Teeuwes en Anna de Boer

Teeuwes de Boer in het uniform van de Koloniale Reserve Werfdepot Nijmegen. Zijn rang is Kanonnier 2e Klasse.

Teeuwes de Boer in het uniform van sergeant 1e klas van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, de zogenaamde Jas Toetoep.

Dit verhaal is historisch onderzocht en geheel geschreven door zijn Hendrik (Henk) de Boer uit Almere, zoon van Teeuwes en Anna de Boer. Op 8 april 2008 heeft hij dit verhaal aangeboden aan de Balkster Courant en aan Jan Geert Vogelzang. 

Teeuwes de Boer werd geboren op 27 mei 1903 in Mirns en Bakhuizen, gemeente Gaasterland. Vanaf 5 november 1923 is hij ingelijfd bij het 9e Regiment Infanterie te Leeuwarden als gewoon dienstplichtige van de lichting 1923 uit de gemeente Gaasterland onder nummer 9. Hij ging op 15 april 1924 met Groot Verlof. Op 11 september 1924 ging hij een verbintenis aan voor de overzeese militaire dienst, voor zowel in als buiten Europa voor vijf jaren, ingaande met de dag van geschikt bevinding voor uitzending; toegelaten als kanonnier 2e klasse.

Op 24 oktober 1924 werd Teeuwes de Boer geschikt bevonden voor uitzending met een premie van f. 400,00. Hij vertrok naar Indië op 15 november 1924 vanuit Rotterdam per s.s. “Slamat”.

SS Slamat, eigendom van de Rotterdamsche Lloyd

Zijn eerste periode in Nederlands-Indië begon na aankomst per s.s. “Slamat” in de haven van Batavia, Tandjong Priok op 17 december 1924. Vlak voor zijn vertrek naar Indië kreeg Teeuwes op 10 november 1924 een Bijbel: “Tot aandenken van u zuster Rinske”. Zij schreef voor in de tekst:

“Leest gij mij vrij,
Zeventig maal zeven maal
Hoe meer gij mij zoekt,
Hoe meer gij in mij vindt,
Hoe meer gij mij leest,
Hoe meer gij mij bemint”.

Deze Bijbel is blijkbaar in zijn eerste Indische periode steeds met hem meegereisd. Want de aantekeningen op de binnenkant van het kaft geven precies aan wanneer hij waarnaartoe ging. De eerste regel geeft aan: “10 november 1924 van Bakhuizen naar Nijmegen”. Kort daarop, op 15 november 1924, vertrok hij met het s.s. Slamat naar Indië. Op 17 december 1924 kwam het schip aan in de haven van Tandjong Priok, Batavia. Na een kort verblijf in Batavia, waarschijnlijk in de kazerne Djaga Monjet, is hij op 24 december 1924 vertrokken naar Tjimahi, een bekende legerplaats van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, afgekort KNIL, op de hoogvlakte van Midden Java:

1 januari 1926 terug naar Tjimahi
4 januari 1927 naar Salatiga
1 januari 1928 weer naar Tjimahi
30 december 1928 naar Weltevreden

Uit een uittreksel van het Stamboek van KNIL-militairen, dat berust bij het Nationaal Archief in Den Haag, blijkt dat hij zich op 24 oktober 1929 opnieuw voor een periode van zes jaar heeft herverbonden. Op 6 maart 1930 werd hij weer naar Tjimahi overgeplaatst en tenslotte op 23 mei 1931 naar Salatiga.

Na bijna acht jaar dienst in de Tropen keert hij op 4 oktober 1932 voor enkele maanden verlof terug in Rotterdam met het m.s. “Indrapoera”. Volgens het Stamboek wordt hij dan “op dato gezet bij de Koloniale Reserve”. Dat betekent dat hij een periode verlof heeft. Tijdens dit verlof, waarin hij veel aandacht besteed aan zijn familie in Gaasterland en omstreken, ontmoet hij zijn nicht Anna de Boer, geboren op 31 oktober 1902 uit Nijega, H.O.N. (Hemelumer Oldephaert en Noordwolde). Anna woont nog thuis bij haar moeder, Janke de Boer – van der Veer, geboren op 1 november 1863. Zij hield vanuit een klein huis een kruidenierswinkeltje. Volgens de persoonskaart van Janke uit de gemeenteadministratie zou het gaan om een winkel in koloniale waren. Janke was al vanaf 1919 weduwe die met moeite, onder anderen met het winkeltje, de eindjes aan elkaar knoopte. Anna bezorgde zo nodig de boodschappen bij de mensen thuis. Als bijverdienste luidde Janke driemaal per dag de kerkklokken. Zij heeft dit volgehouden tot de klokken door de Duitse bezetter in de Tweede Wereldoorlog werden weggehaald. De ontmoeting met Teeuwes resulteert in een serieuze relatie. Veel tijd om zich in elkaar te verdiepen hebben zij niet want Teeuwes moet weer terug naar Indië.

Na een rondreis langs de wederzijdse familie trouwen zij op 16 februari 1933 in het gemeentehuis van Hemelumer Oldephaert en Noordwolde in Koudum (zie foto hiernaast). Het huwelijk wordt in de kerk van Nijega door dominee Hokwerda uit Wijckel ingezegend. Samen trokken zij tijdelijk in bij de moeder van Teeuwes in Bakhuizen. De vader van Teeuwes was, tijdens zijn eerste periode in Indië in 1930 overleden. Hij heeft zijn vader dus nooit meer teruggezien. Kort nadat Teeuwes en Anna getrouwd zijn, vertrekken zij op 5 april 1933 met het motorschip Indrapoera naar Indië. Anna kon, omdat zij officieel getrouwd was, op kosten van de Nederlandse staat mee. Na aankomst blijven Teeuwes en Anna een korte tijd in Batavia waar ze woonden op het adres Djaga Monjet. Omdat Teeuwes regelmatig wordt overgeplaatst, hebben zij achtereenvolgens in de verschillende garnizoensplaatsen gewoond: Tjimahi, Soerabaja en Bandoeng. Zij hadden het vooruitzicht op een Europees verlof in 1941.

Op 16 maart 1934 werd in Batavia hun zoon Hendrik Jan geboren. Op 11 oktober 1941 werd dochter Geertje Anna in Bandoeng geboren. Hun leven nam een voor hen dramatische wending toen in Europa de oorlog uitbrak en de Duitsers Nederland binnenvielen. Een verlof zat er in Nederland vooralsnog niet meer in. Contact met de familie in Nederland was in eerste instantie niet meer mogelijk. Een korte tijd is, via het Rode Kruis en Berend Kool, een in Amerika wonende plaatsgenoot van Anna uit Nijega, per brief nog contact geweest. Ook hieraan kwam spoedig een einde. Een van de gevolgen was dat de familie in Friesland niet op de hoogte gesteld kon worden van de geboorte van Geertje Anna. Haar bestaan bleek na de oorlog voor de familie een bijzondere verrassing te zijn. Bij het uitbreken van de oorlog in Azië woonden zij in Bandoeng op het adres Sabangweg 7, niet ver van het grote kazernecomplex in die stad. Teeuwes was inmiddels opgeklommen tot sergeant-majoor bij de Luchtdoelartillerie. Voor zover bekend was hij ingedeeld bij het Landstormdepot, een eenheid dat bestond uit dienstplichtigen en reservisten. Waarschijnlijk was hij – wat in vakjargon heet – stukscommandant. Dat wil zeggen: commandant van de militairen die, een stuk geschut (kanon) bedienen. In dit geval zal het een luchtdoelkanon zijn geweest.

De Tweede Wereldoorlog breidde zich na 7 december 1941 uit na de Japanse aanval op Pearl Harbour naar Zuid-Oost Azië, dus ook naar Nederlands-Indië. De Nederlandse regering had, in navolging van de Verenigde Staten aan Japan de oorlog verklaard. Spoedig zou blijken dat het Koninklijk Nederlands Indisch Leger niet opgewassen was tegen het goed getrainde en goed uitgeruste Japanse leger dat ook de aanval op Indië had ingezet. Begin februari 1942 begonnen de voorbereidende bombardementen op Java. Teeuwes kwam met zij afdeling in actie tijdens de eerste bombardementen op Bandoeng. Volgens overlevering zouden de KNIL-artilleristen enige successen hebben geboekt. Zo is bekend dat Teeuwes een klokje ( hoe laat is het ) uit een neergeschoten Japans vliegtuig wist te bemachtigen. In de schaarse momenten dat hij gedurende die tijd thuis was, monteerde hij dat klokje trots op de deur van de linnenkast. Veel plezier zal hij er niet aan hebben gehad omdat hij al snel werd overgeplaatst naar Tjilatjap. Hij vertrok na een kort afscheid van Anna en de kinderen samen met zijn buurman, de adjudant Snoek. Hoe het hen daar is vergaan is niet duidelijk. Publicaties over de Japanse aanval op Tjilatjap vermelden weinig over de acties van de Luchtdoelartillerie. Wel is bekend dat Teeuwes, kort na de capitulatie van het KNIL in begin maart 1942, nog even thuis is geweest om te laten zien dat hij leefde. Hij was daarbij sjofel gekleed in een vuil overhemd, korte broek, vuile gymschoenen en een koppelriem met een lege pistooltas. Hij heeft zich daarna bij zijn oorspronkelijk eenheid in Bandoeng gemeld. Op dat moment werd hij krijgsgevangene van het Keizerlijke Japanse Leger.

Anna en de kinderen hebben hem nog enkele keren gezien als hij met een groep medegevangenen, kleine metalen karretjes trekkend, buiten de kazerne kwam om te gaan foerageren. Bij een van die gelegenheden wist hij hen nog enkele kostbaarheden te overhandigen, onder anderen zijn trouwring en een zegelring. Van wat hij in die periode heeft meegemaakt of geleden is (nog) niet bekend. Wel kon aan de hand van enkele summiere gegevens, boeken en documenten worden nagegaan wat hem en duizenden anderen, althans in de laatste maanden van zijn leven is overkomen. In deze maanden werd hij met meer dan duizend personen van Singapore verscheept naar Japan. Dit zou de laatste reis worden als krijgsgevangene van de Japanners aan boord van de HOFUKU MARU van 27 juni 1944 tot 21 september 1944. Een reis die een rampzalig einde nam in de Baai van Manilla bij de Filippijnen. Samen met ruim 900 anderen kwam Teeuwes daarbij om het leven. Ter herinnering aan hem is zijn naam aangebracht op een gedenkplaat aan de muur van het oude gemeentehuis van de gemeente Gaasterlân-Sleat in Friesland. Dit omdat hij was geboren in Bakhuizen dat in deze gemeente ligt. Op deze gedenkplaat staan 5 namen waarbij ook Joop Schweitzer staat vermeld. Hij was een zoon van een dominee uit Balk die achter het huis van Anna’s moeder, beppe Janke, op de vlucht door een landwachter werd neergeschoten. Deze landwachter werd na de oorlog gepakt en tot 19 jaar gevangenisstraf veroordeeld.

 

 

 

In Bakhuizen is een straat naar Teeuwes vernoemd, de Teeuwes de Boerstraat.

Kort na de Japanse capitulatie werd nog in het vrouwenkamp in Ambarawa, kamp 8, aan de kinderen meegedeeld dat Teeuwes werd vermist. Anna was op 23 augustus 1945, op de dag dat daar de Japanse capitulatie bekend werd, in het vrouwenkamp Banjoe Biroe overleden. Zij is begraven op het Ereveld Kali Benteng i Semarang. In 1948 ontving de familie de melding van het Rode Kruis dat Teeuwes de Boer vermist was bij een scheepsramp in de nabijheid van de Filippijnen. In de melding werd de naam van het betrokken schip genoemd, de Toyofuku Maru.

In het Stamboek van onderofficieren en manschappen van mindere rangen van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger d.d. 4 augustus 1949 (Algemeen Rijksarchief) bleek deze scheepsnaam ook te zijn opgenomen bij de gegevens van Teeuwes.

Teeuwes de Boer
Korporaal. Overleden aan boord van het Japanse krijgsgevangenen transportschip “Toyofuku Maru” op de 21 september 1944 ten gevolge van een aanval van bommenwerpers. Mededeling van het Nederlandse Rode Kruis van 19 september 1946, nummer 23271/46.
Sergeant. Rapport van overlijden.
Was aan boord van het Japanse krijgsgevangenen transportschip “Toyofuku Maru” op weg van Singapore naar Japan, hetwelk op 21 september 1944 bij de kust van Bataan werd getorpedeerd en tot zinken gebracht.

Schr.Hfd.Sec.Neth.War Graves Reg. 25 augustus 1948, no. 581.

Uit de melding van het Rode Kruis en uit herinnering was bekend dat hij sergeant-majoor was en dus geen korporaal of sergeant, zoals vermeld in het stamboek. Het feit is later nog eens bevestigd door het bureau belast met de uitvoering van KNIL-pensioenen.

OM WELK SCHIP GING HET DAN WEL?

Tijdens verder onderzoek bleek al spoedig dat, dezelfde gebeurtenis op dezelfde datum had plaatsgevonden, maar dat de naam van het betrokken schip niet steeds dezelfde was. Duidelijk was dat Teeuwes de Boer bij een scheepsramp op 21 september 1944 het leven had verloren. Een scheepsramp waarbij meer dan 900 Engelse en Nederlandse krijgsgevangenen zijn omgekomen. Niet alleen door dit grote aantal omgekomen krijgsgevangenen is het een bijzonder transport geweest, maar ook door de barbaarse behandeling, die zij tijdens de reis ondergingen.

Voor de ruim 900 krijgsgevangenen werd het het einde van een verschrikkelijke tijd. Wellicht is het voor velen een verlossing geworden uit een jarenlange hel die werd aangericht door het Japanse leger in opdracht van de “heilige” oppermachtige keizer Dai Nippon. (Hirohito).

Lloyd's Register of Shipping,  heeft in 1969 het boek Dictionary of Disasters at Sea During the Age of Steam: Including Sailing Ships and Ships of War Lost in Action, geschreven door Charles Hocking uitgegeven. In Vol I A tot en met L is over dit schip opgenomen:

Page 323: HOFUKU MARU Kokusai Kisen K.K.;1918; Kawasaki Dockyard Co; 5285 tons; 385*51*36 437 n.h.p.; triple expansion engines. The steamship Hofuku (Hohuku) Maru was sunk by U.S. carrierbased aircraft on september 21st, 1944, off the west coast of Luzon Island, Philippines.

Er is hier al sprake van twee verschillende namen.

Een andere naam die in dit verband op allerlei plaatsen opduikt is: TOYOFUKU MARU. Deze naam komt onder anderen voor in het Uittreksel van het Stamboek van het KNIL. Ook in Engelse en Australische bronnen komt de naam voor ( o.a. C.O.F.E.P.O.W. die een website heeft op internet) evenals op “The George Duncan Website. Maritime disasters at sea of World War II”.

In het boek “Nederlands Indië onder Japanse bezetting 1942 – 1945” van de hand van prof. Dr. I.J. Brugmans staat op bladzijde 350 een verslag van een sergeant-majoor (d.d. 29 juni 1946), die blijkbaar aan boord was toen de Amerikanen het schip aanvielen. Deze verklaring, wellicht nog meer daarop betrekking hebbende stukken, bevindt zich in de RIOD-collectie onder nummer Ned. I.C. 032598/6779. De voetnoot onder aan de bladzijde vermeldt:

“DE FUKU MARU, een Japans vrachtschip van ongeveer 50000 ton, geladen met bauxiet erts, had vermoedelijk 213 Nederlandse en 1076 Engelse krijgsgevangenen aan boord. Dit schip wordt ook aangeduid als FUJI MARU. De ware naam is wellicht HOFUKU MARU of TOYOFUKU MARU. Het komt niet voor op de officiële verliezenlijst in The Japanse Navy in World War II, Mil. Hist. Section, Special Staff, Gen. H.Q. Far East Command, February 1952”. Volgens het verslag van de sergeant-majoor is het schip tijdens het bombardement op 21 september tussen 10.05 en 10.30 uur ’s morgens tot zinken gebracht ter hoogte van San Narciso bij Subic Bay (Filippijnen).

De laatste gegevens om, de algemeen als juist aangenomen naam precies te weten, zijn aangedragen door Gregory Michno van de State of Michigan’Family Indepence Agency, die het boek schreef “Death on the Hellships, Prisoners at Sea in the Pacific War”. Hij beschikte over de juiste gegevens en kon vaststellen dat Teeuwes de Boer inderdaad aan boord was van de HOFUKU MARU. Hieruit blijkt ook dat de in het Uittreksel van het Stamboek opgegeven rang van Korporaal hiermee overeenkomst.

De tekst van de e-mail van Gregory Michno d.d. 3 juli 2002 luidt:.

“Dear Mr. de Boer:

Thank you for your e-mail. I have been getting quite a few questions regarding these ships. The names of the Japanese ships are confusing. They are spelled slightly different at times, men remembered them differently, sometimes they are written phonetically, and sometimes the Japanese had two of more ships afloat with the same name! Many misspellings are perpetuated by word of mouth of from source to source, by authors simply repeating the misspelling in his book taken from a misspelling in a previous book.

 Even the official military histories differ from Japanese sources. For instance, in the 21 September attack, the US says that Fukuei Maru sank and Yuki Maru was damaged, while Japanese sources show the Fukuei damaged and the Yuki Maru sank. Japanese sources do not list any Toyofuku or Toyufuku Maru. They do show a Tofuku Maru, but it was sunk by a US submarine in December 1943. They show a Fuji Maru, but is was sunk in October 1943.

 I can trace the HOFUKU MARU from picking up POWs* in Singapore, and taking them to Manilla, through Japanese sources and from radio decrypts. I was undecided as to whether to call this the Hofuku or Toyofuku myself, simply because so many US sources call it Toyofuku, and it is easy to repeat what the man before you already said. I settled on Hofuku because it matched more closely with Japanese records.

 There is also a possibility that there were more ships carrying POWs* that I do not know about and have not listed. I am certain there are, which may account for some of the apparent variances in the ship names. Yet, it is also true that what a man remembers is not necessarily what really happened. The Cpl. Kooi you mention in your e-mail who said he was on the Fuju Maru is an example. I have the list of POWs who were on the Hofuku – TOYOFUKU MARU. There is a Cpl. Hendrik Kooi listed (although the handwritings look more like Kool.”). And most happily for you, there also appears your father’s name. The listing reads: Regimental number, II/83649; Nationality: Dutch; Rank, CPL; Name, De Boer, Teeuwes. I think we may have settled it. Your father was on the HOFUKU MARU, which was the TOYOFUKU MARU according to the Allied spellings.

 I hope this helps. Good luck and best wishes.

Greg Michno.

*   POW betekent Prisoner of War.

Hoewel er nog meer namen zijn gebruikt in de verslagen over deze ramp, zal in het vervolg van dit verhaal alleen de naam HOFUKU MARU, die door Michno als juist wordt gevonden, worden gebruikt.

Hofuku Maru

Het lot van een Japanse krijgsgevangene.

Uit alles is duidelijk geworden dat Teeuwes als krijgsgevangene al spoedig is ingezet bij de aanleg van de Birma – Siam spoorweg. Beter bekend als de Birmaspoorweg. Het is hem blijkbaar, ondanks alle ontberingen, gelukt om in leven te blijven. Uit publicaties kan worden afgeleid, dat hij toch in een voor de Japanners acceptabele conditie verkeerde. Immers, alleen zij die in een dergelijke lichamelijke conditie verkeerden, werden na een korte herstelperiode in een zogenaamd rustkamp, geschikt bevonden om in hun hemelse vaderland tewerkgesteld te worden. Zij werden dan ook vrij snel daarna op transport gesteld naar Singapore, de vertrekhaven voor dergelijke krijgsgevangenen transporten.

Aan de hand van verschillende publicaties is hierna een beschrijving e gegeven van de laatste reis van een transport met ongeveer 1200 Nederlandse en Engelse krijgsgevangenen per spoor en per schip naar Japan; de bestemming die niet werd bereikt. Toen de spoorweg Birma – Siam gereed was, was het nog lang niet het einde van de lijdensweg, in tegendeel, het werd een begin van een nieuwe lijdensweg voor de ongeveer 1200 krijgsgevangenen die op de HOFUKU MARU terecht zouden komen. Op 17 oktober 1943 was het zover. De spoorweg was voltooid. Acht dagen later werd er een penning uitgegeven ter gelegenheid van dit gedenkwaardige feit. De trein kon rijden! Na het gereedkomen van de spoorweg en de daaropvolgende periode, begint de afvoer van krijgsgevangenen naar hospitalen en rustkampen. In Burma en Siam worden veel werkkampen opgeheven en uit Burma vertrekken de meeste krijgsgevangenen naar Siam, waar ze in slechte conditie aankomen. Gedurende de maanden november en december 1943 gaan steeds meer krijgsgevangenen naar Chungkai, Kanchanaburi, Tamuan en Non Pladuk. Naar verderop gelegen kampen, onder anderen Bangkok, gaan veel zieken. In de rustkampen zijn Kerstmis en Nieuwjaar op uitgebreide schaal gevierd.

De rustkampen
De spoorbaan is klaar. Japans oorlogsmaterieel en troepen kunnen met de trein vanuit Bangkok, via Ban Pong naar Thannyuzayat en verder naar het noorden van Burma worden gebracht. Het Japanse leger is gedwongen er gebruik van te maken, daar Rangoon en Akyab reeds lang niet meer voor schepen over de Andamaanse Zee te bereiken zijn. In Burma worden de Japanse troepen aangevallen door troepen die achter hun linies zijn neergelaten (Chindits). Onder deze omstandigheden willen de Japanners een offensief beginnen op de grens van Burma en India.

In deze periode rijdt een Japanse bordeeltrein langs kamp km 226 en moet daar stoppen. De treinbewoonsters zien ter plekke de Engelsen in hun haveloze toestand en geven hen geld en sigaretten. In de kampen worden pogingen aangewend om het ondergane leed te doen vergeten. Extra voeding wordt verstrekt te Tarnakan, te Chungkai en andere hoofdkampen. Duizenden krijgsgevangenen worden uit de werkkampen gehaald en naar de hoofdkampen vervoerd. In deze rustkampen kan men weer wat op verhaal komen, dit met het oog op nieuwe werkzaamheden. Krijgsgevangenen moeten werken, wie niet werkt zal niet eten, en het werk moet ten nutte van Japan komen. Dat is het adagium van Tojo, de toenmalige premier, en daar houdt het leger zich aan. Maar de spoorweg is klaar en de mensen zijn uitgeput. Er zijn een aantal ceremoniële plechtigheden gehouden en een paar telegrammen van deelneming zijn gezonden. De mensen mogen even uitrusten van de vermoeienis, wat meer eten en zich reinigen, om zich klaar te maken voor het volgende bedrijf.  Voor hen die aan de spoorlijn hebben gewerkt, breekt een betere periode aan. Op 4 januari 1944 zijn te Nakhon Pathon tienduizend krijgsgevangenen samengebracht en het is geen werkkamp meer. Ook Non Pladuk is een kamp waar weinig van de mensen wordt verlangd. Zij moeten zich maar zien te vermaken en bezig zien te houden in een afgesloten ruimte. Het vrijetijdsprobleem keert terug. Op 9 januari 1944 wordt te Non Pladuk een voetbalwedstrijd gespeeld tussen Britten en Nederlanders enerzijds tegen Japanners en Koreanen anderzijds. Het was voor de toeschouwers een sportief evenement.

In Chungkai bevinden zich 5000 mannen in een kamp. Daar is een kantine waar van alles te koop is; men maakt weer muziek en weldra kunnen concerten worden beluisterd en worden shows opgevoerd. De mensen krijgen weer belangstelling voor zonsondergangen, bloemen en vlinders. Slechte kampen van vroeger zijn nu zo goed geworden dat vele bewoners het betreuren als zij het vreselijke kamp in Rintin (km 181) moeten verlaten. Opmerkelijk hoe snel het lichaam zich schijnbaar herstelt onder betere omstandigheden. Het lijkt of de slechte tijd een boze droom is geweest of het herstel duurzaam is. Zeker is dat het slechts een masker van gezondheid is. Voor de meeste organen heeft de meegemaakte periode te lang geduurd. Later zal blijken hoe ernstig het lichaam is aangetast. De diepere lagen van het bewustzijn zullen na lange tijd blijken niet bevrijd te zijn van alles wat men heeft moeten doorstaan. Veel van het gebeurde blijft sluimeren om later, op het meest onverwachte moment, vaak in de slaap, weer tot het bewustzijn door te dringen als een moeilijk te verwerken droom. Het kan niet geheel worden uitgewist zoals met een lei waarop met een griffel is geschreven of als een schoolbord waarop men alles weer kan wegvegen. Het kan niet op een stuk papier worden geschreven en dan maar verscheuren. Het is een deel van het niet-bewuste geworden dat zijn eigen  leven gaat leiden. In 1944 is men daar nog niet goed mee bekend.

Aan de rustkampen is een groot bezwaar verbonden. Enerzijds vanwege een gevolg van de Japanse regelingen en anderzijds door het falen van groepen krijgsgevangenen. Laatstgenoemden vormen maar al te vaak geen eigen gemeenschap maar kennen klassenverschil. Er bestaat een groot verschil tussen officieren en de anderen; tussen bezitters en niet-bezitters. De officieren worden door de Japanners, hoewel sterk gekort, toch naar hun rang betaald. Zij ontvangen maandelijks zoveel geld dat zij in de kantine bijvoeding kunnen kopen. De niet-officieren, die na voltooiing van het werk geen diensten verrichten, krijgen geen betaling. En nu mag er van alles te koop zijn maar de niet-bezitters van zijn van het kopen uitgesloten. En zij die af en toe op corvee gaan worden zo karig betaald, dat zij door de steeds stijgende prijzen toch niet veel kunnen beginnen met het geld. Dit heeft zeer ongewenste gevolgen. De niet-officieren hebben nu twee “vijanden”: de Japanners en hun eigen officieren. Van de officieren wordt een klein deel van hun maandelijkse bedrag ingehouden voor de kampvoeding en de zieken. Het resultaat hiervan is slechts een druppel op een gloeiende plaat. Veel dagboeken van niet-officieren schrijven erover hoe, juist na voltooiing van de spoorbaan er ernstige wanverhoudingen zijn ontstaan. Het is bovendien opmerkelijk hoe vooral bij het KNIL de dagboeken er melding van maken, veel meer dan bij de Engelsen en Australiërs.

De grote afvoer.

De grote afvoer naar Singapore met bestemming Japan begint voor deze mensen in maart 1944. Voor het vertrek worden de krijgsgevangenen gekeurd op geschiktheid voor afvoer naar Japan. Deze keuring geschiedt in de eerste plaats naar huiskleur. De “echte” Europeanen die enigszins fit worden geacht, moeten naar Japan. Zij die behoren tot de groep Indische Nederlanders worden vanwege hun huiskleur ongeschikt geacht om naar het land van de rijzende zon te gaan. Het gevolg van deze maatregel is dat de achterblijvende mensen voor het merendeel uit Nederlandse KNIL-militairen bestaat. Er vertrekt een groep op 8 juni 1944 per trein uit Chungkai naar Singapore, bestaande uit ongeveer 1050 Engelsen en 203 Nederlanders, onder wie Teeuwes de Boer.

Een voorbeeld van het vervoer per trein
(Van Witsen)

“Op het station staat een goederentrein klaar, daar worden wij ingelaten; 27 man met bagage per wagen. Wij vertrekken om 7 uur. De wagenwanden zijn van zink; spreken tijdens het rijden is door het oorverdovende lawaai vrijwel niet mogelijk. Wij kunnen alleen zitten. Liggen of de benen uitstrekken is ten ene male uitgesloten. Een deur is open. Het weer is donker en somber. Een grauwe regenlucht hangt over het kale landschap en een geheel niet tropische druilregen valt gestadig neer. Op de stationnetjes houdt de trein vaak lang stil. Wij kunnen dan weer even praten. Eruit mogen wij slechts indien dit om bepaalde redenen dringend noodzakelijk is. Het weer klaart inmiddels op en een onbarmhartige tropenzon schijnt op alle wagons. Hierin wordt het gloeiendheet. Het is onmogelijk om met de ruggen lang tegen de wanden te rusten. Wij transpireren ons een ongeluk.

Ik schrijf in min dagboek: “We zijn erg warm en dodelijk vermoeid. Wij hopen dat er vannacht gelegenheid zal zijn om ergens op een perron te slapen. Wij verlangen naar rust en dat het helse lawaai zal ophouden zodat wij kunnen slapen. Het zou vreselijk zijn als wij vannacht wéér door zouden rijden! Om vijf uur vertrekken wij zodat de verlangde rust ons niet wordt gegund. We reizen de gehele nacht door”.

Alle voor Japan bestemde krijgsgevangenen worden verzameld in Singapore’s River Valley Road. Na 14 dagen rust in Singapore wordt de groep op 27 juni 1944 ingescheept in de HOFUKU MARU, een oud vrachtschip van ongeveer 5000 ton en geladen met bauxieterts. Voor dat zij weer van River Valley Road vertrekken, krijgen ze als geschenk van de barmhartige keizer wat nieuwe kleren uitgereikt. Het zijn een paar linnen schoenen (“sandboots”), een katoenen blouse en een opzichtige katoenen korte broek. De krijgsgevangenen denken dat dit waarschijnlijk was omdat de autoriteiten te bevreesd waren om het volk in Japan te confronteren met een optocht door de straten van mannen die slechts gekleed waren in een schaamlap. Niettemin was het schoeisel welkom op het hete dek van het schip. De kleding was afkomstig uit nog aanwezige Engelse voorraden.

De omstandigheden waaronder de krijgsgevangenen over zee werden vervoerd.
(Van Witsen)

In het gunstige geval worden de krijgsgevangenen op dezelfde wijze vervoerd als de Japanse soldaten. Zij gaan in de ruimen van vracht- en passagiersschepen en komen op de onderdekken en de luiken in het bovenste ruim van het schip te liggen. De luiken boven hen zijn bij goed weer gedeeltelijk open. Zolang het schip vaart is de luchtverversing voldoende. Ligt het schip echter stil dan wordt het in het ruim, vooral in de tropen, snel benauwd. Daarbij schijnt de zon op het ijzeren dek en dan is het spoedig in het ruim onaangenaam heet. Om zoveel mogelijk troepen te kunnen vervoeren zijn in de ruimen houten stellingen aangebracht langs de wanden waardoor het aantal ligplaatsen met bijna 60% is vermeerderd.

Wel is de hoogte die de mensen ter beschikking hebben in het gunstigste geval 90 à 100 centimeter. Dit is hoog genoeg om te liggen en te zitten. De mensen die op de luiken liggen hebben meer ruimte boven zich. Er zijn ook schepen met minder goede ligplaatsen. Erger wordt het als niet alleen de bovenste ruimen worden benut maar ook de daaronder liggende. Daar blijft het bedompt vooral als de bovenluiken niet voldoende open zijn, wat bij minder gunstig weer niet anders mogelijk is. Soms worden grote windvangers gebruikt om althans gedurende de vaart de lucht te verversen. Vele transporten zijn echter zonder speciale maatregelen uitgevoerd. Het gevolg hiervan is dat de lucht in de ruimen van een zodanige samenstelling wordt dat alleen mensen in leven kunnen blijven. De meeste dieren sterven onder deze omstandigheden. Maar ook onder de mensen komt verstikking voor ten gevolge van gebrek aan luchtverversing.

De ligruimte per man bedraagt in het gunstigste geval 60 x 180 cm, dus ruim 1m2, maar het is ook vaak minder. De mensen kunnen zich dan niet meer uitstrekken. Staan ze even op, dan is aan weerskanten een paar centimeter door hun buren ingenomen. Ook worden vaak veel meer mensen in de ruimen geladen zodat ieder driekwart vierkante meter – of zelfs minder – ter beschikking heeft. Het is dan niet meer mogelijk languit te liggen; de mensen zitten met opgetrokken knieën en rug aan rug. Anderen moeten in het middendeel van het ruim, op de lijken, afwisselend staan. Hierbij moet de een tegen de ander leunen en daarbij meer elkaar hinderen en tegen elkaar hangen. Waar transporten voor een lange reis op zodanige wijze vertrekken, zijn de voorwaarden voor de slechtste omstandigheden tijdens de reis van het begin af aanwezig. Is er in het ruim niet voldoende plaats, dan is er de bunkerruimte en krijgsgevangenen op bunkerkolen zijn geen zeldzaamheid. De vloeren in de ruimen (benedendekken) zijn van ijzer; in de tropen worden zij nat van het zweet, het hele ruim is verzadigd van waterdamp en zodra het buiten kouder begint te worden, het ijzer begint af te koelen, condenseert deze waterdamp aan de zoldering en de binnenkant van het schip; het condenswater drupt omlaag, loopt langs de wanden, komt op de ligplaatsen en op de mensen, om vervolgens afgevoerd te worden naar de bilges (buik), om daarna afgepompt (gelenst) te worden.

Mag benauwdheid, vochtigheid en gebrek aan ruimte reeds onaangenaam zijn, dan komt daar nog het gebrek aan toiletten bij. Wie daarvan gebruik moet maken gaat de trap op, maar bij de overgang van de trap naar het dek regelt een Japanse wacht het verkeer. Een beperkt aantal mensen mag tegelijkertijd naar de toiletten en daardoor moet zich op de trap een queue vormen. Groeit deze sneller aan dan er mensen worden doorgelaten, dan wordt de queue langer. De wachtenden staan op de trap en tussen de mensen op de luiken. Deze laatsten ondervinden daarvan veel hinder en leven daardoor in een voortdurende onrust. Vaak verstrekt men tijdens het transport weinig drinkwater  zodat de mensen in de ruimen dorst lijden. Er is ook water nodig voor een wasbeurt; als de reis lang duurt beginnen de mensen te vervuilen. Ze krijgen vooral in de tropen last van huidirritatie, puisten en zweren. Wel worden zij op een goed transport af en toe op het dek met de brandslang afgespoten, meestal voor de aankomst in een haven.

Alles is dragelijk mits zich geen bijzonderheden voordoen. Wordt het weer slechter dan gaan de luiken eerst op een kier als het mogelijk is en de transportleiding welwillend is. Maar bij hoge zee moeten de luiken wel dicht en nu is de ventilatie onvoldoende. Slechte ventilatie op een schommelend en stampend schip bevordert zeeziekte. De zieken kunnen niet snel genoeg naar boven want weldra is meer dan de helft van de ongeveer 300 man in het ruim zeeziek. De transporten gaan nu eenmaal door gebieden waarin veel tyfoons voorkomen. Bij zo’n tyfoon zijn veel zieken niet meer in staat om naar boven te gaan. Het is weldra ook gevaarlijk omdat de ruimte in het ruim onvoldoende is. De maaginhoud stroomt over de ligplaatsen en over de buurman. Een snelle vervuiling treedt in. De lucht in het ruim wordt ondragelijk door walgelijk zuur. De vloer is niet meer te begaan, de trap is gevaarlijk en het dek is niet meer te betreden. Af en toe als juist de deur naar het dek even opengaat, komt er een zeetje over en spoelt de trap weer schoon. Als eindelijk het slechte weer voorbij is, worden de mensen aan dek gecommandeerd en daar met een brandslag schoongespoeld. Het ruim krijgt dan een beurt en daarna is dat leed weer geleden.

In de ruimen bij dichte luiken, bij spaarzame verlichting (hoogstens zijn er een paar zwak brandende lampen van een noodaggregaat) heerst vaak een volslagen duisternis en is de toestand hoogst onaangenaam. Dikwijls zijn een paar of vele mensen echt ziek geworden, een paar zijn overleden en overboord gezet. Er zijn slechts enkele transporten zonder doden geweest. Breekt in zo’n volgepropt ruim dysenterie uit, dan wordt de toestand onhoudbaar. Dan is het uitgesloten dat de zieken naar boven gaan, de trap en de mensen in de buurt daarvan vervuilen en de besmetting is niet meer te stuiten. Soms geven de Japanners tonnetjes waar de zieken gebruik van kunnen maken. Ook etenspannetjes moeten dienstdoen. Het gevolg is dat tijdens de reis en daarna veel slachtoffers vallen. In 1943 gaat men voor vervoer van krijgsgevangenen kleine schepen gebruiken. Men laadt daarin tussen de 500 en 1500 man maar ook wel eens meer dan 3000 man op de lading en op het dek. Vooral op zulke kleine schepen, niet berekend op vervoer van levende have met veel te weinig latrines, te weinig was- en drinkwater, vallen de mensen vaak ten prooi aan de afschuwelijkste vervuiling.

Bij de zeetransporten hebben wij steeds te maken met een accumulatie van ongemakken. En daarbij komen de oorlogshandelingen: torpederingen en luchtaanvallen van geallieerden op de schepen die krijgsgevangenen vervoeren. De Japanners hebben deze schepen niet van een speciaal kenmerk voorzien. Tijdens de vaart zitten de mensen machteloos in de ruimen. Er zijn onvoldoende uitgangen en niet voldoende reddingsmiddelen aan boord. Na het torpederen van een schip worden de uitgangen van de ruimen streng bewaakt; zij die willen ontsnappen worden doodgeschoten.

 Door de oorlogshandelingen van de geallieerden wordt de reisduur vanuit het zuiden naar Japan steeds langer. In 1942 duurt een reis van Singapore naar Japan ongeveer 10 dagen. In 1943 worden konvooien gevormd en duurt de reis van een konvooi 20 tot 30 dagen. In 1944 moeten de schepen als het ware langs de kust sluipen. Zij moeten in havens wachten tot het sein “all clear” wordt gegeven. Soms keren de schepen weer terug om maken een omweg; een reis duurt nu 70 dagen. Onnodig zich voor te stellen wat dit voor de miserabele gevangenen in de ruimen betekent.

De transporten van 1942 en 1943 zijn nog redelijk geweest in vergelijking met dien van 1944 als het Japanse transportsysteem niet meer functioneert. Japan is niet meer in staat zijn schepen uit het zuiden te beschermen. Hun schepen zijn nog meer verouderd en zonder voldoende onderhoud. Zonde dat de schepen worden aangevallen, bezwijken zij onderweg. En toch moeten de krijgsgevangenen er mee naar het noorden worden vervoerd. Het gevolg hiervan is het ten ondergaan van de schepen met een belangrijk deel van de mensen die zich aan boord bevinden. Een van deze schepen is de HOFUKU MARU, waarvan de laatste reis hierna is beschreven.

VERSLAG VAN DE REIS VAN DE HOFUKU MARU

 Een groep behorend tot de Japan Party II en bestaande uit 1289 POW’s (krijgsgevangenen), 1076 Britse en 213 Nederlandse krijgsgevangenen, ging op 8 juni 1944 in de haven van Singapore aan boord van de HOFUKU MARU.

In het boek “Krijgsgevangenen in de Pacific-oorlog 1941 - 1945” door E. van Witsen, staat een beknopt verslag van de reis ( blz. 170 e.v.,)

“Alvorens wij naar de haven gingen, moesten wij eerst aantreden om een toespraak van een Japanse officier aan te horen. Als hij spreekt is hij stil. Zijn wonderlijk Engels, met stotende klanken, schijnt diep uit zijn keel te komen. “Now you go to the land of the holy rising sun. You will see the famous cherry blossom and the very nice people of Japan. The Japanese people is very thankful to you for the nice work you did in Thailand”.

Van dankbaarheid is de afgelopen drie weken sinds onze aankomst hier niet gebleken. Drie weken hongerlijden: tweemaal per dag een handjevol rijst, soms een beetje cassave en om de andere dag een stukje haai. Zelfs een enkele keer er een beetje olie bij. Het Japanse volk heeft een wonderlijk idee van dankbaarheid. Ons was nu de grote eer te beurt gevallen om naar Japan te gaan en hij hoopte dat wij daar gezond mochten aankomen. Dit hoopten wij zelf ook maar we twijfelden er zelf aan want wij wilden niet geloven in een reis naar Japan. Dat zou immers voor ons betekenen om getorpedeerd of gebombardeerd te worden.

Daarna gingen wij een voor een achter elkaar de valreep op met gemengde gevoelens. Wij beseften het gevaar van een zeereis, ook al ging die niet naar Japan. Op het einde van de valreep stonden drie Jappen die ons met ontsmettingsvloeistof besproeiden. Wij werden van top tot teen bespoten en geteld. Daarna werden wij in die groepen verdeeld en naar de ruimen gebracht. Deze stonken nog naar bedorven kokos. In de ruimen, die niet hoog waren, waren stellages gemaakt zodat wij in twee lagen boven elkaar kwamen te liggen. Er hing een verstikkende atmosfeer  en het was ondragelijk heet. Wij ontdeden ons van overtollige kleding, dat wil zeggen van broek en shirt, zodat wij spoedig weer in onze bekende schaamlap (tajwat) van het Nipponleger rondliepen.

Onze bagage hadden wij midden van het ruim opgestapeld omdat er anders geen plats voor was. Onze ruimte was zeer beperkt; per man hadden wij nog geen vierkante meter. Wij lagen als haringen in een ton. Om elf uur zou de boot vertrekken. Wij hoopten dat er dan wat frisse lucht naar binnen zou stromen want er hing een walgelijke lucht en ventilatie was er niet anders dan het open luik. Wij hoopten maar dat het luik gedurende de reis open zou blijven want anders zouden wij in het ruim stikken.

Het werd 11 uur en 12 uur maar het schip bleef liggen; de machines waren onklaar. Het andere schip was vertrokken… Toen de duisternis inviel was er nog geen beweging in de schuit gekomen… Van slapen kwam niet veel terecht aangezien de stank en de hitte dat beletten… Het leek wel of het (schip) jaren niet gebruikt was, zo beroerd was het. Op vele plaatsen was het plaatijzer  doorgeroest. Reddingsboten waren er niet. Wel lager er een stapel vlotten op het dek. Zwemvesten waren ook aanwezig maar lang niet genoeg voor iedereen… De machines weigerden nog steeds en bleven dit doen gedurende drie weken… Overdag mochten wij met groepjes van 20 man een half uur aan dek vertoeven om te luchten. Nachts mocht men niet aan dek komen, ook niet om behoeften te doen. Hiervoor was een ton maar die verpeste nog meer de atmosfeer. Eindelijk na drie weken voeren wij de haven uit… In die drie weken hebben wij veel geleden…"

De HOFUKU MARU ging deel uit maken van het konvooi SHIMI-05. Het was een groot konvooi bestaande uit 10 schepen die geëscorteerd werden door de torpedojager Sagi en de mijnenvegers 17 en 18. De Mexico Maru, Olympia Maru, Shirahato Maru, Kurogane Maru en de Kyoei Maru no.6, voeren in vijf met in totaal 4662 krijgsgevangen geladen schepen:

609 POW’s aan boord van het 8151 ton metende vrachtschip Hakushi Maru;
708 POW’s aan boord van het 7.399 ton metende bewapende vrachtschip Asaku Maru.
1024 POW’s op de Seihiko Maru.
1056 POW’s op het 5262 ton metende vrachtschip Rashin Maru, samengesteld uit 700 Australiërs, 300 Nederlanders en 165 Britten.
1265 POW’s op het bauxiet schip van 5825 ton HOFUKU MARU.

Het Australische contingent op de Rashin Maru stond onder leiding van majoor Riginald Newton. Bij het aan noord gaan moesten de mannen en plak rubber van circa 45 x 45 centimeter en 17,5 centimeter dik meepakken. Toen de majoor Newton aan de Japanse luitenant vroeg waar deze voor dienden, antwoordde Tanaka: “Dat zijn jullie reddingsboeien! Jullie moeten ze mee aan boord nemen en er goed op passen”. Een gevangene in de buurt van Newton gooide een polak rubber overboord en constateert dat de “reddingsboei” onmiddellijk zonk. Een opvarende van de HOFUKU MARU, de korporaal der mariniers Kooi, maakt melding van een pak rubber van ongeveer 20 kilogram dat in Japan weer moest worden ingeleverd.

De korporaal Kooi verhaalt in het boek “Marinier onder de vlag” van Rik Valkenburg over de inscheping op de HOFUKU MARU:

“Aan boord zijn twee ruimen opengelaten waar wij gedurende de reis zullen moeten bivakkeren. Elk ruim kan hoogstens plaats bieden aan tweehonderd man. Maar alle dertienhonderd worden erin samengeperst. Het grootste gedeelte van de Engelsen komt in een ruim voor de brug. Wij komen in een kleinere ruim op het achterschip. Zonder dat ook maar enig voedsel werd verstrekt, moesten wij gaan slapen. Dat slapen wordt een hachelijke onderneming.  Niet alleen vanwege de honger maar vanwege de bekrompen ruimte. Met ons pak rubber moeten wij een plaats zien op te scharrelen in het stikdonker. Voor elk was niet meer dan een breedte van zestig centimeter en een lengte van een meter dertig. Dat betekent slapen met opgetrokken knieën. Haringen in een ton kunnen nog liggen mar dat kunnen wij niet eens. Bovendien is er nergens een sprankje licht te bekennen. Niets!  Wie zijn benen uitstrekt, schopt een ander tegen het hoofd. Omdat het dikwijls onbewust gebeurt, wordt er heel wat gescholden. Daar komt nog bij dat er maar één trap naar boven is en maar één w.c. (banjo) aan het dek, of eigenlijk naast het dek. De banjo is een plank met een gat erin en met haken buiten boord bevestigd. Wie van de banjo gebruik wil maken moet eerste met zijn achterwerk op het dek gaan zitten en dat zover mogelijk naar achteren schuiven totdat hij boven het gat is. Er staat een schildwacht bij de trap. Hij regelt de heen en teruggaande stroom.

Het is tien uur ’s avonds als iedereen benedendeks is en zo mogelijk kan gaan slapen. De vermoeidheid doet ons wel doezelen maar echt slapen is onmogelijk. En zo wroet en wringt hier in een volslagen duisternis een hongerige en dorstige kluwen mensen. Zij proberen doodvermoeid, half zittend, half liggend, half hangend, de morgen te halen.

Op 27 juni 1944, rond middernacht, komt er beweging in het schip. Wij varen naar de rede van Singapore. Twee eindeloos lange dagen zullen wij er blijven liggen. Blijkbaar is het wachten totdat er weer een konvooi is gevormd. Twee dagen waarbij de toestand,  waarin wij verkeren,  steeds kritieker wordt. Op verzoek van de Engelse commandant mogen de luiken open. Overdag wordt het nu bloedheet maar dat vermindert de stank. Spoedig is het niet meer te harden. De ellendige voeding die wij krijgen doet allerlei ziektes snel toenemen. De meesten zijn te zwak om de trap op te gaan voor de bovenste banjo. Tot overmaat breek over de ziekte beriberi uit. Het schip voer onder de kust van Malakka en ons werd veroorloofd met veertig man aan boord te komen. De hitte in de ruimen was ondragelijk. Het eten was net zo slecht aan boord als de kampen in Thailand… Het drinkwater was brak en zout… Per man was er 1,5 liter…meer buikpatiënten, gedeprimeerde stemming…Velen hadden opgezwollen voeten…Velen waren zo verzwakt dat ze niet meer aan dek konden komen.

De beriberipatiënten hebben het namelijk dubbel moeilijk. Elk moment moeten ze naar de “plank”. De plank zelf betekent al een gymnastische heksentoer om erop te komen. Maar vooraf is de moeite niet minder. Iemand komt overeind, hij moet heel nodig! Maar hoe moet hij door de kluwen menselijke lichamen heenkomen? Een hand voor de ogen is even onzichtbaar als een hand op de rug. Er is geen beginnen aan maar het moet! De nood wordt steeds hoger. Nog even en dan is “het” niet meer binnen te houden.

Hij waagt een poging en stapt gelijk op een gebogen arm dat krakend neerbuigt en een pijnlijke kreet veroorzaakt bij de eigenaar. “Kijk uit je doppen, sufferd. Je kunt toch voelen waar je loopt? Ik sliep net en nu moet ik maar weer in slaap zien te komen”. Uiteraard is de woordkeus heel wat pikanter! Het slachtoffer heeft het trouwens helemaal mis want een beriberi patiënt heeft nauwelijks of geen gevoel in zijn voeten en kan dus niet – met zijn voeten tastend – de weg vinden. Hij stommelt overigens weer verder. Het moet! Na drie stappen staat hij op de neus van een andere sluimeraar. Het kabaal en de scheldkanonnade die dan losbreken, zijn niet voor precieze beschrijving vatbaar. Ook anderen worden akker. Hoewel Henk een dreun tegen zijn been krijgt, houdt hij zich in. Hij beseft hoe beroerd de beriberi patiënt eraan toe is. Zijn commentaar: “De beri’s kunnen het waarschijnlijk niet helpen dat zij nu eens op een arm, dan weer op een been en soms boven op een hoofd stappen. Maar degenen die dit ondergaan kunnen het ook niet helpen dat zij woedend en grommend hun ongenoegen te kennen geven. Niemand heeft een cursus gevolgd hoe je jezelf in zo’n situatie behoort te gedragen”…

Enfin, de strompelende patiënt komt uiteindelijk bij de “banjo” aan. Hij moet in zijn dubbele nood verkerende lichaam nu maar op de juiste wijze ‘op de plank met het gat’ zien te manoeuvreren om kwijt te raken wat hem zo dwars zit. Als de beriberi patiënt uiteindelijk “bevrijd” terughinkt naar zijn slaapplekje, botst hij ook nog eens tegen een collega-patiënt. Deze gaat richting de banjo. Ze vallen nu ook nog eens beide samen over de lichaamskluwen onder hen. Verder steekt de een de ander aan en zo blijft het gestommel in zulke nachten doorgaan.

Na tien dagen varen komt het konvooi op 3 juli aan in Miri (Borneo). Het vaart daarna verder in de richting van de Filipijnen maar de HOFUKU MARU en de Shirahato Maru blijven achter.

“Machine weer onklaar, drie weken op de rede van Miri…dysenterie, weer een dode…Sterfhoek…soms tien per dag. Onze hoop op een gelukkige bevrijding vervloog naarmate de dagen verstreken…Het was dieptreurig deze rampzalige kameraden te zien sterven…” Tien dagen blijven wij hier in Miri liggen. Tien drieste en bittere dagen in een ongelofelijke hel. De ziekten groeiden uit tot een epidemie. Besmetting was niet te vermijden. Zo was er na de banjo geen gelegenheid om de handen te wassen. Trouwens was er helemaal gelegenheid om je te wassen. Ziek, bebaard en stinkend vuil zitten wij maar te zitten op ons plekje in het ruim. Het is allemaal onvoorstelbaar. Een beetje heen en weer lopen om je daarmee tijdens deze lange dagen wat te verzetten, was er niet bij. Onmogelijk! Altijd maar zitten, of hangen, anderhalve week aan een stuk. Toch gaan we ’s avonds als het donker wordt meestal nog een poosje zingen met elkaar. Gewoon om de moed, die naar het nulpunt begint te zakken, er nog een beetje in te houden. Na tien dagen schijnen de defecte machines te zijn hersteld. Na deze grote ellendige tien dagen op de snikhete rede van Miri te hebben gelegen, voeren wij op 13 juli verder. Dagelijks werd het erger…ons aantal doden naderde de 100 al en wij waren nog niet in Manilla waar we heen voeren. Op 19 juli arriveerden wij op de rede van Manilla.

Met de honger in de hals zijn wij de eerste dag op de HOFUKU MARU geëindigd. Niets te eten. Wij kregen hoogstens een slokje drinkwater uit een van de tanks die op het dek staan. De ene keer lukt het. De andere keer snauwt de schildwacht ons af en gaat het niet door. Maar in de vroege morgen van de volgende dag ruiken wij de geur van gekookte gort. Etenhalers worden aan dek gesommeerd. Er staan houten emmers met gortpap en. Zoveel emmers per luik. Te weinig uiteraard maar het moet dan maar naar eerlijkheid en billijkheid worden verdeeld. Dat is een probleem op zichzelf. Wij moeten het toch maar rooien. Gort zal onze enige voeding blijken op deze reis. Tweemaal per dag gort. ’s Morgens gortpap met een beetje suiker. ’s Avonds droge gort met een eetlepel gestampte oblie (zoete aardappelen) bij wijze van groente. De obie werd soms afgewisseld met gedroogd zeewier of een lepel zout.

Als onze dokters doorhebben waaruit ons menu zal bestaan, komen zij in actie. Er zijn drie doctoren in ons transport. Een Nederlandse arts en twee Engelse waarvan er een chirurg is. De doctoren vragen onze aandacht en medewerking. Als wij het menu nemen zoals de Jap het ons aanbiedt, zullen wij allen sterven omdat wij geen vlees en verse groenten krijgen. Suiker kan een groot gevaar betekenen in onze ondervoede lichamen. Verstandiger is om zelf gist te maken en ons zelf van vitaminen te voorzien. Op voorstel van de doctoren stemt iedereen er mee in om ’s morgens wat suiker af te staan en ’s avonds van het tinnetje droge gort een eetlepel te offeren. Het is trouwens een zaak van leven en dood. In een paar tonnetjes wordt het brouwsel bereid. Wij noemen het “tapee”. Het duurt een paar dagen voordat het gereed is maar daarna krijgen wij als het ware onze inzet met winst terug. Hoe gevaarlijk suiker is, ontdekken wij op de reis op een verschrikkelijke manier. Bij de Filipijnen moet het schip geladen en gelost worden en de krijgsgevangenen moeten daarbij helpen. Enkele Engelsen ontdekken een zak suiker in een van de ruimen waarin goederen worden overgeladen. Zij zien kans om twee hoeden vol over te brengen naar hun eigen ruim. Om ongeveer halfzes ’s avonds beginnen zes mensen, waaronder een Engelse dokter, van de suiker te eten. Een half uur later wordt de dokter zwaar ziek bij ons binnengedragen. Hij sterft spoedig evenals de andere vijf. Het ondervoede lichaam heeft zoveel koolhydraten niet meer kunnen verdragen. De doodsoorzaak is: Inwendige verbranding. De zes mensen die van de suiker hebben gegeten en daaraan gestorven zijn, zijn niet de enigen op deze reis die het tijdelijke met het eeuwige verwisselen.

Als wij tijdens de vaart om beurten een half uur aan dek mogen, nemen wij onze omgeving goed op. Misschien kan deze observatie nog ergens voor dienen. Na enige dagen is de lust tot zingen tot het nulpunt gedaald en taant de belangstelling voor de dingen om ons heen. De slechte hygiënische toestand resulteert in baardschurft, huidziekte, eczeem en rode luis. Gebruik aan vitamines heeft beriberi tot gevolg. De benen worden dik en gevoelloos. Zij kunnen het lichaam niet meer dragen. Dysenterie sloopt wat er nog aan lichaam over is. Soms is er iemand die hardop bidt om uitkomst. Soms is er ook een die hardop staat te vloeken. Sommigen worden hysterisch en beginnen te schreeuwen. In ons ruim raakt er iemand buiten zinnen en moet bewaakt worden. En het wordt nog steeds erger.

Als drinkwater is er alleen nog maar slecht machinekoelwater dat brak smaakt en de dorst nog erger maakt. Door een kapotte installatie wordt dit vieze condenswater zo zout dat dat haast niet te drinken is. Per hele dag krijgen wij er slechts 1 mok van per persoon. Op het dek is een pomp met goed drinkwater maar daar mogen wij echter niet aankomen. Onze bewakers gebruiken dit water namelijk om zich mee te baden. Velen liggen apathisch te kijken. Zij hebben geen hoop en geen weerstand meer. Toch bereiken wij de Filippijnen zonder dat er mensen sterven. Maar een dag later al overleden de eerste vijf krijgsgevangenen. Zij worden nog aan wal gebracht en daar begraven.

Van nu aan sterven er elke dag mensen aan boord. Het schip wordt nu naar een uithoek van de baai gedirigeerd. Daar blijven wij veertien dagen liggen. De machines hebben het opnieuw af laten weten. De dood heeft vrij spel en de Japanners tonen geen enkel begrip. Zij schijnen te denken van hoe meer hoe beter. Iedere dag worden de lijken aan dek gebracht en in een zak gebonden. Althans zolang er nog zakken zijn en er touw is om te binden. Maar ook daaraan komt gebrek. Toch worden de doden met enig ceremonieel aan de zee toevertrouwd. Enkele officieren en manschappen van beide naties (Engeland en Nederland) zijn aanwezig. Een van hen leest een gebed voor uit “Het boekje van de zeeman”. Het stoffelijk overschot wordt op een brede plak gelegd. De plank wordt aan de achterzijde opgetild en de dode glijdt de golven in. Het graf is groot en de zee is niet te verzadigen. En de getuigen van de plechtigheid kunnen maar één gedachte meer hebben: Wanneer is het mijn beurt. De Jap en de dood; zij zijn beide meedogenloos. Het is een vreselijk toestand daar in de baai van Manilla.

Op 12 september 1944 bereikte het schip de haven van Manilla. Wij wilden van onze ongelukkige boot af. Wij wilden ademhalen zonder stank… Onze ernstige zieken werden aan wal gebracht, in totaal 50… Zij die nog konden lopen, moesten meehelpen het schip te lossen. Wij kregen nu vers drinkwater dat heerlijk smaakte. Ook werd het eten veel verbeterd. Gedurende de reis hadden wij altijd hetzelfde gegeten: rijst met vis en in gekookt water en brak drinkwater. Het was voor ons een verademing langs de kade te mogen lopen en verse lucht te happen zoveel als wij wilden. Wij kregen gedurende de zeven dagen dat het schip hier lag er goed eten en groenten bij waardoor wij al spoedig weer wat opleefden. Velen van ons waren echter zo verzwakt dat zij geen werk meer konden doen. Zij moesten terug in het stinkende ruim."

De HOFUKU MARU had zich in Miri afgezonderd van het konvooi SHIMI-05. Het schip bleef een maand in de Manilla Bay wachten terwijl de ellendige krijgsgevangenen langzaam stierven van honger en ziekten. Er heerste meer ziekte dan op de Rashin Maru of de Asaka Maru. De Japanners wilden het schip niet verder laten varen omdat ze bevreesd waren om besmettelijke tropische ziekten naar het vaderland te brengen. Zonder de juiste voeding en de medische zorg probeerden de krijgsgevangenen hun eigen kwalen te verzorgen. Zo vonden ze dunne holle wielspaken die ze slepen en dan als naalden gebruiken. De stoom, die uit pijpen in de machinekamer lekte, werd gecondenseerd. Het water werd opgevangen en in de scherpe spaken werden gestoken zodat de vloeistof in de armen kwam van de zieke.

De op deze manier verkregen intraveneuze vloeistof, vol van pyrogenen, bezorgde de zieken hevige koortsen maar spaarde sommigen wel het leven. Niettemin werd het aantal doden sinds het vertrek uit Singapore geschat tussen de 94 en 184 slachtoffers.  Eindelijk werden op 24 augustus 1944 een aantal gevangenen van boord gehaald en naar de Bilibid-gevangenis gebracht. Hun plaatsen aan boord werden weer door anderen ingenomen.

De reeds sterk overschatte capaciteit van de medische faciliteiten waren hierop niet berekend. Dr. Paul Ashton zei dat ze “als wezen op de stoep waren gelegd”. Hij ontving nog extra 66 Britse en 5 Nederlandse patiënten op zijn afdeling “Besmettelijke Ziekten” van de gevangenis.

Op internet staat het Dr. Kettner’s Journaal van de Bilibid-gevangenis in Manilla waaruit blijkt dat op 24 augustus 1944: “Een detachement van 1035 man vertrekt om 15.00 uur naar Japan en keert om 17.00 uur terug uit het havengebied 16 Britse POW’s worden om 17.30 uur binnengelaten: 15 om 18.20 uur en 18 om 19.00 uur en dus 49 in totaal. De Britten waren aan boord van een schip in de Manilla Bay in afwachting van hun vertrek naar Japan. Zij waren in een armoedige toestand en lijdend aan dysenterie, beriberi, ondervoeding en pellagra”. Dit zijn waarschijnlijk ook opvarenden van de HOFUKU MARU. De Japanners verwachtten dat de zieken cholera hadden en weigerden ze verder te transporteren. Het waren hectische dagen voor dr. Ashton. Gelukkig kreeg hij wat hulp van buitenaf. Ik veronderstel dat het woord cholera hen afschrok. Ashton behandelde droge gevallen van beriberi, oedeem, schurft, degeneratie van de oogzenuwen, longemfyseem, vergrote harten, verlamming van de stembanden en een heftige vorm van dysenterie. “Het waren de 71 meest miserabele mannen, absoluut verschrikkelijk”.  Ashton zei later: “Tot aan vandaag kan ik geen andere redenen bedenken waarom de Japanners hen niet allemaal over boord hadden gegooid dan dat hun vrees voor cholera zo groot was”. Ondanks de primitieve zorg overleden er maar 9 Britse gevangenen.

In Manilla Bay verzamelde zich het konvooi MATA-27. Met dit konvooi zou de HOFUKU MARU aan zijn laatste reis beginnen. Het was het enige schip van het konvooi met krijgsgevangenen aan boord. Verder bestond het konvooi uit Ogura Maru no. 1, Surakaruta Maru, Yuki Maru, Shichiyo Maru en de Nansel Maru. Het werd geëscorteerd door de Coast Defence Vessels CDV 1,3,5 en 7 en de mijnenveger CM Enoshima.

Het konvooi verlaat Manilla Bay in de late uren en gaat voor de nacht voor anker in de Subic Bay. De volgende morgen wordt koers gezet naar Takao (Formosa). Het ongeluk was dat ze langs de kust van Luzon voeren op het moment dat ze in de buurt kwamen van de Task Force 38 van de Amerikaanse marine. Een Task Force was een onderdeel van de vloot die gewoonlijk onderverdeeld was in 5 Task Groups. Deze verschillende Task Groups konden vrij zelfstandig opereren.

Tot zover het aanwezige verhaal van Hendrik de Boer over de lotgevallen van zijn vader Teeuwes de Boer. In het boek “Een laatste saluut” schrijft Jack Kooistra het volgende over hem:

“Bakhuizen 27 mei 1903 – 21 september 1944 in de baai van Manilla aan boord van Fuji Maru. Woonde in Bandoeng (N.I.). Zoon van Hendrik de Boer en Waltje de Jong. Hij huwde op 16 februari 1933 in Koudum met Anna de Boer. De Boer was oorspronkelijk typograaf, maar trad in 1924 als vrijwilliger in dienst bij de zogenaamde Koloniale Reserve en vertrok naar Nederlands-Indië. Hij werd daar beroepsmilitair in de rang van sergeant-majoor bij het KNIL-Artillerie. Na de capitulatie van het KNIL in begin 1942, werd hij door de Japanners krijgsgevangen gemaakt. De Boer is verdronken tijdens de torpedering van een Japans krijgsgevangenentransport door Amerikaanse onderzeeërs en kreeg een zeemansgraf. Overlijdensakte 11566/1949 van de gemeente Batavia (N.I.)"

 

Tenslotte heeft Hendrik (Henk) de Boer een verhaal gemaakt over zijn moeder en over de terugreis naar Nederland van hem en zijn zuster.

HOE VERGING HET ANNA DE BOER EN HAAR BEIDE KINDEREN? 

Teeuwes de Boer verliet in maart 1942 zijn gezin om in Japans krijgsgevangenschap te gaan. De kazerne van het Artillerie Landstormdepot was een onderdeel van het grote kazernecomplex in Bandoeng, vlakbij de Sabangweg waar hij woonde. Zoals toen gebruikelijk waren de straten rondom de kazerne min of meer toegewezen aan de verschillende militaire rangen. De Sabangweg was bijvoorbeeld voornamelijk bewoond door onderofficieren en hun gezinnen. Zo woonde naast hen op de Sabangweg de adjudant Snoek, ook een onderofficier. Anna de Boer bleef daar met haar kinderen wonen zolang er aan de feitelijke situatie niets veranderde. Het werd direct al een moeilijke tijd omdat de Japanners alle betalingen aan militairen, ambtenaren en burgers hadden stopgezet. Dat betekende dat zij aangewezen was op de liefdadigheid van door burgers bijeengebrachte fondsen. Deze vorm van steun kwam vrijwel meteen op gang. Met twee kinderen, één van 8 jaar en één van ruim een half jaar, was de situatie voor Anna bijzonder moeilijk. Zonder inkomen en zonder een al niet te best functionerende gezondheidszorg en de onzekerheid over haar man Teeuwes.

In deze situatie kwam verandering toen de Jappen besloten Europese vrouwen en kinderen te interneren. Ze richten hiervoor kampen in door een stadswijk af te zonderen en in de huizen vrouwen en kinderen te huisvesten. Meestal enkele gezinnen per woning. Zo werd in de wijk Bandoeng de wijk Tjihapit omheind en als kamp in gebruik genomen. Met drie gezinnen kwam Anna in november 1942 in de Sanintenlaan terecht. In de beginperiode was het nog mogelijk om af en toe het kamp te verlaten voor doktersbezoek of voor het doen van kleine inkopen. Al vrij spoedig werden deze privileges ingetrokken. Men was nu geheel van de buitenwereld afgesloten.

Medio 1944 besloten de Japanse bezetters alle vrouwen, kinderen en bejaarden te concentreren in Midden Java. Eén van de kampen bevond zich in Moentilan, een klooster- en scholencomplex: het Xaverius-college. Vanuit het Tjihapit kamp werden 700 vrouwen en kinderen overgebracht naar dit kamp. De leefomstandigheden in dit kamp waren zeer slecht: weinig voedsel en van slechte kwaliteit. Ziekten zoals beriberi, dysenterie, tropische zweren en dergelijke kwamen veel voor. Veel vrouwen en kinderen overleden. Soms meer dan één per dag. In augustus 1945 werd de bevolking van Moentilan overgebracht naar Banjoe Biroe 10, een voormalige gevangenis. Voordat deze overplaatsing begon, was Anna al ziek in het kamphospitaaltje opgenomen of wat daar voor doorging. Zij was uitgeput en leed aan beriberi. Zieken en mensen die niet meer konden lopen, werden per vrachtwagen naar het station gebracht en na aankomst in Ambarawa ook weer per vrachtwagen naar het kamp getransporteerd. Alle anderen moesten lopen!

Anna’s beide kinderen werden verzorgd door kampgenoten. Zij werden in Banjoe Biroe ondergebracht in een voormalige paardenstal van het KNIL. Anna was zelf opgenomen in een als ziekenhuisje ingerichte villa dat nog binnen de omheining lag. Vrij kort na aankomst overleed zij op 23 augustus 1945, 42 jaar oud.  Toen de begrafenisstoet, die niet verder mee mocht dan tot de poort, terugkwam, bleek dat de Japanners hadden gecapituleerd. De Nederlandse vlag werd gehesen en het Wilhelmus werd gespeeld.

Van een echte bevrijding was echter geen sprake. De proclamatie van Soekarno en Hatta dat Indonesië zich onafhankelijk verklaarde, veroorzaakte een enorme chaos in het land. De zogenoemde Bersiaptijd was aangebroken. In de periode trokken veel Indonesische jongeren door het land. Hierbij gingen zij niets ontziend, moordend en brandstichtend te keer. De beide weeskinderen Henk en Geertje werden liefdevol opgevangen door mevrouw Rams. Zij had zelf ook twee kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd. Omdat de situatie in het afgelegen kamp Banjoe Biroe gevaarlijk werd, werden de bewoners overgebracht naar andere kampen in Ambarawa. Mevrouw Rams en de kinderen kwamen in Kamp 9 terecht, een nummer dat door de Japanners werd gehanteerd. Op 29 november 1945 werd dit kamp overvallen door een tiental van zogenoemde pemoeda’s. Zij dreven de kampbevolking bij elkaar op het middenplein. Toen er naar hun tevredenheid voldoende mensen bij elkaar waren, gooiden zij handgranaten tussen de mensen. Het resulteerde in enkele doden en gewonden. Zij werden op tijd door de Brits Indische troepen verdreven. De dag daarna werd het kamp opnieuw bestookt met mortieren. Eén van de dodelijke slachtoffers was mevrouw Rams. Via de familie Boschma, waarvan de man teruggekeerd was uit het mannenkamp, bereikten Henk en Geertje uiteindelijk een weeshuis in Batavia. Vandaar vertrokken zij in januari 1946 met het motorschip Boissevain naar Nederland.

Op 16 februari 1946 kwamen de kinderen aan in de haven van Amsterdam. Waar ze uiteindelijk naar toe moesten bleek een heel probleem. Immers, in Friesland waren toen wel drie plaatsen met de naam Nijega. Via diverse politieposten moest de eindbestemming gevonden worden. Deze posten moesten uitvinden welke Nijega het moest zijn. In een politiewagen van de Amsterdamse politie bereikten Henk en Geertje nachts om halftwee Nijega. Beppe Janke en tante Geertje hadden de gehele dag op hen gewacht maar waren op een bepaald moment toch maar weer naar bed gegaan. Dat Geertje erbij was, was een hele grote en volledige verrassing. Immers zij was in 1941 in Nederlands-Indië geboren en Teeuwes en Anna hadden door de Japanse bezetting geen berichten naar Nederland kunnen sturen. De gehele familie in Nederland was dus onwetend gebleven van Geertje’s geboorte. Voor zowel Henk als Geertje was het hebben van een nogal uitgebreide familie ook een bijzondere ervaring.

Uiteindelijk hebben beiden hun weg gevonden in de maatschappij. Geertje Anna vond haar man in het Groningse Veendam en Henk vond zijn grote geluk in Blaricum. Beiden zijn dankbaar voor alle liefde en steun die zij vonden bij Beppe Janke en Tante Geertje. Hoewel op hoge leeftijd heeft Beppe altijd klaar gestaan voor het geluk van haar kleinkinderen. Beide kinderen zijn immers jammerlijk slachtoffer geworden van een keizer die zichzelf God voelde en zich als zodanig ook gedroeg. Helaas ontliep hij zijn straf als gevolg van politieke belangen van grote mogendheden.