Monument bij Waterloo

LANCASTERNEDERLAAG VAN MK.1 ED355 BIJ WATERLOO

Deze geschiedenis gaat over de vliegtuigcrash op donderdagavond 17 december 1942 om 20.22 uur bij Waterloo, een buurtschap tussen Woudsend en Balk. Alhoewel de crash enkele meters buiten de gemeentelijke Gaasterlandse grens plaatsvond met de gemeente Wymbritseradeel, mag dit verhaal niet aan de Gaasterlandse geschiedenis worden onttrokken.  De Christelijke scholengemeenschap in Balk heeft het monument geadopteerd.

Een Vickers Wellington, MarkI Foto: www.backtonormandy.org

De spiksplinternieuwe Lancaster Mk.1 ED 355 was gebouwd in de AVRO-fabriek te Chadderton en op 7 december 1942 afgeleverd aan No. 44 (Rhodesian) Squadron Nr. 5 van het Royal Airforce Bomber Command. Het had de squadroncode KM gekregen met de radio-oproepletter D For Dog. De Lancaster had nog maar vier vlieguren op zijn naam voordat hij op 17 december 1942 voor zijn eerste operationele actie opsteeg vanaf vliegbasis Waddington aan de zuidkant van de stad Lincoln. Deze nacht stond een aanval op het programma op de synthetische oliefabrieken in Nienburg tussen Bremen en Hannover. Vliegveld was hermetisch van de buitenwereld afgesloten. Iemand die er niets te maken had, kwam het kamp niet meer in. De telefoonlijnen werden geblokkeerd. De bemanningen kregen hun instructies, het grondpersoneel controleerde de technische uitrusting van de machines voor de laatste maal. Nu gingen de vliegtuigen de lucht in voor de “flight test” en de laatste mankementen werden gerapporteerd en verholpen. De bewapeningsploegen openden de tien meter lange deuren waarmee het bommenruim werd afgesloten en begonnen de bommen in de rekken te takelen.

De bemanningen gingen eten, verkleedden zich in hun zware vliegtuiguitrusting, haalden hun parachutes en de “flight rations” af en hesen zich in vrachtauto’s. Die brachten hen naar hun toestellen die langs de rand van het grote vliegveld opgesteld stonden. Daar stonden de grondbemanningen op hen te wachten. De commandanten van de grondbemanningen meldden de vliegtuigen gereed aan de piloten en die tekenden een formulier af. De bemanning installeerde zich in de machine en de motoren werden gestart en warmgedraaid.

Flying Officier Maurice Alfred Commandant Dening riep zijn bemanning op via de boordtelefoon, zijn intercom. Ze meldden zich allemaal. Toen het startsignaal kwam voor de D For Dog, taxiede de machine van de parkeerplaats af, over de ringbaan en naar het begin van de startbaan. Toen kregen de motoren vol gas te verwerken; de grond sidderde en beefde en na een lange aanloop sleurden de Merlinmotoren onder woedend gehuil de zware machine van de grond. De grote wielen werden ingetrokken in de motorgondels en de deuren klapten dicht. De D For Dog klom moeizaam naar zijn voorgeschreven vlieghoogte en zette koers naar het zuidoosten, de Noordzee over, naar de vijand.

Er werd weinig gezegd maar des te scherper uitgekeken. De slipstroom bulderde om de cockpit. De Merlinmotoren donderden gedempt op de achtergrond. De piloot was geconcentreerd op kompas, snelheidsmeter en horizon. Af en toe flikkerde er een rood lampje aan op het instrumentenbord als teken dat er iets bijgesteld moest worden. De boordwerktuigkundige, zittend op zijn klapstoeltje naast de piloot, hield de talrijke motorinstrumenten, de klokjes en de meters, de schakelaars en kranen op het paneel aan zijn rechterkant in het oog. De navigator had het druk met zijn navigatie. Zijn functie vereiste nauwkeurig rekenwerk en wat erbuiten ook te zien mocht zijn, hij zag er praktisch nooit iets van. De waarnemer die hem eerst had geassisteerd, was nu in de voorste geschutskoepel geklommen en speurde donkere lucht af, evenals de andere schutters. Waakzaamheid was de grootste garantie voor een veilige terugkeer. Natuurlijk, de Duitsers wisten dat ze eraan kwamen. De vijandelijke radar had allang de aanrukkende formatie bommenwerpers gepeild, de nachtjagerpiloten zaten al in de lucht. Maar als de Lancaster-bemanning de flitsende schaduw van de nachtjager het eerst zou zien, dan zou de piloot de manoeuvreerbaarheid van zijn toestel kunnen uitbuiten. Er was dan een goede kans dat de Lancaster de nachtjager de loef kon afsteken. Dat was al meermalen gebeurd en zelfs met een volledig geladen bommenwerper. De nachtjager moest niet de kans krijgen om de Lancaster van achteren te besluipen. Het stond wel vast dat zij dat zou proberen. De Duitse piloten wisten hoe zij dat moesten doen. En daarom: opletten! Dat was de enige remedie.

Na de Noordzee kwam de donkere kust van Noord-Holland, naar alle kanten afweervuur opspuwend. Het vliegtuig had de route genomen tussen de eilanden Vlieland en Texel om daarmee het Duitse vliegveld in Leeuwarden te ontlopen. Even later zaten ze weer boven het water: het IJsselmeer. Het werd een kwestie van dubbel scherp opletten en dat zouden ze nog lang moeten volhouden. Het was een heel eind naar Nienburg en terug, minstens acht uur. Opletten en voor de rest was het een kwestie van “sweating it out”, zien dat je er doorkwam.

Er kwam weer land: de donkere strook van de Gaasterlandse kust. Ze waren weer boven land. En even later was die gevreesde, flitsende schaduw er, ondanks de voorzorgen en de scherpe uitkijk. De operatieofficier van het Peil- en Radarstation Eisbär in Sondel had de Lancaster opgemerkt en gaf de peilgegevens door aan de vliegtuigen.

Tussen Spannenburg en Lemmer stortte een Messerschmitt Bf110 zich op de D-For-Dog. De schutter hierin was Hauptmann Helmut Lent. Vanuit de Lancaster werd teruggeschoten. De Duitse piloot – en domineeszoon - Helmut Lent draaide af en kwam terug voor een tweede ronde. De bommenwerper werd nu doorzeefd en er vielen gewonden. Helmut Lent was niet zomaar een schutter. Door meer dan honderd vliegtuigen neer te schieten zou hij binnen de Duitse Luftwaffe een grootheid worden. Dit vliegtuig was zijn 56e slachtoffer.  Toen het gevreesde rossige licht door de cockpitramen begon te schijnen, wist commandant Dening hoe laat het was. De benzine voor de lange vlucht naar Nienburg en terug, opgeslagen in de brandstoftanks, stond in brand. Het middendeel van de romp brandde. De bommen waren nog aan boord en de D For Dog was ten dode opgeschreven. De machine kon ieder moment ontploffen, de zware constructiedelen konden doorbranden. De bemanning zou moeten springen voordat het te laat was. Maar de gewonden dan die de schok van de zich geopende parachute en de harde landing niet zouden kunnen doorstaan? Liet je die achter in het gedoemde wrak? Maar wat moest je anders? Er was maar één andere kleine kans om hen te redden en dat was een noodlanding. Een wanhopige onderneming. Dening was de commandant. Hij droeg de verantwoordelijkheid voor zijn mannen. Bijna altijd stelde de bemanning een onbegrensd vertrouwen in zijn “skipper”, en die was hiervan zich sterk bewust. Commandant Dening was geen uitzondering op de regel.

Zijn bommen kon hij niet loslaten: waarschijnlijk was het bomb-release-mechanisme kapotgeschoten. Misschien wilde hij de bommen niet loslaten in een gebied waar bevriende mensen woonden. Maar het gewicht van de bommen vergrootte het ontstellende risico van de landing nog vele malen. Ondanks dat besloot hij het risico te nemen. Alles brandde nu zowat, in de cockpit begon het ook al. De wind gierde door de kapotgeschoten romp. De stalen mantels van de bommen begonnen rood te gloeien, de zuurstof uit de kapotgeschoten leidingen wakkerde het vuur nog meer aan. Het was ook al bij de munitiemagazijnen van de machinegeweren. De piloot negeerde al deze dingen met een bovenmenselijke inspanning en concentreerde zich slechts op één ding: de landing. De Lancaster had aanzienlijk hoogte verloren. Dening zwenkte af naar het noorden, langs de rijksweg Spannenburg-Sneek. Bij de Wellebrug draaide hij naar bakboord, vloog rond op 2000 meter, over Woudsend op kerktorenhoogte. Het aangeschoten wild kwam laag over het polderland van Indijk het zuidwesten in. Met de kop op de wind: de juiste positie voor een landing. De Merlinmotoren draaiden nog steeds door.

Op Waterloo hadden ze het vliegtuig zien komen. Waterloo, het groepje boerderijen en arbeiderswoningen op het punt, waar de wegen naar Elahuizen, Harich, Balk en Woudsend bij elkaar komen. De wereld is wijd in Waterloo. Naar alle kanten kun je kijken over het vlakke polderland tot over De Fluessen en het Heegermeer, tot Hindeloopen, Workum en Bolsward in het westen en noorden, over Gaasterland en zuidwaarts in de richting van Lemmer en Spannenburg. Zodra de bommenwerpers overvlogen, waren de mannen bij elkaar gaan staan op een boerenerf en hadden gezamenlijk geluisterd naar het sonore gedreun. Over ruim een week zou het Kerstmis zijn. In de natuur leek het er nog niets op.

Voor de tijd van het jaar was het weer vrij zacht. Het had de afgelopen tijd vrij veel geregend en de weilanden waren drassig, maar sneeuw en ijs, die bij Kerstmis schijnen te horen, waren tot nu toe uitgebleven. De polders lagen bruin en vaal, de weinige bomen hadden hun bladeren verloren. Het was de somberste tijd in de natuur, en zoals het nu was op deze avond met zijn klamme zuidwestenwind, was het ook in de wereld rondom. Straks zou het de derde Kerstmis in bezettingstijd zijn. De vooruitzichten werden gaandeweg triester. De mensen die hadden gezegd dat het met de Duitse bezetting wel mee zou vallen, hadden ongelijk gekregen. Het werd steeds beroerder. Er kwamen lijsten met neergeschoten gijzelaars in de krant, bekenden opgepakt, verscherpte vee levering, verminderde rantsoenen, alweer meer oproepen voor arbeiders die in Duitsland moesten werken. Er circuleerde een triest mopje in deze dagen: het werd dit jaar geen Kerstmis. Het kon doodgewoon niet want Maria en het Kind waren geëvacueerd vanwege de bombardementen. Jozef zat in een concentratiekamp, de herders waren tewerkgesteld in de Duitse oorlogsindustrie, de Engelsen moesten zingen voor Kraft Durch Freude, de stal was door de Weermacht gevorderd, de os was clandestien geslacht en de ezel was door de Moffen burgemeester gemaakt omdat hij N.S.B. ’er was. Nee, het zag er slecht uit. Niemand was meer veilig, ook al had hij of zij de zakken vol met Ausweise, Bescheidigungen of wat voor papieren dan ook. De Grüne Polizei trok zich nergens wat van aan. Hitler en zijn trawanten waren een troep ordinaire moordenaars en dieven.

Dan was het een genot om te luisteren naar het dreunen van de Engelse motoren door de donkere avond. Dan moest je wel naar buiten om te proberen iets op te vangen van de woedende Duitse luchtafweer op de Waddeneilanden en langs de Nederlandse kust. Dat luchtafweer kon immers de Tommies toch niet tegenhouden. Je moest ook iets zien van de formaties vliegtuigen maar in ieder geval naar buiten om erbij betrokken te zijn. Je was erbij, ook al deed je niets tegen de moffen, jammer genoeg. Die vliegers deden wel iets. Zij presenteerden Hitler weer een klein gedeelte van de rekening. Je zou mee willen doen. Over alle versperringen heenvliegen en de edelgermanen aan de verkeerde kant van de grens een bom op hun kop gooien, zodat hun ellendige oorlogsfabrieken in stukken de lucht invlogen! Maar dat kon niet. Je moest je tevreden stellen met een toeschouwersplaats op een wijze die veel weg had van het bijwonen op een tribune van een voetbalwedstrijd. Je kon applaudisseren of als een supporter de eigen partij aanmoedigen. Dat was dan alles. Het zei niet veel en het gaf uiteindelijk niets, maar je was erbij betrokken.

De Duitse nachtjager met Helmut Lens als schutter was er ook weer. Het nijdige, snauwende geluid was duidelijk boven het egale geronk van de bommenwerpers uit te horen toen de Messerschmitt een wijde boog over de polders maakte. Het toestel verdween weer in de richting van het IJsselmeer gevolgd door de kwade wensen van de mannen op het erf in Waterloo. Viel dat Duitse kreng maar naar beneden! Maar dat gebeurde niet. Even later scheurde in het zuiden het machinegeweervuur door de lucht. De nachtjager had beet. Het was twee en twintig minuten over acht. Meer geroffel, meer oranje strepen, laag boven de horizon. Dat moest in de buurt zijn van Lemmer. Wéér een paar vuurstoten… ráák. Er stond iets in brand en behoorlijk ook. Als het nu die Duitse nachtjager maar was! Het werd stil op het erf. De mannen hadden vaker een aangeschoten vliegtuig zien branden als een langzaam dalende vuurbal, die met een flits en een knal explodeerde en plotseling weg was. Maar deze vuurbal bleef in de lucht, de machine vloog nog. Een oranje lampion, als door een onzichtbare kinderhand laag langs de horizon voortgetrokken. Niet te begrijpen, dat in diezelfde vuurbal mensen in uiterste nood verkeerden. Mensen die je niet kon helpen, dichtbij, maar toch even ver verwijderd alsof ze op de maan zouden wonen. Het was vast een bommenwerper die daar brandde, een vriend. Als de bemanning er nog maar uit kon komen! Maar meestal kon die er niet meer uitkomen. En zelf stond je erbij en keek je ernaar. De machine bleef lang in de lucht. Tergend langzaam schoof de vuurbal het noorden in. De motoren waren nu duidelijk hoorbaar. Het toestel moest nu wel ter hoogte van Woudsend zijn, het ging achter Woudsend langs en draaide weer bij. En toen werd het allemaal bijna onwerkelijk. Het vlammende wrak kwam vlak over de polder, recht op de mannen af. Ze wierpen zich op de grond en wachtten op het moment, dat de loeiende lawine van vuur en geluid zich over hen heen zou stortten.

Iemand anders, een paar erven verderop, zag eveneens hoe het drama zich ontrolde en hij zag dat met bitterheid aan. Hij ervoer de ondergang van de bommenwerper als een persoonlijk verlies. Zijn handen jeukten, zoals ze telkens gejeukt hadden bij een overwinning van de moffen. Het neerschieten van een Engels vliegtuig was per slot van rekening een Duitse overwinning. Hij was soldaat in het Nederlandse leger in mei 1940. Hoewel het leger voor de Duitse overmacht moest capituleren, was hij persoonlijk nooit gecapituleerd. Toen hij eens geconfronteerd werd met de ondergang van een Engelse bommenwerper, maakte hem dat zo razend dat hij nog dezelfde avond ging saboteren. Daar was die Duitse telefoonlijn van Sondel naar Leeuwarden. Die trok onweerstaanbaar zijn aandacht en even later functioneerde die telefoonlijn niet meer. Hij had er iets aan gedaan. Het hielp weinig, het zette geen zoden aan de dijk. De Duitsers hadden in een moment de fout ontdekt en hersteld, maar hij voelde toch een zekere mate van voldoening. Sinds die tijd gebeurde het wel meer dat die telefoonlijn niet werkte. De “officiële” Ondergrondse kwam hem waarschuwen dat hij moest stoppen met zijn particuliere sabotage. Het moest uit zijn, want het werd te gevaarlijk. Dus stopte hij er mee en wachtte op een volgende kans. Hij voelde zich nog steeds soldaat. Nu zag hij de ondergang van zijn medestrijders in machteloze woede. Maar hij noteerde in zijn gedachten hoe de ramp zich voltrok.

Geen ogenblik wendde hij zijn aandacht af van het brandende wrak dat daar laag aan kwam vliegen over Indijk. Misschien kon hij iets voor de bemanning doen. De motoren draaiden regelmatig zodat het scheen dat de piloot het toestel nog steeds onder controle had.

Duidelijk was te zien dat de hele vleugel in brand stond. Vlammentongen van vele meters lengte sleepten achter het toestel aan. De romp stond zo goed als geheel in brand: alleen het voorste gedeelte van de rompneus en de staart waren nog niet in vuur gehuld. Het was een geweldig groot vliegtuig. Hij voelde diep respect voor de piloot, die het nog steeds in de brandende cockpit uithield, het was niet te geloven. Dit moest een noodlanding worden, zoveel was wel duidelijk. Nog even en dan zou het wrak op zo’n hoogte van 25 meter Waterloo passeren.

En dan was de weg vrij voor een noodlanding op de vlakke weidegronden van de Warren, even verderop. Dan moest hij zien dat hij erbij kwam. Misschien kon er voor de bemanning nog iets worden gedaan. Daar kwam het wrak aan tussen Indijk en Waterloo. Een groot donker voorwerp dat aan alle kanten een rossig flakkerend licht uitstraalde. Steeds dichterbij… Het vloog tussen de boerderijen door van U.M. Visser en K.F. Semplonius. En dan ineens twee venijnige ontploffingen ergens vóór in de romp met fel-wegschietende vuurflitsen. De grote bomluiken werden weggeslagen, drie losse parachutes werden uit hun rekken gelicht en de nacht in geslingerd terwijl metaaldeeltjes overal neervielen. En nog zette de grote bommenwerper door, onbegrijpelijk. Daar was hij al vlakbij. De oud-militair keek nu bijna recht tegen de onderkant van de machine aan. Eén stuk vuur, behalve de staart die vrij bleef van de slepende vlammentongen. Nog steeds draaiden de motoren door. Daar ging hij, recht over de huisjes bij de driesprong, lager en lager. Het leek erop dat de piloot de landing voor elkaar ging krijgen…! Nee! Weer een ontploffing en nu in het achtergedeelte van de romp. De munitiemagazijnen van de middelste- en achterste koepel barstten uit elkaar in spookachtig flikkerend licht. De staart viel eraf terwijl de machine een zwaai naar stuurboord maakte, compleet uit balans. Met bemanning, bommen en al schoot D For Dog de zachte veengrond in tot een diepte van drie meter onder het maaiveld. Het gebeurde op een afstand van een paar honderd meter voorbij het kruispunt Waterloo, Woudsend en Balk in het weiland van veehouder U. Visser. De missie naar Nienburg was beëindigd op die plek in de polder waar nu een vlammenzuil omhoog gloeide.  Commandant John Glenn Dening is omgekomen met de kameraden die hij tot aan het allerlaatste moment probeerde te redden.

De mannen op het boerenerf waren weer overeind gekrabbeld. Het wrak had de boerderij niet geraakt, al leek het er veel op. Het was een angstig moment waaraan ze later met afgrijzen zullen terugdenken. Ze voelden zich als aan de dood ontsnapt. De oud-militair rende intussen de polder al in, en de anderen volgden hem naar de brandstapel. Daarbij was Johannes van der Werf uit Balk. Met Johannes Nagelhout waren zij de eerste twee personen die bij het vliegtuig arriveerden. Van der Werf sneed linnen van de vliegtuigparachutes. Hieruit maakte echtgenote Hinke van der Werf - de Jong (3 mei 1919) later kleren voor de dochter Janny en zoon Frans. De benzine voor de lange vlucht naar Nienburg laaide op.

De Lancaster had zich tot op het vaste zand in de zachte grond geboord. Dat was merkwaardig want de klap was helemaal niet hard. Later bleek dat meerdere omwonenden niets van het neerkomen van de machine hebben gemerkt. In het besef dat de doodsengel hun op enkele meters afstand voorbij is gegaan, liepen de mannen naar het brullende vuur dat siste en spetterde en ploffende vonkenregens de lucht in jaagde. Ze konden niet te dichtbij komen want de warmte en de ontploffende munitie maakte dat volkomen onmogelijk. Het eerste dat ze aantroffen was het afgebroken staartstuk van het angstwekkende, hoog voor hen oprijzende gevaarte.

Dat staartstuk stond rechtop in het weiland alsof het door een enorme hijskraan behoedzaam was neergezet. De perspex staartkoepel zit nog op zijn plaats en de lopen van de vier Browninggeweren wijzen recht naar achteren. Iets witachtigs is van binnen in de koepel blijven haken. Witachtige slierten hingen door een gat aan de linkerkant van de koepel naar buiten. Parachutelijnen hingen half in de koepel en half in het gras. Waar de witte lijnen eindigden lag iets donkers. Iemand liep ernaartoe, keek er naar en deed ontsteld een stap terug. Daar lag een van de vliegers in het gras, vastzittend aan de lijnen van zijn parachute.

Het grillige vlammenspel van het brandende wak een eindje verderop wierp spookachtige lichteffecten over de roerloze gestalte. De schacht van zijn ene vlieglaars was opengescheurd en flapt egriezelig in de wind. Zou de vlieger nog leven? Het leek erop dat hij nog niet dood was, maar dat was bijna niet mogelijk. Deze man had in de staartkoepel gezeten en was naar buiten geslingerd toen de staart afbrak. Zijn valscherm was in de koepel blijven vastzitten, terwijl hijzelf, hangende aan de lijnen als een steen tegen de grond was geslagen. Niemand overleefde zoiets. Maar toch… Afwachten tot dat de dokter kwam en maar hopen dat de dokter haast maakte. Voor de andere inzittenden, die mogelijk nog in het brandende wrak waren, valt niets meer te doen. Het vuur was niet te benaderen. Het knalde, siste en knetterde aan één stuk door. De helpers waren machteloos. Ze konden alleen maar hopen dat een paar vliegers zich tijdens de vlucht nog met hun parachute hadden weten te redden.

De opgeroepen huisarts Bonga uit Woudsend kwam er op zijn motor aan. Hij hurkte in het gras naast de gewonde vlieger en beluisterde en betaste hem. Er was niets meer aan te doen. Uiterlijk vertoonde het dode lichaam praktisch geen sporen van geweld maar de inwendige kneuzingen waren fataal geweest. Hij was uit de staartkoepel geslingerd. Hij moest al dood geweest zijn voordat hij neerkwam. Nu lag hij hier op zijn rug in het klamme Friese wintergras met de ogen naar boven gericht. Hij had een vredige trek op zijn gezicht. Hij scheen te glimlachen. Hij leek zo dichtbij, maar hij was onbereikbaar ver weg in een land waarvan niemand terugkeert. De mannen bekeken de papieren die hij bij zich had. Het was de 27-jarige Australische Flight Sergeant Edward Croal. Ze bestudeerden zijn foto’s van thuis, van zijn vrouw en kinderen. Op dat moment was de oorlog voor de mannen van Waterloo een zeer persoonlijk iets geworden. Niemand kon de foto’s zien zonder ontroering en een fel opkomende haat tegen de arrogante moordenaars die deze oorlog ontketenden. Hierdoor moest deze jongeman nu hier te pletter vallen: voor de mensen op de foto’s en voor de mensen die nu bij zijn dode lichaam stonden.

Aan hun voeten lag Edward Croal in zijn laatste slaap. Na de oorlog liet zijn vrouw op zijn grafsteen de derde bede uit het “Onze Vader” beitelen: “Thy will be done”, (Uw Wil geschiedde). Veertig minuten na hun melding aan piloot Helmut Lent was het Luftwaffepersoneel uit Kamp Eisbär in Sondel al aanwezig op de plaats des onheils. Zij zetten direct het terrein af. Uiteindelijk bleven twee Duitsers achter om de gehele procedure te bewaken. Uilke Bangma uit Sondel (1924-2010) schreef deze dag in zijn dagboek: “Wij waren nachts buiten en wij hebben vaak gehoord en gezien dat er een vliegtuig neerstortte in het IJsselmeer. Dan ging er een gejuich op in het Duitse Kamp”. De Duitsers in het Kamp Sondel stonden als goedaardig bekend, maar moesten uiteraard hun plicht doen. De Duitsers van het vliegveld Leeuwarden kwamen ook ter plaatse. Zij pakten alles op dat boven de grond lag en namen dat mee.

De volgende morgen verspreidde het nieuws zich vliegensvlug in de omgeving. Iedereen wist nu dat er een grote Engelse bommenwerper bij Waterloo was neergestort en dat daarbij een Australische vlieger gesneuveld was. Het gerucht ging dat er bij Indijk drie parachutes gevonden waren. Er zouden daarom zeker drie bemanningsleden zijn ontkomen uit handen van de Duitsers. Er werd zelfs gezegd dat het vliegtuig in kwestie een Nederlands vliegtuig was geweest dat bij de Royal Air Force vloog. Op een stuk van de staart stond immers nog duidelijk de Nederlandse driekleur afgebeeld. Dat was zelfs vanaf de weg goed te zien.

In het waterige licht van de wintermorgen stond daar die enorme staart als een monument recht overeind in het weiland. Een imposant zwart ding met hoge, smalle kielvlakken en richtingsroeren. De identificatie van het vliegtuig was eenvoudig genoeg. De vorm van de staart met onmiskenbare elliptische roeren sloot alle twijfel uit. Het is Engelands nieuwste zware bommenwerper, de Lancaster. Het was de eerste die op het vasteland van de Zuidwesthoek terecht was gekomen. De witte parachutelijnen hingen nog uit de staartkoepel, de rood-witte-blauwe “fin flashes” van de R.A.F., die zoveel op de Nederlandse vlag leken, zijn duidelijk te zien. De rest van het wrak was niets anders dan een rookwolk die traag in de wind wegdreef. Af en toe knetterde en knalde er nog iets. Toen kolkte de rook in signalen op. Een Duitse schildwacht, compleet met helm en bajonet, stond bij de afgebroken staart. Het enorme ding deed de stoere strijder er uitzien als een kabouter. Door de weilanden gaf een spoor van kleine metaaldeeltjes de weg aan die de Lancaster had afgelegd. De bomluiken werden gevonden dichtbij de plaats waar de staart was afgebroken. Op zondagmorgen, bijna drie dagen na de ramp, zou het stoffelijk overschot van Flight Sergeant Croal worden begraven op het kerkhof in Ypecolsga. Maar de plechtigheid ging niet door omdat de Duitsers in de buurt van het wrak nog een tweede dode vinden die geïdentificeerd werd als Sergeant Gordon Bowden Wilkinson, de waarnemer en bommenrichter. Het wrak smeulde nog steeds en dat zou het vier dagen lang doen. Op dinsdag 22 december 1942 vindt de begrafenis plaats van Croal en Wilkinson.

De Rooms-Katholieke priester van Woudsend had ontdekt dat Croal Rooms-Katholiek was. Daarom wijdde hij twee graven in naar de Rooms-Katholieke traditie. De Luftwaffe bracht het militaire eresaluut en de Rooms Katholieke voorganger bad het Onze Vader in het Engels. Bij de plechtigheid mochten ook inwoners uit Woudsend aanwezig zijn en die hebben daar massaal gebruik van gemaakt. Nog lang daarna werden door hen bloemen gebracht bij de beide graven.

Ondertussen was er bij iedereen nog hoop dat de andere bemanningsleden ontsnapt waren. De Duitsers geloofden dat zelf ook. “Wir haben jetzt zwei Mann gefunden und die sind bereits begraben”, sprak een pas-afgeloste schildwacht. “Nein, es gibt kein Mensch mehr in die Trümmer”. “Es sind also noch fünf Besatzungsmitglieder übrig”. “Sie sind vielleicht abgesprongen und verhaftet?”. “Weiss nichts davon”, zei de schildwacht “sie sind fort, weggelaufen, nach Engeland wieder”.

Het viel op dat de Duitsers geen pogingen deden om de vermisten op te sporen. Er volgden geen razzia’s of huiszoekingen. De hele streek wist zo langzamerhand van de gevonden parachutes. Het gerucht circuleerde dat een paar Engelse vliegers in de nacht van de ramp hebben aangeklopt bij een boerderij in Indijk. De boer die bang voor de Duitsers was, had de mannen echter niet binnengelaten. Daarop waren de vliegers door de nachtelijke landen naar de oever van het Heegermeer getrokken en zijn daar overgestoken in een gevonden vissersboot. Ze zouden nu onderdak gekregen hebben door hulp van de Ondergrondse van Gaastmeer. Ondanks al deze geruchten ondernamen de Duitsers geen opsporingsacties.

Toen de in het weiland geslagen krater eindelijk geen rookpluimen meer liet zien, probeerden de Duitsers uit alle macht het vliegtuigwrak te bergen. Zij konden alleen bij de intact zijnde vliegtuigstaart komen. Vooral de motoren hadden hun grote belangstelling. Maar die zaten een heel eind in de grond en er moest een zware bok aan te pas komen om die daaruit te takelen. Die operatie slaagde niet. De bok zakte weg in het zachte weiland. Na enkele pogingen staakten de Duitsers de strijd. De krater werd weer aangevuld en de Duitsers verdwenen uit Waterloo. Voor zover dat in oorlogstijd mogelijk was, ging het leven zijn normale gang. Van de ontsnapte bemanningsleden werd niets meer vernomen.

Pas jaren later werd het duidelijk wat er met de vijf vliegers was gebeurd. Het was in 1951 toen de verkeersweg van Waterloo naar Balk werd aangelegd. Vlak langs de plek waar het vliegtuig D-For-Dog het zachte weiland was ingeslagen, begon een particuliere specialistische firma – met toestemming van het betrokken Ministerie – op 23 januari 1952 een bergingspoging. En warempel, zij vonden een vliegtuigwrak en haalden dat naar boven. De nog steeds niet ontplofte bommen kwamen ook voor de dag. Men vond ook nog wat anders. Daarmee kon het bewijs worden geleverd dat de verdwenen vijf bemanningsleden zich niet meer van tevoren hadden weten te redden. Want in het wrak werden de stoffelijke overschotten van alle vijf mannen aangetroffen. De piloot zat nog op zijn plaats in de uit elkaar geslagen cockpit, evenals de naast hem zittende landingsassistent Gorden Bowden Wilkinson.  De horloges stonden stil op het fatale tijdstip van kwart over negen. De Engelse specialist Dr. Mr. McMann verrichtte de identificatie. De vijf mannen: Nias, Callan, Powell, Dening en Stark werden overgebracht naar de Engelse militaire begraafplaats Jonkersbosch bij Nijmegen. Hier werden zij naast elkaar begraven in vak I rij 20. Vervolgens werd er ergens een administratieve fout gemaakt, zodat de gesneuvelden geboekt werden als bemanningsleden van een in de buurt van Nijmegen neergestorte Stirling. Dertien jaar later, toen de ondergang van de D For Dog volledig was onderzocht, werd deze fout hersteld. Het was toen overduidelijk dat de gehele bemanning van de KM-F is omgekomen. De destijds circulerende geruchten dat de bemanning aan de Duitsers was ontkomen, bleek duidelijk een gerucht. Toch zijn de parachutes die bij Indijk gevonden werden niet weg te redeneren. Die parachutes zijn toch ook gebruikt? Of zou er omstreeks datzelfde tijdstip nog een vliegtuig in nood hebben verkeerd en zouden andere vliegers aan deze parachutes zijn neergekomen?

Twee van de mannen die op de bewuste avond de ondergang van de Lancaster hadden gadegeslagen vanaf dat boerenerf op Waterloo, hadden een verstandige daad gedaan. Eén van de twee was de oud-militair Jacob Cornelis Nagelhout uit Woudsend, een even fanatieke antinazi. Zodra ze van de gevonden parachutes hadden gehoord, waren ze met handelend optreden begonnen. De Duitsers mochten de parachutes niet in handen krijgen. In dat geval zou Indijk door de Duitsers worden overstroomd en elke huis zou-Deutsch-gründlich worden onderzocht.

Als er werkelijk vliegers hier verstopt zouden zitten, dan zou de omgeving een flinke kans op arrestaties lopen. Wat zou er dan gebeuren met de inwoners van Indijk? Daarom, de parachutes moesten weg. De volgende morgen in alle vroegte gingen de mannen te paard de weilanden in om de parachutes te zoeken. Paardensporen zouden geen argwaan wekken in de weilanden, omdat er genoeg paarden buiten liepen. Menselijke voetsporen zouden verdachter zijn. Beide mannen vonden de parachutes en verstopten die onder de greppelzoden. Er kraaide dus geen haan meer naar.

Helaas hadden de parachutes niet dienstgedaan in de functie waarvoor ze waren bedoeld. Dat wees het onderzoek wel uit. Ze waren nooit gebruikt. Ze hadden in hun rekken gelegen en waren klaar voor gebruik. En een aangegespt parachutepak was lastig om mee te werken. Pas in zeer dringende gevallen werden de pakken aan de draagriem gegespt en niet eerder. Bij de eerste ontploffing die de Lancaster aan de voorzijde openscheurde, waren de klaarliggende valschermen uit de rekken geslingerd en opengegaan. Aan de omstandigheden waaronder het stoffelijk overschot werd gevonden van Flight- Sergeant Croal, viel duidelijk op te merken dat hij niet geprobeerd had uit het vliegtuig te springen. Dat zou overigens voor hem niet moeilijk zijn geweest. Als hij in zijn koepel zat, hoefde hij die alleen maar 90 graden te draaien, de deur te openen en zich achterover te laten vallen.

De staartkoepel was een ingewikkeld mechanisme. De vier machinegeweren, de vizierinrichting en de aanvoerbanen voor de munitie eisten nogal ruimte op, zodat er voor de schutter zelf slechts een beperkte ruimte overbleef. De schutter moest eerst al een hele klauterpartij verrichten om in zijn koepel te komen. Daartoe moest hij eerst over de liggers van het horizontale staartvlak kruipen die dwars door het nauwe achtergedeelte van de Lancaster liepen. Vervolgens kwam hij dan, vlak achter de roeren, bij twee vouwdeuren die de romp afsloten. Na zich hier doorheen geworsteld te hebben, was hij bij zijn koepel aangeland. Hij kon pas hier binnenkomen wanneer die in de “normale” stand stond. De lopen van de machinegeweren wezen dan recht naar achteren, evenwijdig aan de lengteas van het vliegtuig. Door de stalen schuifdeur te openen die de achterwand van de koepel vormde, kon hij dan de koepel binnenkomen. Het werken in de nauwe koepel werd bemoeilijkt door het parachutepak. Dat pak nam te veel ruimte in. Daarom droeg de schutter normaal geen parachute. Het parachutepak lag dan in een rek in de romp, vlak achter de schuifdeur van de koepel. Wanneer het spannend werd, hoefde de schutter alleen maar de schuifdeur te openen, de parachute uit het rek te nemen en aan te gespen. Vervolgens sloot hij de schuifdeur weer. Wanneer het tijd werd om het vliegtuig te verlaten, draaide de schutter zijn koepel 90 graden naar links of naar rechts. Daarna maakte hij zijn zuurstofverbinding en de stekker voor de intercom los. Opende daarna de schuifdeur – die dan niet meer in de romp maar in de buitenlucht uitkwam – en liet zich dan achterovervallen de ruimte in.

Dat was de snelste en de veiligste manier om in geval van nood de koepel te verlaten. Het afleggen van de gehele weg terug door de schuifdeur, door de vouwdeuren, over de staartliggers en naar het eerste het beste noodluik – zou te veel tijd kosten. Croal had natuurlijk geweten en gevoeld dat er iets aan de hand was met het vliegtuig. Hij had de schuifdeur geopend om zijn parachute uit het rek te nemen. Hij had de parachute aangegespt en daarna de schuifdeur weer gesloten. Maar hij had zijn koepel niet gedraaid zodat de schuifdeur hem toegang naar buiten zou verschaffen.

Wel had hij de zuurstof- en telefoonleiding losgemaakt. Of had hij de koepel niet in de juiste stand kunnen krijgen? Die koepel werd hydraulisch rondgedraaid. Als het hydraulische systeem werd stukgeschoten dan had de schutter nog altijd de mogelijkheid om de koepel met handkracht rond te draaien. Dat had Croal nu ook kunnen doen. Hij deed dat niet. Commandant Dening had kans gezien het toestel gedurende die angstige tocht van spanning naar Waterloo onder controle te houden. Croal moet er vast op hebben vertrouwd dat Dening de machine veilig aan de grond zou kunnen krijgen. Niemand sprong uit het toestel, hetzij door verwondingen, hetzij door hun vertrouwen in de capaciteiten van de piloot. En bijna, bijna had de piloot dat geklaard…

 

De bemanning van het toestel bestond uit: 

 

 

405576 Flight-Sergeant – Piloot -  JOHN GLEN DENING, 27 jaar, RAAF.
Geboren 23 maart 1915 in Yeageron Australië. Accountant. Zoon van John Dening en Florence Mary Elizabeth Dening. Hij had de Presbyteriaanse godsdienst. Zijn woonplaats was Byron Bay, New South Wales in Australië.
Begraven op het oorlogskerkhof Jonkersbosch bij Nijmegen in graf 20-I-1.

Op zijn grafsteen staat:

A GREAT SURFMAN FROM BYRON BAY
AUSTRALIA’S EASTERLY POINT

120242 Flight-Officer – Navigator – MAURICE ALFRED NIAS, 24 jaar,  RAFVR.
Zijn ouders waren Charles Alfred Nias en Annette Rose Anna Nias.
Begraven op het oorlogskerkhof Jonkersbosch bij Nijmegen in graf 20-I-3.

Op zijn grafsteen staat:

TIME PASSES ON
BUT MEMORIES NEVER FADE

567483 Sergeant – Flight Engineer JOHN ARTHUR CALLAN, 23 jaar, RAF.
Zoon van Arthur Robert Callan en Winifred Callan. Hij woonde in Hounslow, Middlesex in Groot-Brittannië.

Begraven op het oorlogskerkhof Jonkersbosch bij Nijmegen in graf 20-I-2.

Op zijn grafsteen staat:

FOR EVER IN OUR THOUGHTS

1359999 Sergeant W. Operator – Airgunner LEONARD GEORGE POWELL, 31 jaar, RAFVR.
Zijn ouders waren Arthur Richard Powell en Martha Powell. Zijn woonplaats was South Yardley in Birmingham.

Begraven in het oorlogskerkhof Jonkersbosch bij Nijmegen in graf 20-I-4.

Op zijn grafsteen staat:

MAY THE SUNSHINE
HE MISSED ON LIFE’S HIGHWAY
BE FOUND
IN GOD’S HAVEN OF REST

411996 Flight Sergeant – Rear Air Gunner – EDWARD PETER CROAL, 27 jaar, RAAF. Geboren op 30 september 1915 in Glasgow, Schotland. Verzekeringsagent.
Zoon van William Croal en Ellen Croal. Op 14 april 1941 getrouwd met Marjorie Merle Croal-Kelly. Woonde in Canley Vale in Australië.

Begraven op de gemeentelijke begraafplaats in Ypecolsga in graf E-10.

Op zijn grafsteen staat:

NOT MY WILL, O LORD
BUT THINE BE DONE.
R.I.P.

R/92640 Sergeant – Mid Opper Air Gunner – WILLIAM McBAIN JAMES STARK, 29 jaar, RCAF. Geboren op 22 oktober 1913 in Canada.
Woonplaats Calgary, Alberta in Canada.

Begraven in het oorlogskerkhof Jonkersbosch bij Nijmegen in graf 20-I-5.

1319418 Sergeant – Bomb Aimer – GORDON BOWDEN WILKINSON, 33 jaar, RAF. Geboren op 3 oktober 1909.
Zoon van John Thomas Wilkinson en Alice Louisa Wilkinson. Getrouwd sedert 2 oktober 1933 met Violet Edna Wilkinson – Scollard, geboren 3 oktober 1910. Zijn woonplaats was Ruislip, Middlesex, Groot-Brittannië

Begraven op de gemeentelijke begraafplaats in Ypecolsga in graf E-11.

Wij hebben kunnen lezen dat Jacob Cornelis Nagelhout een van de mannen was die bij de Indijk de neergekomen parachutes verstopte. Deze Jacob Cornelis Nagelhout sneuvelde precies op zijn 28e verjaardag achter een Brengungeweer waarmee hij de aanvallende Duitsers onder vuur nam bij de bevrijdingsacties op 15 april 1945 bij de Wellebrug nabij Woudsend. Hij was een actief lid van de illegale beweging te Woudsend en lid van de N.B.S., district V, groep Woudsend. Het is passend dat zijn nagedachtenis ook werd geëerd op de gedenksteen op de plaats van Lancastercrash. Uiteindelijk heeft hij door weldoordacht optreden bij het verzamelen van de parachutes veel onheil in de vorm van razzia’s en huiszoekingen voorkomen in de omgeving van Indijk en Woudsend. Later is er voor hem speciaal nabij de voormalige Wellebrug een eigen monument geplaatst.

Dening moet ten slotte een karaktervast persoon zijn geweest. Hij vloog met ijzeren onverzettelijkheid de laatste koers, om zijn kameraden een kans te geven, letterlijk door het vuur heen. Hij deed zijn plicht tot het einde en zelfs het vuur weerhield hem er niet van, zich bewust te blijven van zijn verantwoordelijkheid als commandant, met alle consequenties van dien. Hij stierf als een held.

Huisarts J.A.S.R. Bonga

Huisarts Bonga uit Woudsend (zelf zeer actief geweest in het verzet) had direct na de bevrijding initiatieven ondernomen om een monument op te richten. Aanvankelijk was op zijn instructie onmiddellijk na de bevrijding een zeer eenvoudig gedenkteken geplaatst op de plek van de vliegtuigcrash.  Dat was vrijwel op de grens van de toenmalige gemeenten Wymbritseradeel en Gaasterland – nog juist in eerstgenoemde gemeente - op een perceel weiland dat aan veehouder U. Visser uit Ypecolsga toebehoorde. De gedenksteen bestond uit een zgn. zwerfsteen ter grootte van plm. 1m3, geplaatst op een betonnen voetstuk, dat afkomstig was van een opgeblazen bunker uit het kamp Eisbär in Sondel.
Op deze zwerfsteen was een houten kruis aangebracht met het opschrift: “They never fail who died a great cause” (Zij die voor een groot doel vallen, sterven niet tevergeefs).
De vereniging “Nederland en Oranje” uit Woudsend plaatste een hekwerk rond dit monument en nam het eventuele onderhoud hiervan op zich.

Bij de opgravingswerkzaamheden rondom de aanleg van de weg Balk – Woudsend in 1951 is dit monument verloren gegaan. Op initiatief van enkele personen uit Balk en Woudsend is het nieuwe gedenkteken geplaatst. Alle namen van de slachtoffers werden erop aangebracht. H. Eijgelaar uit Wolvega kreeg de opdracht om een monument te maken en leverde daarvoor een rekening in van f. 884,15. P. Rijnia uit Woudsend maakte de betonnen fundering voor de prijs van f. 669,46. De totale kosten van f. 1563,61 – bijna € 700,00) werden betaald door Benjamin Steegenga uit Balk in zijn functie als penningmeester van de LO Gaasterland aan de Stichting Sneek 1945-1962. Op 30 december 1952 is het monument officieel onthuld. De Christelijke Scholengemeenschap Bogerman uit Balk heeft dit monument geadopteerd en houdt ieder jaar in april een herdenking bij het monument.

Lieux de mémoire Waterloo

Het monument. Foto: J.G.Vogelzang

De basis voor dit zeer gedetailleerde verhaal komt uit het boek ”De Luchtoorlog boven Zuidwest-Friesland” (1970) door Jan J. van der Veer uit Elahuizen.  Het is op enkele plaatsen gewijzigd met gegevens uit het boek “Zij vielen in Wymbritseradeel” (2000) door Willem O. Santema en Wim J. Stienstra. Ook is een artikel gebruikt uit de 71ste jaargang nr. 9 van de Balkster Courant.  Daarnaast zijn de boekwerken I (1990) en de website www.teunispats.net gebruikt. Jan J. van der Veer heeft zijn boek al in een vroeg stadium geschreven. Het boek van Santema en Stienstra daarentegen is in 2000 verschenen. Hierin staan logischerwijs meer gegevens dan Jan J. van der Veer tot zijn beschikking had. Piet G. van der Werf uit Heerenveen heeft in november 2016 gegevens aangeleverd omtrent de bijdrage van zijn vader Johannes van der Werf.

In de loop der jaren is er uiteraard steeds meer bekend geworden. Hierdoor zijn bij tegenstellingen in het verhaal de gegevens van het laatst verschenen boek gebruikt.