Verzetsmonument Oudemirdum

Op dinsdag 27 februari 1945 werden in het Fonteinbos in Oudemirdum de verzetsstrijders Jacob Wilbers en Johannes Wissink gefusilleerd door de Duitse bezetters. Op de plaats van de moord werd door de oud-verzetsleden van Gaasterland op 4 mei 1950 een monument onthuld. De steen was gemaakt door steenhouwerij Eijgelaar uit Wolvega. Het monument was geadopteerd door leerlingen van de Christelijke basisschool in Oudemirdum.

Het was de vroege morgen van vrijdag 23 februari 1945 toen heel Woudsend in rep en roer was. Met grote snelheid kwamen er Duitse overvalwagens het dorp binnenrijden en ieder wist nu dat er een razzia gehouden zou worden, omdat Woudsend op meerdere plaatsen hermetisch afgesloten ging worden. In meerdere woningen werden plotselinge invallen gedaan op zoek naar verdachte burgers en boeren. Het bleek al snel dat het een regelrechte zoekactie was naar bepaalde personen en zaken. Er moest dus wel verraad in het spel zijn. Hierover bestonden in het dorp meerdere vermoedens. De oudste dochter van Woudsender huisarts J.A.S.R. Bonga meende te weten dat een zestienjarige Duitsgezinde jongeman uit het dorp het verraad gepleegd zou hebben. Er werden uiteindelijk twaalf personen opgepakt en dat wees toch wel op verraad als naar de onderlinge samenhang werd gekeken van de opgepakte mensen. Huisarts J.A.S.R. Bonga (bijnaam De Pil) hoorde bij de opgepakte groep, tezamen met zijn schoonzuster Tante Truus (Geertruida Severina Charbon, geb. 1 maart 1922 in Amsterdam), zijn collega H.R. Biema, wachtmeester Meindert Attema, Jacob Wilbers, Julius Okma, Albert Boeijenga, Luutzen Rondhout, B. De Vries en tenslotte vader en zoon S. en S. Op de Hoek uit Ypecolsga. Voor het verzet – en vooral voor huisarts Bonga – had de arrestatie grote consequenties, omdat Bonga commandant van de Ned. Binnenlandse Strijdkrachten Wymbritseradeel is. Ook maakte hij deel uit van de verzetsgroep Lever uit Sneek. Tijdens de Duitse inval werd er bij Bonga een wapenvoorraad gevonden. Een ander probleem was dat Bonga meerdere namen en illegale zaken kende, waardoor er een kans was dat hij dit tijdens ernstige mishandelingen zou bekennen. Dokter Bonga wist dit zelf ook. Hij injecteerde zichzelf met een dodelijk gif en sneed daarna zijn polsen door. De Duitsers hebben dat opgemerkt en zij waarschuwden onmiddellijk dokter Fast in Woudsend. Hij was de collega van Bonga en hij moest Bonga tegengif toedienen en de bloedstromen stoppen. De Duitsers hadden door dat Bonga een belangrijke informant kon zijn en zij wilden dus niet graag dat Bonga kwam te overlijden. Dokter Fast zorgde voor tegengif en stopte het bloeden. Het gevolg was wel dat dokter Bonga zwaar ziek werd en de eerste dagen niet door de Duitsers ondervraagd kon worden.

Bij de opgepakten was een inwoner uit Oudega, Wymbritseradeel. Zou hij enkele zaken bekend hebben? Niemand die het wist maar een feit is wel dat er een dag na de overval in Woudsend een razzia in Oudega-W was. Daar werd een dag later in Gaastmeer tijdens die razzia Johannes Wissink opgepakt. Zijn schuilnaam was Alex. Een groep SD-soldaten was eerst ‘s morgens vroeg in Oudega-W bezig geweest om de gehele verzetsgroep op te rollen.  Een andere groep SD leden reed door naar Gaastmeer. Daar was een brandpunt van illegaliteit en ook daar moest het verzet een klap worden toegediend, in het bijzonder de heer Westra. In de gehele omgeving stond alles onder water en dus ook de weg tussen Oudega-W en Gaastmeer. Dat leidde tot vertraging bij de Duitsers. In ‘De Lytse Gastmer’ had Johannes Wissink de razzia’s gezien. Hij bedacht zich dan ook niet en sprong op de fiets om zo snel mogelijk iedereen in Gaastmeer te waarschuwen. Hier had niemand nog iets opgemerkt. Hij stopte voor het huis van Matthijs ‘Thijs’ Westra, van wie hem bekend was dat hij in het verzet zat. In dit huis lagen nog vier personen te slapen.

Wissink bonste op ruiten en deuren en raasde: “De Groenen, De Groenen, weg, weg”. In duizend haasten en half aangekleed vlogen alle personen naar buiten en zochten een goede schuilplek bij de buren. Zij konden daardoor tijdig worden gered. De Sicherheidspolitzei en de Landwacht werden zó kwaad  toen zij niemand in de woning van Westra aantroffen, dat zij de woning met garage in brand staken, waardoor alles voor Westra verloren ging. De handhavers van de Nieuwe Orde stonden klaar met het vuurwapen in de aanslag, wachtend op het moment dat de ‘Herr Oberterrorist’, zoals zij hem noemden, uit zijn hol zal worden gebrand. Dat ogenblik kwam niet en de Duitsers en hun handlangers gingen teleurgesteld verder met hun arrestaties. Zij hoopten dat de gevaarlijke tegenstander door de vlammen was uitgeschakeld. Zij wisten niet dat Westra al die tijd in de regenbak had gezeten en na hun vertrek letterlijk als een fenix uit de as herrees! Het schuurtje bij huis was blijven staan en dat werd nu door Westra gebruikt als een geschikte munitiebergplaats.  Johannes Wissink was na zijn alarm bij de familie Westra doorgefietst en bleef maar roepen: “De Groenen, De Groenen”. De Duitsers kregen hem hierdoor in het vizier en zetten de achtervolging in. Op het einde van het dorp – in de Buorren – kregen ze hem te pakken en daar werd hij neergeknuppeld. De Duitsers zagen in hem direct een terrorist, terwijl zij nog niets van hem wisten. Vermoedelijk is Johannes Wissink daarna geconfronteerd met een in Woudsend gearresteerde inwoner uit Oudega-W, waarbij Wissink werd herkend. Op hem werd belastend materiaal gevonden. Daarom werd hij met nog vijf anderen naar de gevangenis in Sneek gebracht. Tijdens zijn verhoren werd door hem geen enkel verraderlijk woord losgelaten. Hij had zelfs nog kans gezien om een paar waarschuwingen aan de illegaliteit kenbaar te maken. Verzetskringen probeerden nog wel om “Alex” een pistool te bezorgen, maar dat mislukte. Al met al kan worden gesteld dat Johannes Wissink door zijn acties meerdere mensen het leven heeft kunnen redden.

Het raakte langzamerhand aardig vol met gevangenen in Sneek, terwijl er naar buiten toe geen Duitse strafmaatregelen waren. Commandant Strobel wou niet langer wachten en haalde op 27 februari 1945 ‘s morgens om zes uur twee gevangenen uit de Sneker gevangenis. Het waren de onderwijzer Jacob Wilbers uit Abbega en de 24-jarige scheepstimmerman Johannes Wissink uit Sneek. Waarom juist deze twee personen werden opgehaald is niet bekend geworden. In twee auto’s ging de groep richting Gaasterland. Jacob Wilbers had zijn gabardine jas aan en zijn vilthoed op. De beide auto’s stopten op de Fonteinwei in Oudemirdum en daar werden de beide mannen door een paar Duitsers het bos ingedreven. Op een pad dichtbij de Kooivijver in Oudemirdum werden de beide mannen om ongeveer acht uur doodgeschoten door twee personen in Duits uniform en door iemand in een blauwe overall. Het verhaal gaat dat Wilbers en Wissink eerst hun eigen graf hadden moeten graven. Gijsbert Schotanus uit Oudemirdum was in het bos en bevond zich op een afstand van 50 meter toen hij hoorde dat er gegraven werd. Hij had daarvan niets gezien. Het kan dus ook zijn dat hij het geluid heeft gehoord van het dichtmaken van het graf. Toen Schotanus dichterbij kwam, werd hij door een Duitser weggestuurd.  In de nacht van de volgende dag is Schotanus teruggegaan en kon hij vaststellen dat er op die plaats inderdaad gegraven was.

Hij maakte een kleine opening in de verse grond en stuitte toen al vrij snel op een hoofd. Hij groef niet verder, want hij wist nu wel voldoende. Hij maakte het gat weer dicht en waarschuwde de boswachter. Die had het verhaal van Gijsbert Schotanus gecontroleerd en hetzelfde vastgesteld. Er werd ook wel verteld dat een stroper dit voorval had gezien, maar verzetsleider Benjamin Steegenga schreef in zijn memoires dat het echt Gysbert Schotanus was geweest. De boswachter en Schotanus hadden eerst niets met het verhaal gedaan en zich over dit voorval in stilzwijgen gehuld.

Nadat de Duitsers uit Gaasterland waren verdreven, werd dit voorval openbaar gemaakt en rond de 25e april 1945 zijn beide mannen opgegraven. In het verslag van Gatse de Groot, in zijn hoedanigheid als gemeentelijk operatieleider van Wymbritseradeel, is opgenomen dat de opgraving omstreeks 25 april 1945 had plaatsgevonden. De namen zijn dan eerst niet bekend en daarom werd het signalement van beide mannen uiterst precies genoteerd:

“De eerste persoon is van het mannelijk geslacht. Zijn leeftijd is tussen de 23 en 25 jaar, zijn lengte is plm. 1.70 meter en het gelaat onherkenbaar. Hij heeft een gaaf gebit met daarboven een klein snorretje. Hij draagt een grijsblauw colbertkostuum, lage gekleurde schoenen met stukjes leder beslagen; witte schapenwollen sokken; gestreept overhemd met boord en blauw gestreepte das; eigen gebreide wollen ondertrui en onderbroek; aan den ringvinger van zijn linkerhand een gladde gouden ring, waarin het volgende stond gegraveerd: Ank 14-4-1941”.
Aan de hand van de gravering in de ring kon worden vastgesteld dat het om Jacob Wilbers ging. De familie vond het wel vreemd dat het beschreven ondergoed niet klopte met dat wat Wilbers normaal droeg. Toen een familielid later daarover met Mevrouw Couperus uit Woudsend in gesprek raakte, kon dat probleem snel uit de wereld worden geholpen. Wilbers had namelijk vlak voor zijn aanhouding aan haar verklaard dat hij nieuw ondergoed van de illegaliteit had gekregen.

“De tweede is een persoon van het mannelijk geslacht; oud ongeveer 35 á 40 jaar; lang ± 1.85 M, onherkenbaar geschonden gelaat; gaaf gebit, gekleed in donkergrijs colbertjasje, blauwe broek; aangebreide sokken (met schapenwol), zwarte klompen, dikke blauwe trui, marinehemd, flanellen onderbroek; aan den rechterhand een zilveren zegelring met monogram TZ.
Aan de hand van deze gravering kon worden vastgesteld dat het hier Johannes Wissink betrof. Er werd nu in de krant een advertentie geplaatst met beide signalementen. Hierop werd gereageerd en was de vastgestelde identiteit een feit.

Beide mannen zijn eerst op het kerkhof in Nijemirdum begraven. Iemand heeft nadien in een dikke boom dichtbij de moordplaats het woord “Moord” gekerfd in navolging van de andere moordenaarsboom bij de Star Numanbrug in Ruigahuizen.

 

WIE WAREN DIE BEIDE SLACHTOFFERS?

Jacob Wilbers werd in Oudega-W geboren op 4 mei 1918 als zoon van kleermaker Dooitze Wilbers, geboren 17-11-1886 in Utingeradeel en van Tjaltje Boersma, geboren 14 april 1886 in Wymbritseradeel. Jacob was van 1940 tot begin 1944 onderwijzer in Abbega aan de Christelijke Lagere School en woonde op het adres Oudega 48C. Van 2 september 1940 tot 7 februari 1944 stond hij ingeschreven op het adres Abbega 14. Hij was nog niet getrouwd maar wel verloofd met Ank Haagsma. Hij kreeg het beheer en het onderhoud van de wapens voor de KP in Wymbritseradeel. Jacob Wilbers was een gewaardeerd en vertrouwd lid in het verzet tot het moment dat de spanningen hem teveel werden. Hij begon zenuwachtig te worden, onzeker, bang en hij kon het gevaarlijke werk tegen de Duitsers niet langer aan. Daardoor werd hij een gevaar voor de overige leden van de KP-ploeg en begon men hem buiten de activiteiten te houden.  Men werd zelfs zo voorzichtig dat de KP de wapens van schuilplaats liet veranderen zodat Jacob niet meer van de voorraadplaats op de hoogte was. Dokter Bonga uit Woudsend had het probleem begrepen en liet Jacob hij hem onderduiken. Wilbers werkte veel samen met Johannes Walinga uit Oudega-W en Diedert Schilstra uit Woudsend. Nadat Jacob op 23 februari 1945 bij de razzia in Woudsend was gepakt, heeft hij bij verhoor door de Sicherheidsdienst bekend dat hij wapens verborgen had in de school waar hij onderwijzer was.

 

 

Johannes Wissink werd op 4 april 1920 in Den Haag geboren. Hij woonde daar op het adres Van Loostraat 40. Daar werd hij op 22 februari 1940 uitgeschreven naar Den Helder met de aantekening:  “Van Speyk”. Steenklipstraat 16 in Sneek was op 18 februari 1941 het volgende woonadres. Dat heeft niet zo lang geduurd, omdat hij op 17 maart 1942 alweer werd uitgeschreven naar zijn oorspronkelijk adres in Den Haag. Zijn laatste adreswijziging was op 6 mei 1943 toen hij zich liet inschrijven op het adres Utrechtseweg 331 in Amersfoort. Zijn beroepen werden omschreven als bouwkundig opzichter en scheepstimmerman bij de Koninklijke Marine in Den Helder.

Johannes Wissink was niet getrouwd maar hij had wel een goede relatie met een koerierster. Was zij misschien de TZ die in zijn zegelring gegraveerd stond? Zij stond bekend als een mager, schraal meisje met veel wilskracht. Zij was een doorzetter voor wie opgeven niet aan de orde was. Zij merkte eens op dat als het moest, zij wel met de KP mee wilde om Johannes uit de gevangenis in Sneek te halen. Zij zag dat als de enige kans om zijn leven te redden.  Johannes Wissink werd onderduiker in Gaastmeer bij L. Werkman. Hij had meerdere keren gevraagd of hij niet toeglaten kon worden tot de KP. Dat slaagde en hij kwam bij de KP Sneek met de schuilnaam “Alex”. Zijn functie werd sabotagecommandant en dat was niet vreemd, omdat hij als oud-onderofficier hiervoor de geschikte man was. Hij hoorde ook bij de verzetsgroep Gaastmeer onder leiding van chauffeur Matthijs Westra. Van Wissink is bekend geworden dat hij op 12 februari 1945 de landwachter en en SD medewerker Hidde Louwes uit Oosterwolde (geboren 27 juni 1925 in Appelscha) liquideerde op een landtong aan de rand van de Fluezen bij Gaastmeer.

Wissink heeft meerdere malen laten zien dat zijn moed en zuiver rechtsgevoel van grote waarde waren. De gevaarlijkste opdrachten voerde hij heel precies uit, met name op het gebied van wapenvervoer. Gemeentelijk operatieleider in Wymbritseradeel Gatse de Groot schrijft in een verslag dat “Alex” op een nacht van zondag op maandag vol vuur voor hem stond. De illegaliteit stond klaar om de ‘kraak der kraken’ te plegen. Het plan was om het politiebureau in Workum overhoop te schieten en de gevangenen los te laten. Dat was allemaal gepland om de de Westelijk Operatieleider Pander uit handen van de Duitsers te houden. De overval ging op het laatste moment niet door. Johannes Wissink stond hoog aangeschreven bij zijn verzetscollega’s. Hij werd door hen: “De Hollandse Leeuw onder de vrije Friezen” genoemd.

Johannes Wissink is dinsdag 10 juli 1945 herbegraven op het kerkhof Nieuw Eykenduynen in Den Haag, in een koopgraf 2e klas nummer 891.

Jacob Wilbers is maandag 9 juli 1945 herbegraven in Oudega-W. Uiteindelijk is hij overgebracht naar vak C nummer 235 op het Ereveld in Loenen van de Oorlogsgravenstichting

Tot slot:
Het was opvallend dat volgens het bevolkingsregister van Wymbritseradeel de beide mannen niet op 27 februari maar 28 februari 1945 overleden waren. In het boek van Jack Kooistra: “Repressailles in Friesland 1940-1945” staat eveneens de datum 28 februari 1945 vermeld. De familie Wilbers had 27 februari 1945 als overlijdensdatum laten plaatsen, terwijl op de grafsteen in Loenen 28 februari 1945 stond. De familie Wissink had 28 februari 1945 aangehouden en in de overlijdensadvertentie geplaatst. Zij hadden Gaastmeer laten opnemen als plaats van overlijden.

In de Hepkema’s Courant van 28 december 1949 was een mededeling geplaatst van de Bijzondere Strafkamer van de Rechtbank in Leeuwarden. Hilbrand Schotanus, 29 jaar, machinist te Beverwijk was in de oorlog arbeider in IJlst. Hij werd veroordeeld tot 1 jaar Rijkswerkinrichting met verlies van beide kiesrechten voor de periode van 10 jaar. De straf was opgelegd vanwege het verraad van vele ingezetenen waaronder Wilmink en Wissink. Verder werd hij veroordeeld voor het plunderen - met iemand anders - van de woning die aan een ondergedoken spoorwegambtenaar behoorde.

Leidinggevende personen uit het Wymbritseradeelster Verzet.

v.l.n.r.: Andries Hiemstra,Oudega W; Gatse de Groot, Oudega W; Rients Oppewal, Oudega W; Huisarts Bonga, Woudsend; Ekke Atsma, Gaastmeer en Jan Tjibbes Piebenga.