Kamp ‘Eisbär’ in Sondel

EEN LUCHTOORLOG
Voor het eerst in de geschiedenis werd de loop van de Tweede Wereldoorlog grotendeels bepaald in de lucht. De Britten en later de Geallieerden hadden als doel het bombarderen van de Duitse industrie en de wooncentra. Om dit te voorkomen werden geallieerden met luchtdoelartillerie en jachtvliegtuigen bestreden. De luchtmacht van de Duitse bezetter, de ,,Luftwaffe”, werd ingezet ter verdediging. Die verdediging richtte zich op het in een zo vroeg mogelijk stadium neerhalen van hun ,,vijandelijke” bommenwerpers. Deze vluchten werden ‘s nachts uitgevoerd en vandaar dat de luchtoorlog door de Duitsers ,, Nachtjagd” genoemd werd. De commandant van deze nachtjagers was Oberst Josef Kammbuher. Hij ontwikkelde een verdedigingssysteem waarbij met het gebruik van radarstellingen de ,,Nachtjagd” beschikte over een goede verdediging. Met gebruikmaking van vliegvelden in het bezette gebied, de zogenaamde Fliegerhorsten, kon de luchtoorlog boven Nederland efficiënt worden uitgevoerd.

DE LUCHTVERDEDIGING
Aanvankelijk bestond de luchtverdediging vanaf eind 1940 uit een gordel van schijnwerperopstellingen en van afweergeschut, de FLAK (Flugzeugeabwehrkanone). De Duitse én de vijandelijke toestellen werden vanaf de grond ,,bijgelicht”, waardoor deze eerste fase van de luchtoorlog ook wel de ,,helle Nachtjagd” werd genoemd. De Britse piloten wisten al snel waar de opstellingen stonden en vlogen daar zigzaggend omheen. De Duitsers breidden hun verdedigingssysteem daarom snel uit met ,,Nachtjagdstellungen”. Vanaf de zogenaamde ,,Jägerleitstelle” werden de verdedigingen gecoördineerd. De radar, een betrekkelijk nieuwe vinding, werd tijdens de oorlog voor het eerst grootscheeps ingevoerd om bij te dragen aan een succesvolle verdediging.

EEN DEKKEND SYSTEEM
Al in 1941 werd begonnen met de aanleg van een dekkend systeem van radarstations. Een jaar later was er volledige dekking van radar boven land. Deze zogenaamde Kammhuberlinie – bij de geallieerden beter bekend als ,,Himmelbett” - werd genoemd naar commandant Josef Kammhuber van de nachtjagerverdediging. Op 17 juni 1940 was hij tot commandant benoemd en had hij zijn intrek genomen in zijn hoofdkantoor van Het Slot in Zeist. De keten van radarstellingen strekte zich uit - met overlappende radargebieden van 40 kilometer tussenruimte - van Noorwegen tot aan Zuid-Frankrijk, met het breedste deel over Nederland. De afstand van 40 kilometer was gekozen omdat de reikwijdte van de ,,Würzburg – Riese” radar ook 40 kilometer was.
Aan de kust stonden drie waarnemingsstations, de door de Engelsen omschreven ,,early-warning stations” die de geallieerde bommenwerpers al boven zee moesten signaleren. Een tweede reeks stations stond meer in het binnenland.

RADAR- EN PEILSTATION EISBÄR IN SONDEL

Sondel 1942. De Frya radar is nog niet geplaatst, maar de locatie is herkenbaar. Op de voorgrond links-vooraan op de bunker met lichter dak en geen schoorsteen, net achter een barak. Ook de radio zendmasten die het contact onderhouden met de vliegtuigen op UKW-golflengte vanuit het Auswertegebouw/Commandocentrum. zijn er nog niet (Foto in eigendom van E. Landman/Recreatiecentrum Sondel en geplaatst op www.luchtoorlog.net)

In de strenge winter van januari 1942 beginnen de Duitsers bij 16 graden onder nul met het bouwen van een aantal houten barakken op een 50 bunder groot terrein, even ten Westen van het dorp Sondel. Deze locatie, bestemd voor een Funkmessestellung (radarstelling), ligt in het gebied waar de stroom van geallieerde bommenwerpers regelmatig langs komt op hun weg naar Duitsland en weer terug. Daarbij kiezen ze vaak de route tussen Terschelling en Den Helder. Sondel vult voor de Duitsers een gat op in hun luchtverdediging van Noordwest-Nederland. Het terrein is ook uitgezocht vanwege de hoge positie (7,2 meter boven NAP) en de ligging dichtbij het IJsselmeer. Op het IJsselmeer zijn geen storende obstakels die het opvangen van radiosignalen kunnen verhinderen. Begin 1941 is de bezetter begonnen met de onteigening van enkele huizen en gronden in Sondel. De bouw wordt mogelijk door in totaal eerst acht hectare grond te vorderen van o.a. de familie Kerst Bangma (2 hectare) en van Frans Smits. Ook moeten er arbeiderswoningen worden afgebroken. Hiervoor betalen de Duitsers f. 2732,98 (€ 1240,17). De totale bouwkosten zijn geschat op 12.000.000 gulden (€ 5.500.000). De architect-aannemer van het kamp in Sondel is Jurjen Martens Koksma, geboren 27 augustus 1907 in Leeuwarden.

Koksma wordt na de oorlog veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf, ontzegging van het kiesrecht, ontzegging van het recht bij de gewapende macht te dienen, wegens hulpverlening aan de vijand. Hij was onder meer werkzaam geweest als Technisch Angestellter bij de Bauleitung van Vliegveld Leeuwarden dat door de Duitsers werd ingericht voor de Luftwaffe. Hij had de bezetter ook geholpen bij het opsporen en in beslag nemen van een gevorderd Nederlands schip. Ook is hij veroordeeld omdat hij militaire bouwwerken voor de Duitsers had uitgevoerd zoals radarkamp Eisbär in Sondel.

Het is een koude winter waarin op donderdag 22 januari 1942 de schaats Elfstedentocht gehouden wordt met 5300 deelnemers. Als vanuit Lemmer halverwege februari 1942 de eerste vrachtwagen met bouwmateriaal verschijnt, wordt vanwege de lage temperaturen door de Duitsers en de werklui van de firma Koksma uit Leeuwarden al vrij snel de naam ,,Eisbär” aan het kamp gegeven. Bij de bouw zijn ook enkele lokale werklieden betrokken tegen een goede betaling.
Het is bij de Duitsers een gewoonte om dierennamen aan de kampementen te geven. Sondel krijgt dus de naam Eisbär (IJsbeer). Er wordt direct begonnen met het aanleggen van de fundamenten voor de 18 bunkers waarop luisterapparatuur gebouwd zal worden. Bouwen valt niet mee bij een temperatuur van 16 graden onder nul. Vooral het maken van het beton stagneert.
Het worden typische Duitse bouwwerken waarvan het beton een hoog zoutgehalte heeft die later als “druipstukken” worden aangemerkt. De barakken komen in maart 1942 met een boot aan in Sloten als een soort bouwpakket. Boeren uit de naaste omgeving van Sondel moeten zich in Sloten melden met paard en bolderwagen om de ,,bouwpakketten” van Sloten naar Sondel te brengen. Dat is voor de boeren de eerste mooie gelegenheid om verzet te plegen. Onderweg wisselen heel wat platen en ander bruikbaar materiaal van eigenaar. Die worden dan stiekem op het eigen erf gedropt en naar een geheim plekje geschoven. Het resultaat is dat ze op het kamp te maken krijgen met onvolledige pakketten, die ook nog eens kapot zijn en door elkaar liggen. Het in elkaar zetten van de prefab barakken duurt dan ook langer dan gepland is. Behalve de barakken worden er twee radarapparaten, twee stellingen voor luchtdoelgeschut, een kleine zendinstallatie, een stoorzender en een installatie voor afluisterapparatuur gemonteerd. De eerste zestig militairen van de verbindingstroepen vinden eerst nog onderdak in Sondel zelf.

Er zijn in totaal 3 commandanten geweest. Van al deze drie personen wordt gezegd en geschreven dat zij zich menselijk en ridderlijk gedragen hebben tegenover de burgerbevolking, maar ook tegenover de vijanden die dood of levend in hun handen kwamen. De Duitse Oberleutnant Herbert Joesch wordt op 1 februari 1942 aangesteld als eerste commandant in Sondel. Hij blijft hier tot 1 april 1943 in functie. Dan wordt hij opgevolgd door Oberleutnant Harald Thiedecke. Van hem is bekend dat hij niets moet hebben van het de praktijken van Hitler. Hij verafschuwt de S.S., de Gestapo en al het verdere politiegespuis. Hij handelt ridderlijk tegenover gevangenen of tegenstanders. Dat heeft hij al meer dan eens laten zien. Thiedecke blijft tot 1 februari 1944 in functie. De Duitse Oberleutnant Hans Hauenstein wordt dan de derde – en laatste – commandant van Kamp Sondel.
Het kamp heeft niet de uitstraling van terreur en onderdrukking. De militairen maken een rustige indruk en aan actieve opsporing van Joden en onderduikers wordt eigenlijk niet gedaan. Het gaat zelfs zover dat een Oostenrijkse soldaat in Duitse dienst zich verlooft met een jongedame uit Sloten. Zij had nauwe familiebanden met een gezin in Sloten dat met de Duitsers sympathiseerde
Ook is het volgende verhaal bekend: In het najaar van 1944 wordt op een late avond op een kamerruit geklopt bij schoenmaker Teeuwes de Jong in Balk. De bewoners schrikken, want wie kan dat op dit late tijdstip zijn en dan nog wel in spertijd en bij strikte verduistering. Mevrouw De Jong opent de deur en daar staat een jonge Duitse militair uit kamp Sondel. Hij heeft een schoen in zijn handen met een verbrande zool. Hij vraagt of schoenmaker De Jong die wil repareren, want de commandant heeft gezegd dat de militair zelf maar moet zorgen dat de schoen binnen een dag gerepareerd wordt.
De soldaat vertelt erbij dat de commandant ook gezegd heeft dat hij direct naar het Oostfront zou worden gestuurd als de schoen niet gerepareerd wordt. Mevrouw De Jong vraagt de militair te wachten en gaat naar binnen. Hier zegt zij tegen haar man: ,,Teeuwes, hjir stiet in Dútske militêr oan ‘e doar. It is noch mar in bern. Wolst him asjeblieft helpe oars wurdt hy nei it Oastfront stjoerd”. (Teeuwes, hier staat een Duitse militair voor de deur. Het is nog maar een kind. Wil jij hem alstublieft helpen anders wordt hij naar het Oostfront gestuurd). De Jong overwint zijn weerzin tegen het helpen van de vijand en repareert de schoen. Dat deze Duitse militair hier als privépersoon staat, zegt niet alleen iets over over het gebrek aan leer, maar ook over de organisatie in het Duitse kamp. Een enkeling van de lokale bevolking kan zaken doen in het kamp. Zo haalt A. Osinga een oude buurman van het kamp de schillen op en verkoopt hij met Kerstmis speenvarkens aan de soldaten. Ook knapt hij regelmatig karweitjes op. Anne Alberda rijdt dagelijks vanuit Lemmer op en neer om brood te brengen. Hij wordt daarbij altijd begeleid door een Duitse militair. Er doet een verhaal de ronde dat er tijdens een razzia van de Duitse Sicherheidsdienst en de Landwacht een schuilplaats voor onderduikers is aangeboden in het kamp. Dit verhaal kan overigens niet worden bevestigd.

Minder mooi is dat de ondercommandant op 6 april 1945 meewerkt aan de moord in Nijemirdum op 5 mannen van de BS en KP uit IJlst en Sneek. Hij wijst de wrede executiecommandant Ströbel een stille executieplaats aan bij de Sânfearderhoek aan het IJsselmeer onder Nijemirdum.

Op donderdag 5 maart 1942 wordt voor de tweede maal bouwmaterialen aangevoerd om het kamp verder uit te breiden. Deze keer zijn het 500 houten palen. Dit wordt gedaan door Nederlandse arbeiders en boeren uit de directe omgeving van het kamp, die verplicht worden om te helpen bij het materialenvervoer. Het werk en het vervoer zijn op dat moment niet gemakkelijk, omdat de sneeuw op sommige plaatsen 2 meter hoog ligt. Een vrachtwagen van de Duitsers vordert maar heel langzaam vanwege de sneeuwbanken en de sneeuwstorm. De vrachtwagen komt ten slotte muurvast te zitten ter hoogte van de lagere school in Sondel. Direct gaan de Duitsers naar de dichtstbijzijnde boer om materiaal te vorderen, zodat de weg weer vrij gemaakt kan worden. De boer probeert er onderuit te komen door te zeggen dat hij het materiaal hiervoor niet heeft. Als er gedreigd wordt dat hij zal worden opgepakt kiest de boer eieren voor zijn geld en voert de opdracht uit. Kennelijk heeft men het Kamp in juli/augustus helemaal klaar want op 25 augustus 1942 maakte burgemeester Schwartzenberg bekend dat het betreden van de Duitse stelling te Sondel slechts is toegestaan door de hoofdingang aan de Delbuursterweg. Daarbij is het strengste verboden en levensgevaarlijk, de om de stelling aangebrachte afsluiting aan te raken, er onder door te kruipen of er over heen te stappen. Bij het wederrechtelijke betreden van de stelling zal terstond van de vuurwapens gebruik worden gemaakt. Bij overtreding stelt men zich aan de zwaarste straffen bloot.

Ongeveer een jaar later worden de houten barakken vervangen door stenen gebouwen die alle bovengronds staan. De capaciteit van het kamp wordt vergroot met de installatie van twee grotere luisterapparaten. Een onbekend gebleven inwoner uit Sloten schrijft in zijn dagboek dat op 4 maart 1943 plusminus 200 Duitse militairen op de fiets Sloten passeren. Een dergelijk grote groep is natuurlijk ongewoon en het is best mogelijk dat dit nieuwe bewoners waren voor Kamp Sondel.Vrijdag 8 mei 1942 heeft de Oberleutnant und Kompagnie-Führer van de Dienststelle L 26308 Lg. Pa. Amsterdam üb. Bergheim - een officieel document naar de gemeente Gaasterland gestuurd met daarin de mededeling dat zij in Sondel ten dienste van het kamp beslag hebben gelegd op de volgende woningen:

Op 20-04-1942: Een dubbel woonhuis van Anne Dam.
Op 20-04-1942: Een vrijstaand woonhuis van Jelte Scholtanus.
Op 27-04-1942: Twee woonkamers van eigenaar Jouke Tittes op de Hoek
Op 29-04-1942: Een woonkamer van P. Boomsma.
Zaterdag 17 april 1943 zijn de dubbele woning en de vrijstaande woning ontruimd en afgebroken.
Verder is er een lijst van alle eigenaren die gebouwen of landerijen af moeten staan aan de Duitse Weermacht. Het betreft hier:
Anne Dam, Sondel
J.W. Eppinga, Sondel.
Sijbren Dooper te Ruigahuizen
Pieter Boomsma, Sondel
Pieter IJdes de Jong, Sondel
Wed. P. Deinum, Sondel
Jelte Scholtanus, Sondel
Doeke Balstra, Sondel
Bauke de Vries, Ruigahuizen
Wed. D.H. Boersma, Sondel
H. Kramer, Ruigahuzen
Gerben Jaarsma, Nijemardum
Tj. H. Visser, Sondel
R.P. Scholtanus, Wijckel
Gebroeders. Samplonius, Sondel
Cath. Dorothea Star Numan, gehuwd met O.G. Heldring, Hemmen
Wed. J.D. Tuinier, Oudemirdum. T. Beuckens is de gebruiker.
U. Bangma te Sondel
Wed. Kl. Pelsma, Sondel.

Overzichtsfoto van het kamp Eisbahr in Sondel

De groei van het kamp

De Duitsers houden er rekening mee dat de Royal Air Force (R.A.F). heer en meester in het luchtruim gaat worden. De Luftwaffe zal dus de handen vol krijgen en daarom moet een verdediging worden ingesteld. De Duitsers besluiten door middel van dit soort kampen het verdedigingssysteem van ,,die Heimat” zo goed mogelijk op te bouwen. Het kamp Sondel wordt daarom uitgebreid. In de winter van 1943 – 1944 vindt de volgende verbouwing plaats. In plaats van bovengrondse gebouwen worden er nu 18 bunkers gebouwd en wel zodanig dat de helft van een bunker onder de grond komt. Daarnaast komen enkele houten gebouwen te staan voor de administratie, als garage, enzovoort. De bunkers dienen als verblijfplaats voor de officieren en manschappen, waaronder een aantal voor de vrouwen die bij de Luftwaffe in dienst zijn, ondermeer als telefoniste. De werkzaamheden worden uitgevoerd door Nederlandse arbeiders, die zich aanmelden vanwege de goede verdiensten en een mogelijke vrijstelling van tewerkstelling in Duitsland.

Zo zullen vader en zoon De Jong uit Sloten ook hebben gedacht. Alleen de rechter vond hun medewerking strafbaar. Op 27 mei 1947 meldde het Friesch Dagblad “dat vader en zoon De Jong, beiden schilder van beroep en woonachtig te Sloten voor het Tribunaal in Sneek waren verschenen. De heren waren vrijwel gedurende de gehele bezetting werkzaam geweest bij het verven van barakken in een Duits kamp te Sondel. En dit was volgens hun verklaring eigenlijk geschied, althans was het hoofddoel, om junior voor tewerkstelling in Duitsland te vrijwaren en een broer van de vader die in Vught zat, vrij te krijgen. Vader de Jong kreeg hiervoor een boete van f. 7500,00. De tegen de zoon uitgebrachte dagvaarding werd vervallen verklaard”.

Ook worden boeren uit Sondel en naaste omgeving gevraagd om werk te verrichten. Zij moeten een paard of een wagen – en soms allebei – ter beschikking stellen van de vijand. In eerste instantie wordt dat vrijwillig gevraagd. Als vergoeding wordt een bedrag uitbetaald van f. 0,52 per uur bij een 48-urige werkweek.
De bunkers zijn evenwel van slechte kwaliteit doordat er behoorlijk gesaboteerd wordt bij de bouw. De Duitsers zijn zelfs bang voor instortingsgevaar als het kamp zou worden aangevallen. Slopersbedrijf Haarsma bevestigde in 2008, toen veel bunkers geheel afgebroken werden, dat de kwaliteit van de bunkers inderdaad heel slecht was. Bij de bouw was veel te weinig betonijzer gebruikt en ook nagenoeg geen cement in de betonspecie. De kraan van het sloopbedrijf boorde zich moeiteloos door de 40 centimeter dikke betonnen daken en gemetselde bunkermuren. Een aantal stenen gebouwen blijven bestaan, waaronder het hulpziekenhuis dat voorzien is van douchecellen, een ontsmettingskamer enz.

Behalve de luisterapparatuur komen er stellingen voor het 20 mm luchtdoelgeschut en een raamantenne voor de zendinstallatie. De verblijfplaatsen van de officieren zijn voorzien van vaste wastafels die aangesloten zijn op de elektrische pompinstallatie van het kamp. In de andere bunkers zijn zuiveringstanks voor het drinkwater. De bekabeling van het kamp is oorspronkelijk bovengronds via palen en later ondergronds. Het gehele kamp is beveiligd door eenmansgaten, mitrailleursnesten, enige stukken 20 mm luchtdoelgeschut en een geheimzinnige gladde dubbele prikkeldraadversperring. De firma Dekenga uit Leeuwarden brengt in mei 1942 deze versperring aan. De veertien werknemers werden in herberg Boschwijck in Wijckel ondergebracht. De herbergier ontving f. 2,25 per dag voor deze mannen. Wel moesten ze op de zolder van de herberg in het stro slapen.
Menigeen denkt dat deze versperring elektrisch geladen is. Een Duitse soldaat, die zijn buik vol heeft van de hele oorlog, laat zich eens ontvallen dat er bij het aanraken van deze versperring een lichtkogel wordt afgeschoten en dat er in alle bunkers een rood licht gaat branden. Enkele mannen van de ondergrondse in Gaasterland – de K.P. - willen dit wel eens testen en jagen op een nacht een aantal grotere kalveren op die daarbij tegen de prikkeldraadversperring lopen. Het verhaal van de Duitser blijkt waar te zijn.
Hetzelfde ondervindt Jaap Mulder, de schoonvader van Kerst Bangma. Bangma vertelt later dat zijn schoonvader problemen had met dit prikkeldraad omdat hij als naastliggende gebruiker bij het maaien van zijn hooiland op in keer per ongeluk met zijn maaimachine tegen de draad was gekomen. Er was groot kabaal ontstaan, want er begonnen tientallen bellen te rinkelen.
De Duitsers waren op Mulder afgekomen en riepen ,,Mitkommen, sabotage”! Met lood in zijn klompen moest Mulder mee naar de kommandant. Na veel vijven en zessen – en onder beloften dat het nooit weer zou gebeuren – werd hij weer vrijgelaten.
De camouflage van het kamp bestaat uit honderden meters gaas en camouflagestof gespannen over de ruimten tussen de bunkers. Alle gebouwen en het camouflagemateriaal zijn groen gekleurd. Tot het laatst toe wordt aan het kamp gebouwd, verbouwd en afgebroken. Naar het schijnt is het de heren nooit naar de zin.

Vanaf augustus 1943 geeft de leiding van het Kamp Sondel opdrachten aan burgemeester Schwartzenberg om publicaties uit te vaardigen. De inhoud hiervan zijn veiligheidsmaatregelen vanwege de uitbreiding van het kamp.
De eerste publicatie is op 5 augustus 1943 en heeft betrekking op de veiligheidsvoorschriften rondom het kamp zelf.
Schwartzenberg maakt bekend dat binnen een omtrek van 300 meter, gemeten vanuit de afscheiding van het terrein der stelling Sondel, geen koren meer mag worden verbouwd. Op 3 september 1943 krijgt hij weer een opdracht van de Duitse kampcommandant van Sondel. Alle landerijen gelegen binnen de grens van de stelling Sondel mogen niet worden bebouwd dan na verkregen toestemming van de Hauptfeldwebel. Voorts moet er rekening mee worden gehouden dat de grens van de stelling binnenkort aanzienlijk in Noordwestelijke richting zal worden uitgebreid. Op 24 september 1943 volgt de bekendmaking dat de hekken, aanwezig binnen de stelling Sondel, niet hoger mogen zijn dan een halve meter. Als de aanwezige hekken hoger zijn, dan moeten deze worden veranderd en tot een halve meter worden teruggebracht. Binnen de omtrek van 70 meter van elk der beide houten torens mogen in het geheel geen hekken staan, terwijl de aanwezige hekken direct moeten worden verwijderd. De bij de stelling gelegen greppels en sloten moeten direct worden opgeschoond. Op 29 september 1943 laat de Duitse commandant publiceren dat alle landerijen binnen de grens van de stelling Sondel, ook het nieuwe aangelegde deel in Noordwestelijke richting, niet mogen worden bebouwd dan na toestemming van de Hauptfeldwebel. Nog eens herhaald wordt dat binnen een omtrek van 300 meter gemeten vanuit de afscheiding van het terrein der stelling, geen koren mag worden verbouwd. Wel mogen binnen de genoemde afstand aardappelen, bieten en kool worden verbouwd.

Op 8 oktober 1943 laat de Commandant publiceren dat er bij het kamp Sondel niet gejaagd mag worden en dat er geen schot mag worden gelost. Op 13 december 1943 ontvangt Schwartzenberg een opdracht vanuit kamp Sondel dat de gemeente moet zorgen dat er een bruggetje over een sloot wordt gemaakt, zodat de Duitsers snel, ingeval van storingen, bij de ondergrondse telefoonleidingen kunnen komen.
Ook moeten de boeren opdracht krijgen de sloten schoon te maken. Dit keer vraagt Schwartzenberg eerst advies aan de staatsraad. Hij vraagt of aan dit verzoek mee moet worden gewerkt of dat hiertegen bezwaar moet worden gemaakt, omdat de ingezetenen een verplichting wordt opgelegd om medewerking te verlenen aan de instandhouding van zuiver militaire werken.

In het begin van de maand april 1942 wordt de eerste groep van 60 Duitse militairen ingekwartierd. Zij vinden eerst onderdak bij particulieren in Sondel en later in het kamp. De bemensing van het kamp bestaat maximaal uit 400 personen. Van dit aantal bewaken 150 Duitsers in ploegendienst het kamp, de installaties en de apparatuur.

Vrouwen in het kamp

De Val van Stalingrad op woensdag 3 februari 1943 bezorgt Duitsland een smadelijke nederlaag in Rusland. Hitler denkt nog steeds niet aan capituleren en wil nog meer soldaten naar Rusland sturen, zodat hij het leger niet verder behoeft terug te trekken dan de Don en de Dnjepr. Gevolg hiervan is dat in Duitsland een studie plaatsvindt op welke manier de Führer zijn zin kan krijgen met het sturen van meer militairen naar Rusland, zonder het eigen Duitsland te verwaarlozen. De oplossing wordt gevonden. Duitse militairen in het buitenland worden terug gehaald en naar het Russische oostfront gezonden. Ook een behoorlijk aantal Duitsers in kamp Sondel moet vertrekken om aan het Oostfront te gaan vechten. De werkzaamheden in Sondel kunnen gewoon doorgaan, omdat er vrouwen, z.g. ,,Blitzmädeln” in kamp Sondel te werk worden gesteld. Zij worden aangeduid als de ,,nachrichtenhelferinnen”. Zij kunnen evenals de mannen de apparaten wel bedienen en het telefoonwerk doen.

Op www.spanvis.com vertelt mevrouw Gré de Groot–Bolhuis, toen kapster in Lemmer, een anekdote over die tijd. Hieruit valt op te maken dat de dames niet helemaal vrijwillig naar Sondel zijn gekomen: “In Sondel, vlakbij Lemmer, was een Duits kamp ingericht met jonge Duitse meisjes, vrouwen en mannen. De vrouwen kwamen geregeld in onze kapsalon, meestal met twee tegelijk. Soldaten kwamen ook meestal met zijn tweeën, ik denk dat ze elkaar in de gaten moesten houden. Ik herinner me nog één Duitse vrouw die, als ze de kans kreeg, zachtjes vertelde dat haar man aan het Oostfront diende en dat die niets van de oorlog moest hebben. Toen het dochtertje van de kapper de salon binnenkwam fluisterde de vrouw: 'Als ik een kind zou krijgen, zou ik naar huis mogen.'  Ze had erge heimwee. Wij konden niet veel tegen haar zeggen”.

Uit inlichtingenrapporten blijkt dat er in die tijd 46 operationele telefoonverbindingen te zijn. In eerste instantie komen er 30 vrouwen, maar langzamerhand groeit dat aantal uit tot 100. Deze vrouwen zijn al lang weer vertrokken als het kamp op 16 april 1945 wordt verlaten.

Duitse dames in Kamp Sondel (Foto Histoarysk Wurkferbân Gaasterlân) Foto is aan Lucas Hoogkamp in Sondel beschikbaar gesteld door Elisabeth Lekmann uit Leipzig. Zij was 1944 in Sondel aanwezig en kwam in 2000 samen met een dochter als toerist terug.

Doel van het kamp

Zoals reeds aangegeven is, wordt het Kamp Eisbär in Sondel uitgebreid en verbeterd als de Royal Air Force (RAF) steeds meer greep krijgt op de Duitse vliegtuigen. Kamp Sondel fungeert nu als een vooruitgestoken voelhoorn van de Luftwaffe. Door de toenemende bombardementen op de vliegtuigindustrie en oliecentra, kan de mof zijn vliegtuigjagers niet meer dag en nacht het gehele Rijk laten verkennen. Zij gaan dan over tot het concentreren van de diverse jager eenheden in de verschillende gouwen waarin Duitsland verdeeld is. Deze maatregel levert een aanzienlijke besparing aan motorbrandstoffen en materiaal op.

In Sondel staan -zoals vergelijkbaar met andere radarstations – een tweetal 8 meter hoge Würzburg-Riese radars en een Frye operationeel; 2 Heinrich-peiltorens plus een gevechtsleidingscentrum. Hierdoor werden jagers van vliegbasis Leeuwarden aangestuurd. Op 1 augustus bestond de vliegleiding in Sondel uit Kp.F.Lt.Lubke (1e JaegerLeitOffizier (JLO), Michels(2e JLO)-Stockmann(3e JLO) en Michels(GZF).

Zodra er geallieerde vliegtuigen in aantocht zijn - en in een straal van 200 kilometer rond kamp Sondel verschijnen – wijzen de luisterapparaten reeds de richting en de hoogte van de vliegtuigen aan. Op een hoogte van 8000 meter worden de vliegtuigen al waargenomen. De geluidstrillingen worden op het uiterst gevoelige luisterapparaat opgevangen en overgebracht naar een glazen plaat die de kaart van Nederland voorstelt.

Andere instrumenten wijzen de hoogte aan die de vliegtuigen ongeveer hebben. (Doordat de apparaten aan het einde van de oorlog zijn opgeblazen, is er niet meer van bekend). Een Duitse luitenant staat in het midden van een speciale kamer in het kamp aan een grote ronde tafel. Op deze tafel ligt een groot glas dat even groot is als het tafelblad zelf. Tussen dit blad en het glas ligt een groot stuk papier met allerlei figuren. Dan is er nog een soort waterpas. Daarboven hangt een koptelefoon. Als de luitenant ‘s nachts aan het werk is dan heeft hij die koptelefoon op zijn hoofd en staat hij in verbinding met een Duits jachtvliegtuig dat in de buurt rondcirkelt. Als er dan een Duits vliegtuig dichtbij een Engels vliegtuig komt, verschijnt er op het papier onder het glas een verlichte lichtstraal. Dan komt het precieze werk voor de luitenant. Hij moet dan op het juiste moment aan het Duits vliegtuig doorgeven dat er geschoten kan worden. Deze gegevens worden via 46 telefoonlijnen in kamp Sondel doorgegeven aan de centrale post van de Luftwaffe in Duitsland. Deze geeft op zijn beurt weer de opdrachten door aan de basis van de jagers in het rayon waar de bommenwerpers waarschijnlijk zullen gaan komen. Zo is het niet nodig om de gehele dag en de gehele nacht jachtvliegtuigen boven het grensgebied paraat te houden. Deze basis geeft dan weer zelf de gegevens door aan de omliggende stellingen van het zwaardere luchtdoelgeschut. Het lichte afweergeschut van het kamp zelf, komt zelden in actie. De overbekende en meermalen dagelijks voorkomende ,,Luftlagemeldungen” vinden hun oorsprong in dit soort kampen.

In de winter van 1943 – 1944 begint de Royal Air Force met het uitgooien van ,,zilverlinten” van verschillende lengten en breedten. Dit veroorzaakt storingen in de ontvangst zodat de apparaten vanaf die tijd nutteloos worden.

Het lichte afweergeschut komt dus zelden in actie maar de Duitsers oefenen iedere week met hun wapens. Vrijdag 20 augustus 1943 ziet burgemeester Schwartzenberg op behoorlijke hoogte een grote ballon overdrijven. Hij hoort dat er op de ballon geschoten wordt en ziet de ballon snel naar beneden komen. De burgemeester gaat persoonlijk op onderzoek uit en hoort dan dat het om Duitse schietoefeningen gaat. Het blijkt dan ook dat de Duitsers iedere week hun oefeningen houden in een stuk weiland van de Sânfearterhoeke van boer Jorritsma aan de Heaburgen in Nijemirdum.

De Duitsers blijven in 1945 lang op hun post. Uit een rekening van de gemeente Sloten op 6 april 1945 blijkt dat een werkman van de gemeente Sloten drie dagen heeft gewerkt in opdracht van de ,,Organisation Todt” om twee schepen met hout te lossen voor de Duitse Weermacht in het kamp Sondel. De inhoud was bestemd voor de barakkenbouw. De gemeente Sloten heeft het hout ook  naar Sondel vervoerd. Het kamp bestaat dan uit ongeveer 40 grote en kleine bouwwerken.

Als in april 1945 de Canadezen Friesland naderen en binnentrekken, worden de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (N.B.S.) in Friesland te wapen geroepen. Zij krijgen de opdracht om verschillende sabotagedaden te plegen en in actie te komen. Het wordt de Duitsers nu steeds benauwder om het hart. Omdat zij, volgens eigen uitlatingen, bang zijn voor die ,,verdamte Friesische Partizanen” kiezen zij het hazenpad in de richting van Lemmer, om zo te proberen in hun vesting Holland bij Amsterdam te komen. Eerst steken zij nog op zaterdag 14 april 1945 hun Duitse Luchtwachtpost te Mirns in brand. Hier wordt alles vernietigd en zelfs konijnen worden levend verbrand. Deze post is een Flugwache, ook wel Flua genoemd. Deze wachtpost werd door 5 Duitsers bemenst volgens geschiedenisschrijver Twerda. Volgens officiële gegevens werden deze posten door 4 Duitsers bezet als er geen richtingsschijnwerper was. Is die er wel dan zijn er zes nodig. Er zijn geen verhalen bekend dat er in Mirns een richtingsschijnwerper gebruikt is.

Op de ochtend van de 16e april 1945 worden de boeren uit de directe omgeving van kamp Sondel huis-aan-huis door de Duitsers opgetrommeld. Zij krijgen bij prachtige weersomstandigheden de opdracht om om 11.00 uur met paard en twee wagens te komen om mee te helpen aan de ontruiming van het kamp. De boeren moeten wel meewerken, omdat de Duitsers dit eisen en met hun geweren in de aanslag staan. Het is een gevaarlijk karwei omdat de weg Sondel – Lemmer geheel open is en dus goed zichtbaar voor de geallieerde vliegtuigen en eventueel al op de loer liggende militairen. Nergens zijn bomen als beschutting. De Duitsers zetten alles zelf op de boerenwagens en de boeren hoeven alleen maar te rijden. Buurman Jouke Smits wordt als laatste aangewezen om naar Lemmer te rijden. Deze middag gaan om 15.30 uur twintig bolderwagens onder Duitse bewaking en volgeladen met Duits materiaal, geweren en kistjes munitie naar Lemmer. De Duitsers zien erop toe dat er een grote ruimte is tussen de verschillende wagens.

Er moet stapvoets worden gereden, want één paard voor twee volgeladen wagens met munitie is voor een paard geen gemakkelijke opdracht. De wagens worden niet beschoten en bij schemer arriveert het convooi bij de haven in Lemmer. Het is hoog tijd voor vertrek van de Duitsers, want de Canadezen zijn al bij de Wellebrêge in Woudsend en de NBS is al op oorlogspad in Gaasterland. Alle materialen moeten bij de kade in Lemmer worden afgeleverd waar een schip ligt. De Duitsers laden zelf het schip, terwijl er heftig geschoten wordt. Na terugkomst moeten de boeren opnieuw naar Lemmer vertrekken, maar nu met materiaal en met de mannelijke militairen. De 100 vrouwen zijn al eerder vertrokken.  Lemmer ligt onder hevig vuur van geallieerden die de Duitsers de terugtocht proberen te beletten. Duitsers komen van alle kanten richting Lemmer. Voordat zij Sondel definitief verlaten wordt om 18.00 uur de voornaamste onderdelen met trotyl opgeblazen, waaronder de beide luisterapparaten, de raamantenne, de kampbunker van de centrale post en enkele kleinere bunkers.

Als de laatste Duitser – al vloekend – om 24.00 uur de betonnen brug in Tacozijl is gepasseerd, dan laten zij deze brug na enkele pogingen springen, waardoor zij rugdekking hebben. Eerst wprdt met één bom geprobeerd de brug op te blazen; daarna nog eens met een bom. Als dat nog niet lukt worden drie bommen in een keer tot ontploffing gebracht. ’s Nachts steken de Duitsers met boten het IJsselmeer over, richting Noord-Holland.

Een dag later leggen Tacozijlsters al een noodbrug aan, zodat de boeren met hun paarden en wagens weer terug kunnen vanuit Lemmer naar hun vrije woonplaats Sondel. Ook is er een bootje aanwezig waarmee personen overgezet kunnen worden.  ’s Morgens staan op de kade in Lemmer alleen nog enkele kisten met munitie. Veel karren van de Sondeler boeren zijn door de Duitsers in het water geduwd.

De kapotgeschoten brug bij Tacozijl. Op de brug stat iemand die waarschijnlijk de overkant probeert te bereiken. (Foto gemeentearchief Gaasterland).