Kapotte telefoondraden

In de consistorie achter de Gereformeerde Kerk in Nijemirdum was een groep van vier Duitse militairen ingekwartierd tijdens de periode van de zomer 1942 tot de herfst van 1944. Het waren kostgangers van Siemen en Hendrikje de Jong. De groep stond onder leiding van een zekere Gottfried, een man die duidelijk de leiding had. Hij verschilde regelmatig van mening met mevrouw  de Jong, die duidelijk liet blijken koningsgezind te zijn, maar Gottfried vertelde haar dat dat voorbij was; “want wir winnen die Krieg”. De overige militairen heten Jozef, Karl en Matthias. Het waren al niet meer zulke jonge Oostenrijkers in Duitse dienst. Zij vonden het allemaal wel best en zagen het liefst dat de oorlog beëindigd werd zodat ze naar huis konden. Eenmaal per week ging één van deze mannen naar hun hoofdkwartier in Lemmer om proviand te halen.

Na de oorlog gaf Karl Beyer in een op 14 april 1946 gedateerde brief een teken van leven. Hij wilde dat al eerder doen, maar het postverkeer met het buitenland was nu pas hersteld. Hij woonde in Gladbeck, Westfalen in de Britse Zône van Duitsland. In de brief schreef Karl aan Siemen en Hendrikje dat hij tot augustus 1945 met Gottfried in goede gezondheid samen was geweest. Daarna was ieder zijn eigen weg gegaan. Ze hadden elkaar nog wel geschreven, maar sinds enige weken was dat gestopt. Gottfried en hij waren nog niet met hun familie herenigd. Wel was Karl weer in zijn oude beroep bezig. Tenslotte wenste Karl de familie de Jong een gezond en vrolijk Paasfeest toe. Hij eindigde de brief met: “Mit recht freundlichem Gruss” (Met oprecht vriendelijke groet). De brief riep de nodige vragen op en dat kon zijn doordat deze gecensureerd was door de Britse Militaire dienst.  In de winter van 1944 tot aan het einde van de oorlog waren ze ingekwartierd bij de familie Edze Westra aan de Liemerige Wei in Oudemirdum. Bij hun haastige vertrek hadden zij de familie Westra beloofd een kaartje te sturen als ze weer bij hun familie waren aangekomen maar er is daarna niets meer gehoord. De militairen hadden niemand iets kwaad gedaan.

Nadat in 1942 het Peil- en Radarstation Eisbär in Sondel in gebruik was genomen, werd aan de Murnserdyk in Mirns en aan de zeedijk in Nijemirdum een luchtwachtpost (Flugwache) gemaakt. Een hok met alleen een draaitelefoon en een kacheltje. Naast de Flugwache was een verhoging gebouwd zodat zij over het hokje heen over het IJsselmeer konden kijken. Vier mannen deden in koppels van twee om beurten het gehele jaar waarnemingen Zij hielden boten en watervliegtuigen op het IJsselmeer in de gaten. Watervliegtuigen leenden zich uitstekend om personen op te pikken of aan land te brengen. Op de Flugwache Nijemirdum was een verrekijker waarmee men Urk goed kon zien liggen. Waarnemingen moesten worden doorgegeven aan de collega’s in de consistorie van de Gereformeerde Kerk in Nijemirdum en aan de Duitsers in Lemmer.

 

 

 

Een  foto van een Duitse Flugwache, afkomstig uit een verzameling van een destijds in Lemmer verblijvende Duitse militair. Op de achterkant staat geschreven: “15-06-1942 Paul Alins en Hans Hahn”. Het is niet bekend welke luchtwachtpost dit is. Het zou zomaar Nijemirdum of Mirns kunnen zijn geweest omdat deze ook in verbinding stonden met Lemmer. Boven de ingang staan lettertekens die op de foto niet leesbaar zijn. Goed zichtbaar is het hoefijzer dat symbool staat voor geluk.

Foto beschikbaar gesteld door Gerard Woltjer, St. Nicolaasga.

In Lemmer was een groot Duits garnizoen gelegerd, dat uiteindelijk de berichten weer door moest geven aan de Centrale Duitse vliegveldpost in Leeuwarden. Vanaf Mirns was daarvoor een telefoonlijn aangelegd met twee zwarte draden. De lijn lag open en bloot op de landerijen en de basaltglooiing langs het IJsselmeer tot aan Lemmer toe.

In de nacht van 10 op 11 augustus 1942 werd achter de boerderij van Jorritsma, Heaburgen 42 in Nijemirdum, dichtbij de zeedijk, de speciale Duitse telefoonlijn vernield, waarschijnlijk met basaltstenen. Niemand had eraan gedacht deze als kabelleiding in de grond te verwerken. Er ontbrak een stuk draad van 20 – 25 meter. Navraag naar de dader of daders leverde niets op. De Duitsers verdachten eerst Uilke Bangma die op het land aan het werk was geweest. Met een scherpe steen zou hij de draden kapot gemaakt moeten hebben. Een foto waar Bangma voorover gebukt op stond, moet dat bewijzen. Uilke Bangma schreef daarover later aan zijn kleinzoon Albert de Kleine het volgende:

‘Op een zondagmiddag in augustus 1942 lagen er twee of drie zeilboten aan de wal in de bocht zo ongeveer tussen het tweede en derde hek op de Zandvoorderhoek. Ik zat te melken net tussen de glooiing en de zeedijk. Maandag zat ik daar ook en plotseling stonden er zomaar Duitse militairen tussen mij en de koeien, daar waren ook Nederlanders in Duitse dienst bij. Ze vroegen mij of ik hier zondag ook had gemolken en of ik ook mensen had gezien. Ik vertelde van de zeilboten en verder niets.
Ze vertrokken weer en wensten mij plezierig werk toe en ik wenste hen een goeie reis terug. Ze zeiden ook niet waarom ze daar waren. Maar de volgende dag kwam de politie uit Wijckel dat ik dinsdag in Leeuwarden moest verschijnen. ’s Avonds zaten wij in de keuken te broodeten, toen kwam pake Uilke uit Sondel langs; het was eerst wat stil; ik hield mijn mond maar toen kwam de vraag: jullie zitten hier zo rustig te eten maar hoe komt het morgen met jou? “Pake, ik weet het niet, het is afwachten”.

 De volgende morgen zijn mijn vader en ik vertrokken met de bus naar Sneek, die een grote houtgenerator achterop had. Verder van Sneek naar Leeuwarden met de trein, naar het Oud Burger Weeshuis dat stond op het Zaailand, daar zat het hoofdbureau van de Duitsers. Met de bevrijding is het door de bezetters in brand gestoken. Zij lieten mij foto’s zien dat ik daar zat te melken, mijn oude fiets stond er ook op. Ze vroegen of ik het was op die foto’s. Mijn vader zat op de gang, hij mocht niet mee naar binnen. Toen begonnen ze te vragen of ik ook bij een politieke partij of zoiets zat, of dat het allemaal klopte wat ik gezien had of herkende. Het verhoor ging tussen een Duitser en een tolk. Er werd mij verteld dat er een kabel was die met een basaltsteen was kapot gemaakt; de basaltsteen lag daar en het was maar een dun draadje. Toen is het me allemaal nog eens voorgelezen en ik moest het ondertekenen en mocht daarna vertrekken. We moesten van Wijckel naar Sondel lopen want onze bus ging naar Balk. We troffen onderweg een werkman van de Gemeente, Douwe (bezem) Feenstra, hij had een schop en een bezem op de fiets en moest de weg schoonhouden van de paardenmest en andere vuiligheid. Hij begon tegen ons te praten dat het niet zo best leek met de bevolking in Gaasterland, vanavond om acht uur binnen zijn of tienduizend gulden boete. En er moest een jongen uit Sondel voor het gerecht zijn en als dat allemaal maar goed voor hem afloopt’.

 

Donderdag 13 augustus 1942
De Duitsers namen de zaak hoog op. Zij straften de inwoners van Gaasterland niet alleen met een dikke boete, maar ook met een uitgaansverbod. Burgemeester Schwartzenberg moest bekend maken dat alle inwoners zich vanaf heden in de gemeente niet meer in de open lucht mochten bevinden tussen ’s avonds acht uur en ’s morgens vier uur. Van deze maatregel waren dokters uitgezonderd en de mensen die de oogst moesten binnenhalen. Overtreding van deze maatregel zou streng worden gestraft. En dat gebeurde want iedere dag vond er controle plaats door enkele Duitsers die vanuit Stavoren op een motor door heel Gaasterland reden. Dat zij op de motor de controle deden was een geluk, want dat maakte zo’n lawaai dat iedereen al vanuit de verte de motor aan hoorde komen. Drie maanden duurde deze strenge maatregel. Na die periode werd het tijdstip opgeschoven van 20.00 uur naar 22.00 uur.

Vrijdag 14 augustus 1942
Burgemeester Schwartzenberg had het er maar druk mee. Vandaag schreef hij een brief aan de Staatsraad van Friesland. Dit was de Duitse werknaam voor de Commissaris der Koningin. De brief kreeg de volgende inhoud:

‘Door de Duitsche Weermacht is een telefoondraad gelegd vanaf Mirns naar de gemeente Hemelumer Oldephaert en Noordwolde.  Aangezien de draad op de grond ligt, kan deze zeer gemakkelijk onopzettelijk worden beschadigd. Teneinde dit te voorkomen verzoek ik u beleefd Uwe bemiddeling te willen aanwenden, om te bereiken dat deze kabel, op kosten van de gemeente, ondergronds wordt gelegd.'

Hij schreef op deze dag ook een brief aan “den Herrn Kommandant der Deutsche Wehrmacht” in Lemmer. Hij vroeg de commandant hierin om maatregelen te nemen en hij stelde voor om de draden hogerop te leggen, bijvoorbeeld op palen. Hierdoor werden de draden buiten het bereik gehouden van kinderen en jonge mannen. Hij vond het niet verstandig om de draden weer op de grond te leggen, omdat vee en paarden heel gemakkelijk alles weer kapot konden maken.

De aanleiding voor de brieven was uiteraard het voorval in Nijemirdum. Schwartzenberg kon deze brief zelfstandig schrijven omdat er geen gemeenteraad en college van burgemeesters en wethouders meer was. Maar de vraag bleef waarom Schwartzenberg deze brieven schreef. De inwoners moesten al extra geld betalen en nu deed hij ook nog een aanbod om uit de gemeentekas een telefoonlijn voor de Duitsers aan te leggen tot aan de grens met buurgemeente Hemelumer Oldephaert en Noordwolde. Had hij dit onder dwang moeten doen? Zo leek het niet. Was hij bang dat de inwoners het “zoengeld” niet wilden betalen en dat daardoor vooraanstaande mannen gegijzeld of gedood zouden worden? Hijzelf behoorde uiteraard ook tot de notabelen en was wellicht bang dat hij dan ook slachtoffer werd.

Deze brief was in behandeling geweest bij het naar hem opgezette onderzoek naar zijn handelen als burgemeester van Gaasterland, in de oorlogsjaren. Zijn motivatie was niet meer te achterhalen. De Duitsers bleven bij hun standpunt dat het sabotage was. Zij legden daarom de gemeente Gaasterland- in een brief van 14 september 1942 – een boete op van f. 10.000 (€ 4500). Ze noemden dit “Sühneleistung” (zoengeld). Alle inwoners van Gaasterland moesten hieraan meebetalen in de vorm van een bijzondere belastingaanslag op grond van hun belastbaar inkomen. Als deze maatregel niet plaatsvond, dan werden enkele vooraanstaande Gaasterlanders als gijzelaars opgepakt. In de brief werd ook nog bepaald dat vrijstelling moest worden gegeven aan Rijks Duitsers, NSB-inwoners, leden van de Nederlands-Duitse cultuurgemeenschap en Nederlandse staatsburgers die in Duitsland werkten of bij de NSKK of bij de Waffen-SS.  Dit heeft er waarschijnlijk toe geleid dat de geldstraf werd betaald.

Burgemeester Schwartzenberg vroeg de afdeling Gaasterland van de NSB om een lijst van NSB-leden. Op 17 oktober 1942 gaf de NSB-groepsbeheerder van de “groep Gaasterland der NSB” – P. L. uit Wijckel - een lijst af met 14 namen.  Onderaan de lijst schreef hij: “Met nationalistische groet, Hou Zee”.

De gemeente stelde in overleg met de belastingdienst in Sneek de lijst met aanslagplichtigen op. Burgemeester Schwartzenberg had schriftelijk om de opgaven verzocht. Hij probeerde nog twijfel te zaaien door te schrijven dat hij niet alleen de namen maar ook hun belastbaar inkomen moest weten “als de belastingdienst daartoe bevoegd is”. De belastingdienst Sneek stuurde deze vraag door naar het Ministerie van Financiën. Het definitieve antwoord kwam van de Generalkommissar für das Sicherheidswesen, Befehlshaber der Sicherheidspolizei und der SD für die besetzten Niederländische gebieten in Den Haag”. De inspecteur van Belasting in Sneek gaf hierna schriftelijk toestemming om alle gegevens beschikbaar te stellen. Daarna werd het puzzelen bij de gemeente om de goede verdeelsleutel te vinden. En daarin slaagde men aardig. Men kwam tot een vaststelling van f. 10.114,22 (€ 4500,00) te betalen door 591 personen. Later werd een bedrag van f. 248,10 oninbaar verklaard zodat de uiteindelijk opbrengst f. 9866,12 was. Het verschil van f. 133,88 paste de gemeente bij.

De Duitsers lieten een nieuwe telefoondraad aanleggen langs palen over de zeedijk en lieten die doortrekken tot aan Stavoren. De oude draad werd in de grond gestopt. Op 6 augustus 1945 schreef de gemeente aan Gedeputeerde Staten van Friesland, dat vee waarschijnlijk de oorzaak van de vernieling was geweest.

Woensdag 28 oktober 1942
Burgemeester Schwartzenberg schreef weer een brief aan de Staatsraad (Commissaris van de Koningin) in Leeuwarden. Hij vroeg daarin de strafmaatregel in te trekken die de SS opgelegd had aan de inwoners van Gaasterland vanwege het kapotmaken van de Duitse telefoonlijn in Nijemirdum. Na acht uur ’s avonds moest men binnenshuis blijven. Wel was de straf verminderd door het tijdstip te verruimen van 20.00 uur naar 22.00 uur. In de brief staat:

‘De toestand duurt nu, na bijna drie maanden, nog steeds voort met alle voor de gemeente daaruit voortvloeiende ongemakken’.

Dinsdag 3 november 1942
De Beauftragte van de Reichskommissär in Leeuwarden beantwoordde het verzoek van de burgemeester Schwartzenberg. De Beauftragte schreef dat de extra opgelegde “Sperrzeit” met directe ingang opgeheven was. Hiermee was de zaak voor de Duitsers afgedaan.

Tot besluit
Het dossier over deze affaire laat enkele interessante details zien. Het bedrag dat de gemeente aan de boete bijpaste, kreeg zij na de oorlog terug op 21 juni 1948 in het kader van de Wet Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen. Volgens het dossier hadden maar veertien mensen tegen de aanslag geprotesteerd. Deze veertien personen hadden alleen tegen de hoogte van de aanslag geprotesteerd en niet tegen de aanslag zelf. Er was één verzoek bij voor kwijtschelding en de aanvrager deed daarbij tevens het verzoek om in aanmerking te komen voor een bijdrage uit de Winterhulp Collecte. Met potlood schreef de burgemeester op de brief dat hij dit verzoek aan de gemeenteontvanger zou doorgeven.

Direct na de bevrijding op 17 april 1945 was de door de groepsbeheerder van de “groep Gaasterland der NSB” opgegeven lijst met 14 namen uit het gemeentearchief gehaald. De groep was meteen opgepakt en naar Kamp Sondel gebracht. Ontkenning van het NSB-lidmaatschap kon niet meer, omdat alle namen en adressen door de NSB zelf op papier waren gezet. Uiteindelijk werd de lijst dus tegen hen gebruikt.

Datzelfde principe had directeur Dijkstra van de Zuivelfabriek in Balk ook parten gespeeld. Hij deed in 1943 een schriftelijk verzoek bij de gemeente om zijn ingeleverde radiotoestel terug te krijgen. Hij gaf in deze brief aan dat hij bericht gekregen had van de provinciaal NSB-leider. Daarin stond dat hij als sympathiserend NSB-lid niet verplicht was zijn radio in te leveren. Hij kreeg de Philips-radio toen terug. Ook deze brief werd een dag na de bevrijding uit het gemeentearchief gehaald.

Het dossier gaf ook een mooi inzicht in de financiële situatie van alle belastbare Gaasterlandse inwoners. Ter illustratie een overzicht van de tien belastbare inkomens boven de f. 10.000,00:

  1. Alta, Oudemirdum55 Fl. 36.548,00
  2. van der Wal, Wijckel253 Fl. 22.407,00
  3. van Giffen, Balk396 Fl. 18.389,00
  4. de Boer, Balk140 Fl. 14.000,00
  5. De Boer, Balk138 Fl. 14.000,00
  6. Dooper, Ruigahuizen71 Fl. 11.401,00
  7. D. Bijllaardt, Balk341 Fl. 10.725,00
  8. Melle van der Goot, Wijckel18 Fl. 10.578,00
  9. Dijkstra, Balk220 Fl. 10.283,00
  10. J. Westra, Balk49  Fl 10.000,00

De daders bekennen
Pas 49 jaar later heeft Harmen Keuning, zoon van Kornelis Keuning, de boswachter en jachtopziener uit Nijemirdum, schriftelijk verklaard dat hij en Johannes Veltman, zoon van slager Rintje Veltman uit Nijemirdum, als negenjarige jongens de daders geweest waren. Harmen Keuning had in een hokje bij zijn ouderlijke woning wat speelgoed in de vorm van meccano waar hij een vliegtuigje mee wilde maken. Daar had hij een propellertje voor nodig en een elektriciteitsdraad. De Duitsers hadden draad zat en dat lag bij de zeedijk. Op een veilige afstand van ongeveer 500 meter van het Duitse wachthok hadden zij één van de twee draden doorgeknipt. Twintig en dertig meter verderop hadden zij dat nog eens gedaan. Toen zij beiden uit het zicht van het wachthokje verdwenen waren, hadden ze een draaduiteinde om de enkel van Harmen Keuning gewikkeld en zo zijn ze weggelopen. Later hadden zij de draad opgerold maar het werd zo’n grote rol dat ze die niet mee durfden te nemen. De jongens lieten daarom de draad aan een stok in de Zandvaart zakken. Zodra het veilig was, zouden ze het wel weer komen ophalen. De draad was echter nooit weer boven water gekomen.