zijn nummer bij de marine geweest. Avonds voor de 3e september alles met zenuwachtigheid ingepakt want men wist niet wat het zou worden, Van alle vrienden kennissen en buren werd afscheid genomen. Wat voor ons verschrikkelijk was. Van Durk had hij al afscheid genomen toen hij naar zijn werk ging. Ze werkten in Alkmaar in Holland. Wij vergeten nooit weer die morgen toen hij weg moest. Er reed een autobus van Bakhuizen af naar Stavoren. En daar bij de bus was het vreselijk om aan te horen. De een zijn vader, de ander zijn man en weer een ander hun zonen. Allen beladen met hun soldaten uitrusting. Maar toen is het nog niet begonnen. Al gauw kwam er al eens iemand met verlof thuis. En het werd al wat een gewoonte dat de jongens onder dienst waren.

Toch tussen de radioberichten door begon men al eens te denken en te praten onder elkaar in huis en op de straat wat de Duitsers deden en waar ze waren. Johannes was de zondags nog met verlof thuis geweest. Dat was op 6 mei 1940 onvergetelijke dagen. Zijn laatste dagen die hij thuis is geweest.

`s Morgens riep Durk onder de trap: "Nou goeie". Maar Johannes kwam er even af om afscheid te nemen van vader en van Jozef. Later vernamen wij van zijn vrienden want die had hij het verteld, dat ze al eens met een Duitser aan de slag waren geweest. Zodoende wist hij al wat er zou gebeuren.

Fragment van de op 1 mei 1940 afgestempelde kaart

Naderhand konden wij wel aan hem vernemen dat hij wel meer wist dan dat hij wou zeggen om ons niet ongerust te maken. Zoo ging hij dan heen voor het laatst nooit meer gezien en iets vernomen. Toen kwam de 10e mei `s morgens. Ik kwam van bed en zou naar de kerk. Toen een buurvrouw zei, wat veel vliegtuigen niet. We zeiden het kon wel eens oorlog wezen. Ze zei we zullen de radio eens open doen. En ja hoor daar werd het al omgeroepen. Overal werden de parachutisten neergelaten. Hier niet in Friesland. Maar eerst in Brabant en Zuid-Holland en Utrecht. Toen is die daags en de volgende dag niet veel gedaan. Durk was toen niet thuis. Ze werkten aan de kust bij Oostmahorn even boven Dokkum. Ze hadden de hele dag gewerkt en hoorden het eerst des avonds toen ze even naar het dorp moesten om teer te halen. Des `s nachts zijn ze nog gebleven omdat ze `s avonds niet mochten rijden. Morgens vroeg op de motor naar huis. Dat was zaterdagsmorgens. Toen ze bij Leeuwarden kwamen werden daar al verdachte mannen die ze niet vertrouwden en zeiden tegen elkaar. Wat voor mannen zouden dat zijn. Zouden het Duitschers zijn? Ze kwamen verder en er was al brand bij het station. Weer verder bij Sneek zagen ze daar weer mannen met auto`s en Tenks. Zo kwam het telkens en telkens reden ze de Duitsers vooruit… tot ze thuis waren.

Natuurlijk hadden we hier al uitgekeken en gezegd, waren ze maar thuis. Ze waren thuis de motor neergezet en we gingen zoo even bij de buren aan het praten. Want men deed niets. En daar de eerste auto`s   tenks en kanonnen het Hoog neer. Om geen argwaan te trekken hadden ze de auto bedekt met oranje kleden. Toen we ze dan zagen aankomen. Wij draven naar huis. Durk gauw de motor in het hok en wij in huis. Jantje kon haast niet lopen die had twee jaar met de voet gezeten en toen dat lopen erbij. Nou dan het was verschrikkelijk hoeveel auto`s als hierlangs gingen de hele dag door. Wat hebben we toen een angst gehad. We meenden dat ze wegwaren en dan kwamen ze weer. En toen gingen ze onderdak zoeken bij de boeren. Hier voor ons waren de posten dokter en alles wat er bij hoort. Waar vroeger Lammert en Stientje woonden daar waren de paarden en bij andere boeren. Ik geloof wel 500 en dan `s nachts begonnen ze te rijden en te schreeuwen van de ene boer naar de andere. Vreselijke dagen. Wij lieten ons niet zien. Want alles konden ze gebruiken. Ze haalden zoo het gereedschap maar bij de boeren uit de schuur. En men kon ze niet verstaan. De andere daags was het pinksteren. Wij moesten naar de kerk er bleef een van de mannen bij ons huis. Ik zal het nooit vergeten opeens begonnen ze op Staveren te schieten. Ik was thuis en Jozef bij me. En we konden het zien daar we de vensters op Staveren aan hebben.

En de Duitschers hier waren zo onrustig. De kerk stroomde leeg. De pastoor al roepen het gaf niks. Durk liet de meisjes uit de kerk halen en ze kwamen allen thuis niet wetende wat hier achter zat. Maar gelukkig het zakte weer. En wat was er nu gebeurt. Een paar boten van onze marine schooten op de Duitschers. De veerboten namen ze onder vuur en beschoten ze. Maar de luchtmacht was te groot en hebben de twee boten bij de Gelderse kust tot zinken gebracht. De Frisio en de Brinio. Velen zijn toen gevlucht uit Staveren. Ze gingen hierlangs met kinderwagens. Een huisgezin die we goed kenden en die was in Warns. Vluchten ook daar de vrouw moest bevallen. Ze konden niet met de auto`s en zijn toen maar met de schuit gegaan en de kleine is geboren in een oude menschenhuis te Heeg. En er waren die hier kwamen in Bakhuizen. Maar dat was ook gauw weer mis. Want kanonnen werden gezet in Bakhuizen. Er waren jongens die nerveus waren want ze wilden niet voor de Duitschers auto`s besturen en dat ze maar naar het bos gingen. En dan `s avonds bij donker maar weer thuis komen. Verschrikkelijke pinksterdagen. Ook fietsen steelden de Duitschers zomaar uit de huizen, schuren en gangen. Het was niet veilig als je met een fiets aan kwam rijden, ze namen ze zomaar af. Of zei je ook ik kan hem niet missen je kon maar lopen. Toch moesten de Duitschers er vanaf zien. En ze zijn naar Holland gegaan. Ook hebben de marine mannen boten laten zinken daar de Duitschers ze niet konden krijgen. Toen de Duitschers kwamen bij de Afsluitdijk kwamen ze de Duitschers weer tegen. De vloot lag bij de Wadden te vuren op de Afsluitdijk bij Zurich en Makkum. Als er dan weer Duitschers op de Afsluitdijk kwamen maaiden de kanonnen ze eraf. Velen van de Duitschers die hier waren gejaagd en zenuwachtig. Want er werden hier weggehaald om daar te vechten. Er zijn vele Duitschers gevallen bij Makkum. Ook van onze soldaten lagen er in de forten en hebben daar veel gedaan, Ze hebben net zo lang geschoten tot ze niet meer konden om de munitie.

Zoo ging het hier toe maar hoe ging het elders in het land, wat gebeurde daar? Waar waren onze jongens. 48 van onze kerk en zowat 70 of 80 met elkaar. De een had er familie bij de andere haar man, weer anderen hun zonen. Wat is er in die dagen veel gebid. Maar gelukkig er kwam een eind aan onze oorlog. Maar toen moest het nog beginnen de ellende die we hebben meegemaakt. We hebben het toen niet kunnen denken dat we er nog vijf jaar in moesten door scharrelen. Gelukkig was het dat de minister bevel gaf om maar op te houden en de wapens neer te leggen. Want Nederland ging plat. Wat zijn er veel gevallen. De Grebbeberg. De plaats van het soldatenkerkhof duizenden liggen erop. Ik heb er eens iemand over horen vertellen die daar later een bezoek brachten. Veel was er gebombardeert. Rotterdam was plat. Vele kerken waren geraakt. Maar een kerk heb ik horen vertellen dat die ook geraakt was en tot de grond toe afbrande alleen het Mariabeeld waar altijd kaarsen bij branden en Maria in bloemen stond.

Want het was in de meimaand niet geschonden. Een teken dat Maria ons verder moest helpen. Zij heeft geholpen. Toen dan de wapens waren neergelegd en het rumoer wat ophield kwam het nog niet tot rust. Staveren werd bezet met Duitschers en daar ze in Staveren waren moesten ze patrouilleren van Staveren over Laaxum, Mirns Bakhuizen Hemelum. Warns en zo weer naar Staveren. Eerst ging het wel maar later werden de jongens opgeroepen om in Duitschland te werken. Durk en jozef kregen toen een ausweis dat ze mochten werken. Later hebben ze gewerkt te Leeuwarden op het vliegveld aldaar, dat werd toen zo gebombardeert . Dat ze gingen er niet meer heen. Ik ben liever thuis dood dan op het vliegveld zei Durk. Maar er moest wat verdiend worden, dat zodoende zijn ze aan het vissen gegaan.

Wat ook wel goed was want er kwam ook geen materiaal meer de moffen moesten alles hebben en het vischen ging best. Maar de meeste jongens gingen niet enkelen moesten omdat ze gepikt werden. Ook waren er enkelen die vrijwillig gingen. Een slecht leven gingen ze dan tegemoet. Onder de knoet van de moffen. Ook ging het hier dan op huiszoeking aan. Want als ze iemand zagen die zowat in de leeftijd zat dan werd er jacht op gemaakt net als op een wild dier. En ook schoten ze dan. Gelukkig is er niemand door getroffen. Doordat de jongens niet wilden te werken naar de moffen konden ze ook niet op straat en moesten er schuilplaatsen gemaakt worden. Overal elders en ook hier waren er ondergrondse. Wat betekent geheime strijders die alles tegenwerkten en hielpen om de moffen zo veel mogelijk tegen te gaan in hun werken. En die menschen hielpen de jongens om overal onderdak te vinden. Achterafboeren en schuren of hokken, hooizolders. Ook bij ons kwamen ze toen vragen en hebben één uit Leeuwarden gehad die had stiekum geslacht. Dat mocht natuurlijk ook niet want ze moesten alles hebben. En toen kwam hij bij ons onder een valse naam.

Ook jongens moesten bonkaarten hebben, Want men kon niet met de stamkaarten de bonnen halen daar ze dan de leeftijd wisten. Stamkaarten zijn kaarten waar onze naam volledig op straat en leeftijd, geboorte en ouderdom. Men neemt de stamkaart mee naar het distributiekantoor waar we dan bonnen krijgen voor de levensmiddelen. Nu waren de geheime dienst mannen die bonnen zagen te krijgen en uitdeelden aan de jongens die onderduikten. Dan werden ze zoo avonds door de deur gegooid. We konden ze dan herkennen wie ze waren. Want daar stond de doodstraf op later wisten we wel wie ze was. Maar we hebben het nooit aan iemand verteld. Hoe kwamen ze nou aan die bonnen voor de jongens zou u vragen. Ze steelden ze met overrompelen. Nu gingen ze elke dag naar een plaats bijvoorbeeld maandags naar Oudemirdum en dinsdags naar Bakhuizen enz. Ze wisten welke dag en welk uur ze kwamen. En dan overvielen ze zo’n auto met wapens en revolvers. En dat ging niet altijd op dezelfde plaats. Het is twee keer gebeurd van Workum naar Koudum en een keer van Balk naar Bakhuizen. Maar dan kan men de andere keer geen bonnen krijgen en moesten we ze van Balk ophalen. Men begrijpt wel dat op de mannen geloerd wordt er moest schuilplaats gezocht worden voor de geheime dienst mannen en ook voor onze jongens.

De een vond dit uit , de ander dat, er waren zelfs die in een bosrand een gat graafden en dan wat stro en wat dekens mee van huis. Want de moffen, groene politie noemden wij ze gingen de huizen wel in om te onderzoeken en alles onderste boven te halen. Ook wij moesten een uitweg zoeken. Op een nacht kon ik niet slapen en er maar over prakizeren waar moeten we Jozef stoppen als hier de groenen komen. Morgens zei ik zouden we niet een gat onder de vloer kunnen hebben met een luik. Wij savonds om een uur of twaalf aan de gang. Want geen een van de buren mocht weten wat we deden. Vier uur was het gat gegraven en de andere avond moest het opgemaakt worden. We vroegen wat stroo voor onze konijnen maar het was voor de schuilplaats. Het was klaar maar toen was het nog niet dringend om erin. Onze onderduiker wou zoo graag eens bij zijn vrouw zien, want die had wat te verwachten. Hij kreeg vrij van de geheime dienst en ging. Of hij gezien of verraden is we weten het niet maar hij is dadelijk gepikt toen hij in Leeuwarden was. Zoo ging het weer een tijdje, soms wel eens in spanning en Jozef ging toen nog wel mee te vissen. Want op zee ging het wel daar konden ze niet komen.

Durk en lieuwe en jozef gingen dikwijls naar Broekenhaven om daar visch te lossen en aan de burgers te verkopen. Want er kwam honger in Holland. Er waren die vroegen of ze ook eens een zak aardappelen mee wilden nemen. Dan namen ze eens wat groenten voor ons mee. Wat niet mogt.  Toen kwam de tijd dat de boten niet mochten varen of eigenlijk het was niet meer vertrouwd want ze schoten erop. Want het verkeer moest stil liggen. Het gebeurde is nog eens gebeurt toen schoten ze er weer op. Was met mijn nicht erop een meisje van mijn broer. Er kwamen twee doden op en gewonden.

Vreselijk als die vliegers zoo laag vlogen. Dan gebeurde er meestal wat. Toen kwam de tijd aan voor Durk en lieuwe om veel goed te doen voor hongerig Holland dan vroegen ze of ze meemochten om eten te halen uit Friesland. Dan hiervandaan met eten naar familie en bekenden. Altijd maar weer mee en pakjes brachten ze hier en namen zij ze weer mee. Dan kwamen er weer eens jongens die hem smeert waren uit Duitschland die graag mee wilden. Alles ging stiekum want als de groenen er achter kwamen. De winter van 44 op 45. Ook kochten ze hier wel aardappelen en dan brachten de boeren ze naar de schuit en zij brachten ze weer naar de andere kant. Maar er moest uitgekeken worden. Want al wat je deed er waren altijd weer verraders. Toen begonnen de groenen er op te passen. Maar ze zijn nooit gesnapt. Wel was het wel eens op het kantje af. Altijd weer werden we gewaarschuwd. Op een keer waren ze weer klaar dat ze een wagen vol pakjes weg zouden brengen, en dan moesten wij helpen om de pakjes naar de weg te brengen. Op een paar pakjes naar hadden we ze weg. Toen er iemand waarschuwde, ze zijn op de zeedijk. Weer moesten we alle pakjes wegsjouwen in de schuur en in huis. De groenen kwamen net om de hoek toen we de laatste pakjes opgepakt hadden en ze fietsten door.

Het was ook eens toen hadden ze pakjes en aardappelen bij weggehaald en zo naar ons. Ze kwamen om de hoek  de Groenen en Durk en Lieuwe uit Mirns. Ze rijden de wagen op ons land we hadden daar wat hout leggen, en beginnen hout op de wagen te laden. Ze groeten vriendelijk zullie terug, Een eind waren ze weg en het hout er weer af en de pakjes erop want de weg was vrij. Ze deden soms drie reizen in de week, prachtig werk zo voor een ander wat doen die honger hebben. En dan het volk dat ze overgebracht hebben. Het spijt ons nog steeds dat we ze niet onthouden hebben. Maar we kwamen wel over de 1000. Ook hebben ze nogal eens mannen meegenomen, die papieren bij zich hadden, als die papieren weggingen of verloren raakten dan was heel Friesland weggeweest. De man werd met een vrouw gebracht die de papieren droeg. En toen ze aan boord kwamen nam Durk de papieren over en bond ze aan een touwtje en hing ze over boord, aan de andere kant stond toen weer een vrouw die ze toen overnam. Toen was ik erg bang en bezorgd hoe het zou komen. Niemand wist er wat van. Het was de vooraanstaande man van de geheime dienst.

Ook een keer toen was het al vrede maar ze mochten nog geen een overbrengen, werden ze op zee gewaarschuwd door vissers uit Laaxum. Ook toen hadden ze weer van de geheime dienst aan boord. Ze zetten een andere koers en gingen op naar Lemmer. En daar tussen Lemmer en Oudemirdum hebben ze hen aan land gezet. En ze gingen weer naar Laaxum en daar stonden ze hen op te wachten en dachten nu hebben we ze maar het was mis niemand in de schuit, de andere daags hebben ze de koffers gehaald en niemand heeft het geweten. Maar moet je weten dat het toen ons eigen mannen waren die op hun pasten. Zo`n schoelje zat eronder. Maar ik loop mijn verhaal vooruit. Toen de Duitschers begonnen te zien dat ze verliezen moesten werden ze kwaadaardiger en werden de jongens sterker bespeurt. Het was dan dat het niet meer vertrouwd was dat de jongens op de straat kwamen. Jozef moest ook thuis blijven. In die tussentijd waren de geheime dienst hier al weer eens geweest met een ander uit de Joure. Dus toen had ik er twee onderduikers.

Maar het kwam zover dat ze moesten elke nacht in de schuilplaats want de moffen begonnen meer huiszoeking te doen. Overdag stond er altijd een op de uitkijk, kwamen ze de moffen dan gauw in de schuilplaats. Het ging wel eens vreemd. Eens hadden we bidden in de kerk en een beetje schemerig. Ik en Durk zouden weg en toen we om de hoek van het huis kwamen zagen we de moffen aankomen. Ik keerde direkt werom. Nu goedendag en ik het huis in en Durk liep stadig verder. Toen ik in huis kwam riep ik de schuilplaats in de moffen. Jozef gauw erin het luik erop. Het kleed eroverheen en ik weer weg. Maar ze gingen voorbij. Wij hebben altijd geluk gehad dat ze hier nooit geweest zijn. Daar haast ieder huis in Mirns. Toen we de vastenpreken hadden of we gingen alleen ter communie als er een mis was voor Johannes en die hadden we elke eerste zondag van de maand. Dan bleef hij in de schuilplaats tot we weer terugkwamen. Hij is in geen 7 of 8 maanden in de kerk geweest en dan bracht de pater de h communie voor de jongens. Later is de jouwster jonge weer naar huis gegaan. In de tussentijd is de V1 er ook nog geweest. Dat was verschrikkelijk. We wisten eerst niet wat het was op een avond. Een vreselijk gehoor. Durk wou er uit. Ik hem beet houden. want we wisten niet wat het was. Voorzichtig aan eruit. Een gehoor alles rammelde. We dachten eerst er vallen vliegmachines. Maar we hadden ook niks gehoord. Toen vertelden ze ons al gauw de andere daags. Want je mocht er niet uit na 7 uur. Dat het was de V1. Die was opgesteld in het bos op de Mirnserlaan dicht bij het vredes tempeltje. Ik meen dat er zowat bij de tachtig gegaan waren. Drie zijn mislukt. Maar dan beleef je wat. Een is in zee terecht gekomen en er is ook een in de Groenelaan terecht gekomen. En die had zoon vreeselijke uitwerking dat er verscheidene vensters er in Bakhuizen stuk waren.

De eerste juni 1943 is ook een dag geweest om nooit te vergeten. We hadden al eens gehoord de klokken worden uit de toren gehaald. Dan hier dan daar de moffen moesten alles hebben. Alles konden ze gebruiken. Nu die dag dan begonnen de klokken te luiden. Allen eruit wat is dat. Op een ongewoon uur hoorden we de klokken en het was niet om aan te horen. We zeiden wat luiden ze lang. En wat gebeurde er nu de Klokkenauto kwam in het dorp. En dat zagen de jongens. Ze vlogen naar de klokken en begonnen de klokken te luiden, net zolang dat het de klokkendieven begon te vervelen. Ophouden werd gewaarschuwd maar de jongens gingen door met luiden. Tot op het laatst de touwen werden doorgesneden. Daar gingen onze klokken. Die ons altijd opriepen om ter kerke te gaan. Klokken om het angelus te luiden, klokken die de doden naar het kerkhof begeleiden. Daar gingen ze nu. Een van de jeugd schreef erop: "Die met geweide klokken schiet wint de oorlog niet". Ze hebben de oorlog ook niet gewonnen. In juni 1943 was er ook eens verschrikkelijk veel vliegtuigen. Ik was net naar de kerk geweest en we zouden brood eten. Toen Jantje zei wat een vliegtuigen laten we eens buiten zien. Wij buiten en daar ging het bom, bom, bom tot 10 keer toe. Wij waren zo verschrikt dat we hingen aan elkaar. En wat was er gebeurt. 50 meter van ons af was een bom gevallen. 100 meter van ons af en verder van ons af nog drie. Het was net of er vuur regende. Wij waren zoo van streek dat we wisten niets van wat we deden. Nu hadden ze het op Laaxum wel gehoord daar dachten ze het huis is plat. Toen is Jozef zo hard hij kon naar huis gekomen te zien hoe het er voor stond. Wij durfden niet in huis. Toen Jozef erin daar waren alle deuren open van de bedsteden en de kasten , alle schilderijen waren van de spijkers, alle ramen waren stuk. Er was nogal wat wind dat de gordijnen scheurden door de glasscherven, boven wonder was er geen dode te betreuren. De andere 6 bommen kwamen terecht bij het huis waar Anne gewoond heeft. Wat is er toen veel volk op Mirns geweest. Ik zal een foto sturen waar we in het gat staan waar de bom is gevallen. Durk en mijn broer staan er boven op en twee meisjes van buurman en buurvrouw bij ons in het gat. De steen was er bovenop gezet die was uit het gat gekomen.

 

Staand op de rand van het bomgat, van links naar rechts, Alie en Klaske Tolsma, daarnaast Durk Nagelhout (vader van Johannes Nagelhout) en Gerrit Wypkes van der Wal. In het bomgat, achterste rij van links naar rechts:  Tryntsje Tolsma-Sikkes, Willemke Nagelhout-van der Wal, de moeder van Johannes, Jozef Nagelhout, een broer van Johannes. 

Middelste rij van links naar rechts: Jantsje de Lange-Nagelhout, een zuster van Johannes, Durkje Nagelhout, een zuster van Johannes, Sake Agricola. Vooraan: Pieter Johannes Bult.

Boven de steen en de beide meisjes is de woning van Durk en Willemke Nagelhout te zien op de hoek van Wieldyk en de Murnserdyk. Uiterst linksboven is nog een stukje te zien van de woning ‘It Herntsje’.

Op 23 december van dat zelfde jaar (1943) is er een vliegmachine op het Mirnser kerkhof  terecht gekomen. Dat was een verschrikkelijke uitwerking. Alle inzittenden meenden we eerst dat ze verongelukt waren. Maar er is een in zee terecht gekomen en verdronken ook een was op het land. De pater zou erheen maar de moffen weerden hem af. Het was verschrikkelijk om aan te zien. Er waren stukken van een die hingen in het puntdraad te branden, dan zag men een voet daar een hand. En de machine was zo uit elkaar geslagen dat de stukken lagen bij het bos. Frans van Johannes Kuiper  die was er net om een boomstam uit het bos te halen met een paard en wagen ook zijn zoon. En die kreeg die gloeiende benzine over zijn gezicht dat die hebben ze thuis moeten brengen ook zijn zoon kreeg letsel maar niet zo erg als Frans. De 3e Januari kwam er weer een neer en wel bij waar Karel Zandstra woonde die kwamen bij nacht. Daar zijn nog piloten ontsnapt en zijn , dat hoorden we later, opgeborgen bij boeren en burgers. Want toen de bevrijding kwam kwamen ze voor de dag. Toen kwam al gauw de invasie maar ze kwamen niet hier daar moest eerst nog wat gebeuren. Het is niet te beschrijven en ik zou nog wel een schrift nodig hebben om alles op te schrijven. Maar het gaat er maar om wat hier gebeurt. Een paar weken voor de bevrijding kwamen hier nog eens extra slechte moffen die alles meenam wie hun tegen kwam. Zoo was het hier op het hoekje daar kwamen ze met een vriend van Jozef aan. We waren gewaarschuwd. Ze kwamen een vriend tegen van Jozef. Het zal wel wat meevallen zei hij. Ze hadden hem gezien en er achteraan en ze snapten hem en moest mee. Ze pakten met elkaar 4 en op transport naar Duitschland. En dan moet men zulke jongens goed kennen. Lang hebben ze er niet geweest. Want de bevrijding was op komst. We hoorden het al gauw. De Canadezen zijn in Friesland. Maar voor dat de moffen weggingen moesten ze eerst nog de boel vernielen. Zoo was het dan de avonds van de bevrijding gingen ze naar Warns en lieten de brug opblazen en in Staveren de sluisbrug. Later heeft Jozef weer meegeholpen om  een noodbrug er over te leggen.

Toen kwamen de moffen hier langs zoo verschrikkelijk dronken. Dat ze konden niet fietsen. En schreeuwen dat konden ze geweldig. We waren nog niet op bed de lamp uit en de verduistering even omhoog en toen konden we ze zien. Maar het was wel hun laatste rit. De andere daags ging het geroep de Canadezen komen dan was die plaats weer bevrijd en even verder weer een. Totdat we de vlag op de toren van Warns zagen. Onze kinderen en meer van Mirns zouden naar Bakhuizen want ze dachten daar komen ze langs en toen riep Durk ze weer terug want ze komen van Staveren af 10 tenks. Het was in een ommezien verspreid en je kon niet begrijpen waar het volk zo gauw vandaan kwam. En wat was het tot aller blijdschap ze bleven precies voor ons huis staan. En wuifen en handendrukken. Men wist niet wat je overkwam. Je voelde je zoo vreemd en was zoo blij. Toen gingen er 4 tenks naar bakhuizen en de anderen gingen door het bos naar Rijs. Daar kwam de vlag op de toren sedert 6 jaar had hij niet gewappert. Het was 17 april toen wij zijn bevrijd. Maar er was iets vreselijks aan vooraf gegaan bij de Afsluitdijk. Ikzelf ben er langs gegaan de zomer na de bevrijding. Er zijn minstens 13 boerderijen verbrand. De moffen wilden het niet opgeven en toen werden ze beschoten vanaf Bolsward. Die toestanden kan ik niet beschrijven. Later moesten ze het opgeven. Maar daar zijn veel doden gevallen. Wat een vreugde dat we bevrijd waren. Nu ga ik direkt weg en we hebben hem voor de avond niet weer gezien. Want het corps was aanwezig en de buurt in het rond. En hoe trof het ook het corps kwam eraan en van de andere kant de Canadezen. Er werd halt gehouden en werd ter ere van de Canadezen een mars gespeeld. Onze pastoor heeft met hun gepraat want geen mens kon hen verstaan. Maar ze zagen wel dat ze welkom waren. Toen aan het feestvieren. Ik en Durk zijn maar thuis gebleven we misten een en we konden er maar niet best overheen komen maar de kinderen mochten hun nu wel eens uitspringen. Toen hebben ze een mooi feest gehad.

Het was 5 mei dat we bevrijd waren. Toch waren we eerder bevrijd dan Holland. Ondertussen waren hier nog evacuees gekomen uit Roermond. Daar vochten ze zoo geweldig dat de burgers werden eruit gedreven en kwamen hier onderdak zoeken. Als je dat gezien had al die arme stakkers verkleumt van de kou op de boerenwagen werden ze gehaald en dan meest moeders en kleine kinderen. In tijden geen eten gehad  en weken onderweg geweest. Verschrikkelijk als men ze zag. Ze konden niets meenemen dan alleen het nodigste. Ook waren hier voor de bevrijding kinderen onder gebracht uit alle plaatsen. Veel nogal uit Amsterdam. Allen van de honger moesten ze hierheen. Een ieder had haast een. Er waren op de school meer vreemde kinderen dan van onze eigen burgers. Ook wij hadden er een. Wij hebben haar zowat een half jaar gehad. Ze zijn nog steeds dankbaar. Wij krijgen nog altijd brieven wat ik erg op prijs stel. Op Koninginnedag is het grote feest geweest dat was met de koningin haar verjaardag 31 augustus. In ons dorp is het feest gevierd op 6 en 7 september. Want er waren overal feesten in alle dorpen en daar ze toch niet alle op een dag konden. Prachtige optochten overal. Ook in Bakhuizen zijn ze niet achtergebleven. Er moest als het kon alles gebeuren. We waren vrij en dat kon niet beter tot uiting komen dan met een welgeslaagd feest. De eerste dag werd besteed aan de schoolkinderen , de vreemde kinderen waren intussen allen al weer weg. Een prachtige optocht van kinderen want daar werd alles opgezet. Voor het meisje een poppewagen versierd en voor de jongen van Gouke en Trien hebben we het kruiwagentje versierd.

Toen werd er limonade koek en snoep uitgedeeld een ieder kreeg wat. Toen moesten ze spelletjes doen. Een hele mooie middag voor de kinderen. Namiddag ringrijden voor grooten. Ook Durk deed mee. Ik zal er een foto over sturen. Avonds dansen. De andere daags was het feest opgezet voor de grooten. Ook onze meisjes deden mee. Op het programma stond een versierde optocht en aller medewerking werd verzocht. Onze meisjes en vriendinnen bij elkaar om te praten, zullen wij ook wat. Na veel overleg zouden ze dan maar een versierde wagen. Veel werd gepraat over wat zouden we doen. Toen kwamen we op het idee Vrede over de Grebbeberg. Dat is het soldatenkerkhof ergens in Nederland. Nu stond Jantje in het zwart bij een kruis, met een klein meisje en het meisje had een boeket bloemen in de hand wat moest beduiden dat ze het op vaders graf legde. Een krans hebben we gemaakt en de andere meisjes die erachter knielden beduiden engelen. Voor stond Maria in het blauwe kleed met gouden kroon en daarnaast twee engelen zegenend over moeder en kind. De vloer was bedekt met heide de wagen verder met witte lakens en varens uit het bos. Het was een prachtige wagen. Er waren 48 groepen. Tante Sibbeltjes meisjes deden ook mee die hadden de tweede prijs. Wij hadden de eerste prijs. Morgens liep ik zoo door het publiek en hoorde ik al eens zeggen, vrede op de Grebbeberg wint vast de prijs. Ik dacht het wordt toch niets want er waren prachtige wagens. Roodkapje, Sneeuwwitje, Vrede waren er drie. Allen even mooi. Elk had zijn best gedaan. Namiddag volksspelen. `s avonds weer dezelfde optocht en daarna dansen. 

Avonds toen de optocht afgelopen was hebben wij. Ik en de meisjes de krans gebracht naar het kerkhof naar de graven van de piloten die daar begraven waren van omgekomen vliegmachines. Avonds voor het feesten was er een herinnering aan de gesneuvelde soldaten. En aan de vreemden die lagen op het kerkhof. Het waren Engelsen Amerikanen, Canadezen en Australiërs. Dat was plechtig. Allen gingen we om de graven heen staan het muziekkorps speelde een treurmars en daar kwamen witte bruidjes met kransen en bloemen. Die werden onder het spelen van het volkslied gelegd op de graven, Ook waren hier nog enkele soldaten en die brachten het eresaluut. Toen heeft pastoor gesproken over hen die gevallen waren om ons te bevrijden. Ook werd onze Johannes nog eens aangehaald in zijn rede. Wat ons natuurlijk erg aan het hart ging. Daar er maar één was weggebleven en dat was onze Johannes. Zo verliepen dan de feestelijkheden. En het werk ging weer zijn gang. Wij dachten er zal wel gauw verbetering komen maar dat komt niet gauw. Nu zal ik nog een historische gebeuren vertellen van het kerstfeest in het jaar 1945. Nachts gingen we half drie naar de kerk. Daar werd de toren van onze kerk verlicht dat was een mooi gezicht, de klokken waren eruit om ons te roepen tot de nachtmis.  Daar begon opeens vanuit de toren waar eens de klokken hingen het stille nacht te spelen. Door het muziekcorps. Wat was dat een aandoenlijk gehoor. Men kan niet huilen en niet lachen en toen gebeurde er iets vanbinnen. Heel in de verte werd het gehoord, Jammer dat er een beetje wind stond. Ook deze kerstnacht zullen we nooit vergeten."