Koerierster Janny de Boer

In het archief van de redactie van het boek ,,Gescheurd Land“ bevindt zich een brief van Mevr. Janny de Boer, geboren 28 juli 1925 in Balk.  Zij woonde tijdens de oorlog in Balk bij haar ouders aan de Wilhelminastraat. Haar vader was Tjalke de Boer, de Zuidwesthoek busondernemer. Janny de Boer is in 1989 inwoonster van het Noorse Trondheim en in dat jaar beschrijft zij van daaruit haar werkzaamheden als koerierster in de oorlog.

HOE WERD IK KOERIERSTER

Deze periode van mijn leven begon eigenlijk in het gemeentehuis in Balk (de ,,secretarie”). Ik was toen 18 jaar. Hier had men een vacante betrekking en de kans bestond dat er iemand in geplaatst zou worden door de toenmalige z.g. overheid. De gemeentesecretaris kwam op bezoek met de aanmoediging aan mij om deze plaats in te nemen. Dit gebeurde zeer vlot. Het werd mij na een paar dagen duidelijk waarom: ineens was mijn leven heel spannend: allerlei illegaal ,,papierwerk” werd o.a. aan me overgelaten. Na ongeveer een jaar (dit was in de loop van zomer 1944) kreeg ik de vraag of ik wilde werken als koerierster voor de L.O. Later werd dit uitgebreid tot ook de NBS en tot mijn grote vreugde kon ik nu de repen autoband met echte fietsbanden verwisselen. Mijn vaste route was Balk – Sneek en terug. Dat was toen ongeveer 40 kilometer. Ik ging iedere dag om zo ongeveer 1 uur het fietsje op en wist nooit wanneer ik terug kon zijn. Dit was vaak afhankelijk van het aantal adressen dat ik onderweg moest aandoen.

Balk – Sint Nicolaasga stond ook enige maanden op mijn programma. Hier ontmoette ik een parachutist uit Canada die wapeninstructeur was en ik kon voor het eerst in mijn leven een gesprek voeren in stotterend school Engels.

Andere doelen, zoals Workum en Staveren konden ook bezocht worden. Als ik aankwam bij de verschillende adressen was het belangrijk te treuzelen (bijv. controleren of de fiets in orde was) om tijd te hebben evt. vlekken rode inkt op de deurkozijnen te kunnen ontdekken. Dan was de boodschap: zo vlug mogelijk weg zien te komen – adres is ontdekt.

Sneek was een soort centrum; hier konden de koeriersters uit alle omliggende plaatsen elkaar ontmoeten, ,,brieven ruilen” en ook mondelinge berichten overbrengen. In mijn ouderlijk huis was het erg veilig om brieven e.d. te bewaren: ,,de moffen” bewoonden de garage onder mijn slaapkamer. Niet alleen brieven moesten worden vervoerd; overalls, zenders, wapens e.d. ook. Zelfs heb ik een keer een jongetje van plm. 10 jaar meegenomen van Sneek naar zijn onderduikadres in Ruigahuizen. Het was in het pikkedonker en in de stromende regen. Het was een heel bitter en boos jongetje dat helemaal niet kon begrijpen waarom hij niet bij zijn ouders kon blijven. Dit was nadat de staking van de NS was begonnen en zijn vader was hier aangesteld. De spertijd was de laatste oorlogswinter in Balk natuurlijk ook acht uur ’s avonds; het lukte mij haast nooit om voor die tijd binnen te zijn. Altijd terug in het donker zonder straatlantaarns en zonder licht op de fiets.

Enige episodes, niet dramatisch, maar die indruk op mij gehad moeten hebben.  (omdat ik het me nu nog kan herinneren want het meeste is mij ontschoten).

Route Sneek – Wijckel – Balk

Er lag veel sneeuw op de weg en het was lopen geblazen met de fiets aan de hand. Ik liet de fiets dus achter bij mijn laatste adres en dat was een boerderij in Wijckel. Het was ver na achten. Aan het eind van de oprijlaan stond iemand toen ik daar kwam. Dit bleek een Duitse soldaat te zijn (waarschijnlijk uit Sondel).

Hij hield mij aan, begon te praten en……. Aaide mij over mijn wang. Mijn reactie was een harde klap middenin zijn gezicht. Zijn reactie was: omdraaien en weglopen. Het duurde erg lang voordat ik dit durfde te vertellen: ,,niet geschikt als koerierster”… Ik was erna ook erg beschaamd, want ik had veel brieven bij mij.

Route Sneek - Wijckel – Balk

Deze avond was er geen wind; het was erg donker en erg stil. Halverwege de weg Wijckel – Balk hoor ik ineens iemand mijn kant opkomen. Gauw de fiets in een greppel gegooid en ik ging achter een dikke boom staan waar ik mij omdraaide terwijl ,,De Duitser” voorbij liep – op klompen. Ik heb mijzelf erg uitgelachen. Maar lang duurde dit lachen niet: middenin Balk gekomen zag ik grote schijnwerpers op de hoek van de winkelstraat langs de Luts en de Harichsterweg waar ik woonde (dit bleek een razzia te zijn). Ik ben een steegje binnengeschoten om na te denken. Het was niet alleen ver na spertijd, maar ik had ook veel ,,brieven” op me die de volgende dag verder gebracht moesten worden. Ik wist dat er tussen twee huizen een brede steeg was. Hierdoor kon ik op het weiland komen; er over heen steken en in onze achtertuin komen. Wel lag er een brede sloot tussen mij en het land. Er was maar één oplossing: met de brieven boven mijn hoofd tot mijn schouders door het eendenkroos. Ik was erg blij om het morseteken van de ,,V” van radio Oranje te horen toen ik om negen uur de achterdeur binnenkwam.

Route Balk – Sneek

Voorjaar 1945, nadat Friesland al een tijd onder water had gestaan. Ik fietste richting Sneek met een zender in mijn fietstas. Deze moest afgeleverd worden bij een boerderij. Het was mooi weer en midden op de dag maar geen mens te zien. Er lag veel water op de weg; ik schat 15-20 centimeter. Enige kilometers voor mijn einddoel ontdekte ik twee Duitsers in groene uniformen op de fiets (!) mijn kant uitkomen. Een losse herdershond sprong om hen heen. Deze werd op mij afgestuurd (om te kijken of ik bang was?). Ik maakte vlug extra vaart en legde mijn voeten op het voorscherm om niet gebeten te worden en om mij droog te houden. De ,,heren” gingen ook niet van hun fietsje af, maar monsterden mij grondig. Er gebeurde niets, maar het hart klopte mij in de keel.

Het allermeeste van de verschillende gebeurtenissen is in het vergeetboek terecht gekomen. Maar hetgeen me altijd bij zal blijven is de hartelijkheid die ik overal onderweg ontmoette (meest boerderijen): van kleren drogen, handen en voeten warmen tot het bijna gedwongen eten en melk drinken. Ik ben nooit in mijn leven zo dik geweest.

Dan schrijft Janny de Boer nog een tweede – en kortere - brief op 12 januari 1990 vanuit Trondheim in Noorwegen. De eerste brief heeft haar niet losgelaten.

Eerst wil ik proberen een uitdrukking uit mijn vorig schrijfsel wat te verduidelijken, nl. het volgende:,,werd allerlei illegaal papierwerk aan mij overgelaten”. Het woord ,,papierwerk” had ik gekozen om het er niet àl te belangrijk uit te laten zien. Om hier wat dieper op in te gaan: mijn werk bestond veel uit meehelpen (ik kon nauwelijks typen en had nog nooit kantoorwerk gedaan) zoals fictieve adressen verzinnen. Niet alleen huizen waar mensen woonden, maar alle permanente gebouwen (-tjes) hadden een nummer met een bepaalde naam (die ik me helaas niet herinner) zoals kerken, transformatorgebouwtjes enz. Dit kostte veel tijd en hoorde tot mijn taak. Verder hielp ik bij het schrijven van PB (Persoonsbewijzen), distributiekaarten enz. Ook was het fijn om voor mijn collega’s wat meer vingers te krijgen voor valse vingerafdrukken op de zgn. Ontvangstbewijzen. Wij gebruikten niet alleen onze rechterwijsvingers… Ik herinner mij dat ik mijn Persoonsbewijs zgn. verloor om er 2 stuks voor in de plaats te krijgen.

Ik was erg jong en erg onervaren, maar ik voerde alles uit wat er van mij verlangd werd zonder te vragen ,,waarom”. Er werd trouwens heel weinig ,,gepraat”. De heer Ties van Hout speelde een centrale rol in het illegale werk in de secretarie. Hij deed dit samen met een andere ambtenaar, waarvan de naam Helder was naar ik meen. De heer O. Otto heeft zeer zeker een rol gespeeld in deze illegaliteit.