Wapendroppings in Gaasterland

Voorwoord

In de maanden vanaf januari 1945 tot aan de laatste dagen voor de bevrijding in april 1945, werd in de Zuidwesthoek van Friesland door de Duitsers vooral intensief jacht gemaakt op verborgen wapens die van droppings afkomstig waren. De Landwachters waren vanaf begin juli 1944 al druk bezig in Gaasterland met het opsporen van onderduikers en Joden. In het Gebouw van Christelijke Belangen aan de Meerweg te Balk vestigde zich op 29 juni 1944 een groep beroepslandwachters en op 12 oktober 1944 werden er nog eens 32 Duitsers gehuisvest. Zij hebben de druk opgevoerd in het relatief rustige Gaasterland en de directe omgeving. Doordat een landwachter op 4 augustus 1944 de ondergedoken domineeszoon Joop Schweitzer in Elahuizen op de vlucht neerschoot, was ook de haat van de Gaasterlanders tegen de al zo lang heersende Duitsers toegenomen. Vooral in de regio Gaasterland en Echtenerbrug waren vanaf de tweede helft van 1944 razzia’s en huiszoekingen aan de orde van de dag. Boerderijen werden daarbij in brand gestoken zodra bleek dat er niemand meer thuis was en de bewoners gevlucht waren. Het opsluiten en doden van mensen was aan de orde van de dag. Martelingen in een speciaal gemaakte martelkamer van de Heerenveense gevangenis Crackstate waren onwaarschijnlijk barbaars en satanisch.

De martelingen waren zo gewelddadig dat de gevangengenomen huisarts Thomas Hendrik Verdenius uit Wolvega vóór zijn verhoor zich in zijn cel van het leven beroofde. Hij was niet langer in staat de geluiden van de martelingen aan te horen en daarbij voorvoelde hij dat hij datzelfde lot wellicht zou moeten ondergaan. De laatste oorlogsperiode van 1945 is voor velen een angstige en spannende periode geweest voor zowel de leden van de verzetsgroepen als voor hun partners en kinderen. De achterblijvers van de opgepakten verkeerden in enorme onzekerheid of ze het wel zouden overleven en niet gemarteld zouden worden. Dit allemaal vond in een korte heftige periode in het relatief ongeschonden Gaasterland plaats, waarbij 7 boerderijen ongevraagd werden binnengevallen. Uiteindelijk werden boer Jeen Hornstra uit Wijckel en boer Yde Yntema uit Hemelum op 7 april 1945 in een wraakactie gedood bij Doniaga. De boerderij van Lourens Wildschut in Wijckel werd in brand gestoken. Veehouders Marten Melles van der Goot uit Sondel en Halbe Bearnts van der Goot uit Oudemirdum werden gevangengenomen en in Crackstate te Heerenveen opgesloten. Beiden zijn weer heelhuids thuisgekomen. De boerderij van Simon Bokma en de boerderij van Jelte Tromp in Harich werden op gedropte wapens doorzocht, maar er werd niets gevonden.  Beide personen hebben daarvan geen fysieke of materiële schade ondervonden.

Luitjen Mulder uit de Brekkenpolder werd op 3 januari 1945 aangehouden en op 8 januari 1945 vermoord, omdat hij meehielp in de KP van Echtenerbrug, die onder andere droppings organiseerde. Sijbren Sijtsma uit Hemelum werd uiteindelijk ook slachtoffer van wapenopslag. Hij was daarvoor eind 1944 al eens door de Duitsers aangehouden. Hij vluchtte en kwam in Echten terecht, waar hij werd opgepakt. Uiteindelijk werd hij in de nacht van 13 op 14 april 1945 door de Duitsers uit Heerenveen bij Luinjeberd vermoord.

Slachtoffer Jeen Westra Wijckel

Hoe heeft het zo kunnen zijn dat de Duitsers in Gaasterland in zo’n korte periode zo intensief naar wapens hebben gezocht. Er waren bij mij hiervoor voldoende onderzoeksvragen zoals: Waren hier inderdaad verborgen wapens en hoe zijn die hier gekomen? Wie haalde die wapens of wie bracht ze? Wie maakte de keus om een boer te vragen om de wapens bij hem te mogen verstoppen? Waarom werden deze meewerkende  boeren gevraagd en anderen niet? Waar werden de wapens opgeslagen en voor wie waren ze bestemd? Wat was de rol van Jeen Hornstra uit Wijckel in oorlogstijd? Dit zijn zo  van die vragen die bij een ieder kunnen opkomen als getracht wordt om een je voorstelling van zaken te maken. In dit verhaal heb ik Jeen Hornstra beschreven, vanaf het moment dat hij werd opgepakt tot en met zijn fusillade.

Er is geprobeerd zo dicht mogelijk bij de waarheid te komen door middel van gesprekken met familieleden van betrokkenen en door inzage in diverse archiefstukken. Dit onderzoek is in 2009 verricht. Dat was 65 jaar na dato en dan rijst logischerwijs wel de vraag of alles precies zo is gebeurd.

Inleiding

Bij de illegaliteit en bij alle onderdrukte Nederlanders begint in de tweede helft van 1944 langzamerhand het gevoel te komen dat het eindelijk eens afgelopen moet zijn met de Duitse bezetting en de daarbij opgelegde inperking van de vrijheid. Het heeft allemaal al zo lang geduurd. Iedereen wil naar een nieuwe tijd van vrijheid, voorspoed en geluk. De armoedejaren van 1930 – 1940 zijn voorbij en nu moet deze oorlog ook zo snel mogelijk voorbij. Ja, dan komt het allemaal goed, zo redeneerde men. De vrijheid begint te gloren vanaf 6 juni 1944 (D-Day) als de grote geallieerde invasie vanuit Engeland begint in Frankrijk met de landing van Amerikaanse, Canadese en Engelse legers, waardoor de Duitsers zich meer en meer terug moeten trekken. Er zijn maar liefst van geallieerde zijde 176.475 manschappen, 20.111 voertuigen, 1500 tanks en 12.000 vliegtuigen bij deze invasie ingezet. Hitler krijgt gelukkig ongelijk als hij eens pochend opmerkt: ,,Geen macht op aarde kan ons tegen onze wil uit dit gebied verdrijven”. Ieder voelt nog meer hoop als op 20 juli 1944 bekend wordt gemaakt dat om 12.37 uur door de Duitse luitenant-kolonel graaf Klaus von Staffenberg een aanslag op Hitler is gepleegd. Weliswaar mislukt de aanslag, maar het gevoel wordt sterker dat er aan het beëindigen van de oorlog wordt gewerkt. De zegevierende geallieerde troepen trekken op van Noord-Frankrijk naar België in de richting van bezet Nederland. Brussel wordt op 3 september 1944 bevrijdt en Antwerpen op 4 september 1944.

Dinsdag 5 september 1944 (Dolle Dinsdag) ontstaat er grote chaos onder Duitsers en Landwachters, omdat er een gerucht is dat de geallieerden Breda al zijn genaderd. Er groeit dus nog meer hoop in bezet Nederland. Op 17 september 1944 bereikt die hoop zijn top als Amerikaanse, Britse en Poolse parachutisten landen bij Eindhoven, Nijmegen en Arnhem onder de naam ,,Operatie Market Garden”. Het is dan ook geen wonder dat bij de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten in het Noorden van Nederland de handen jeuken om de geallieerden mee te helpen in de strijd bij het verdrijven van de Duitsers en Landwachters. Hiervoor zijn wapens nodig en die zijn er in Friesland nauwelijks. Inmiddels zijn er in de maanden juli, augustus en september 1944 plannen gemaakt door de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten vanuit Engeland. De illegaliteit in Nederland is tot één organisatie samengevoegd en kan hierdoor slagvaardiger optreden. De KP (Knokploeg) en OD (Ordedienst) zijn samen gegaan in de NBS (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten). Prins Bernhard is door zijn schoonmoeder Koningin Wilhelmina als N.B.S opperbevelhebber benoemd. Als uitvloeisel daarvan wordt op maandag 3 juli 1944 de eerste landelijke coördinatiebijeenkomst gehouden. Per provincie worden afspraken gemaakt op welke wijze de Duitsers het beste kunnen worden bestreden. Het Noorden van Nederland zal worden geholpen met wapendroppings door met de geallieerde bevrijders op te trekken. De bedoeling is niet alleen om de bezetter hiermee te verjagen, maar ook om iedereen een duidelijk blijk van meevoelen en krachtige steun vanuit Engeland te tonen. De droppings zullen nieuwe energie aan het verzet geven en de bevrijding naderbij brengen.

In september 1944 kan men de eerste zending van gedropte wapens in ontvangst nemen. Er is bericht gekomen van de Landelijke K.P. dat men de gedropte wapens in Drenthe kan ophalen. Onder leiding van ,,Kramer” worden door een drietal K.P.-ers en twee politiemannen uit Sneek op maandag 25 september ongeveer 2000 kg. geweren, stens, brens, plastic en munitie aan boord genomen van de Sneeker Politieboot. Deze was uit Sneek  gevaren via de Houkesloot, Sneekermeer, Noorder Oudeweg, Langweerderwielen, Scharsterrien, Tjeukemeer, Pier Christiaansloot, Tjongerkanaal, Opsterlandse Compagnonsvaart, Drentse Hoofdvaart, Beilervaart en Linthorst Homankanaal. Hier moest de reis worden onderbroken, omdat men niet verder kon bij de spoorbrug in de lijn Meppel-Assen. Deze brug kon op dat moment niet open vanwege een spoorwegstaking. Intussen had men de kajuit van de boot al gesloopt om onder een andere brug door te kunnen varen. Tijdens een nachtelijke tocht van 18 kilometer werden de wapens met paard en wagen van Zweeloo – waar ze waren opgeborgen – naar Beilen gereden en in de boot geladen. Nog diezelfde dag bereikt men behouden Sneek waar een gedeelte wordt uitgelaten. De rest wordt verdeeld over Eernewoude en Drachten. Vanuit Eernewoude wordt een gedeelte overgebracht naar Leeuwarden.

Het leggen van contacten

Het maken van deze N.B.S. afspraken en het plannen maken was prima, maar hoe krijg je in de praktijk wapens aan de illegaliteit aangeleverd te midden van de heersende Duitse bezetter met Landwachters als helpers. Een andere grote vraag was op welke wijze de contacten met de illegaliteit konden worden gelegd. Twee zaken die nog niet zo eenvoudig waren op te lossen in deze oorlogstijd met gebrekkige communicatiemiddelen. En soms moet je maar ergens aan beginnen zonder dat je weet hoe de afloop daarvan zal zijn. Ook in dit geval werden de geschetste problemen weer opgelost zonder dat hiervoor een actieplan, plan van aanpak met plan van eisen of een draaiboek aanwezig was.

Het binnenhalen en het opsporen van de gedropte wapens heeft als  hoofdrolspelers:

  1. Een Engels spionagecommando van 5 of 6 personen onder leiding van ‘MacBeaf’, dat in het Drentse Orvelte verblijft en daar de Duitsers ,,over zich heen” laat komen. Deze groep zoekt contact met de drie Noordelijke provincies om hen aan wapens te helpen.
  2. Het N.B.S. driemanschap ‘Trio’ uit Friesland met kapitein Pander als Gewestelijk Operatieleider. De mannen zijn op zoek naar wapens voor de illegaliteit. De Drentse ondergrondse zoekt contact met de Friese ondergrondse. En dat slaagt. Dankzij de landelijke contactbijeenkomsten kunnen de groepen Trio en de Engelse spionagegroep van MacBeaf gekoppeld worden. De afspraak wordt gemaakt dat er eerst instructeurs en daarna wapens naar Friesland komen. In de Friese Zuidwesthoek komen vanuit Engeland bij Haskerhorne vier wapeninstructeurs neer in de nacht van 8 op 9 oktober 1944.
  3. In gevangenis Crackstate te Heerenveen vestigt zich vanuit het Franse Lille op 14 oktober 1944 een 40 man tellend internationaal wreed en satanisch Duits SD-commando. Zij gaan zich vooral met het opsporen van illegale wapens bezighouden en het onvoorstelbare wrede verhoren en martelen van de gevangenen. Zij deinsden ook niet terug voor koelbloedige moordpartijen.
  4. De N.B.S. groepen (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) van Echten en Echtenerbrug stellen zich beschikbaar als organisatie voor het ontvangen en verspreiden van gedropte instructeurs en wapens. De eerste dropping vindt plaats in de nacht van 19 op 20 oktober 1944 bij Haskerhorne.
  5. De op 8 januari 1945 vermoorde Luitjen Mulder uit de Brekkenpolder bij Lemmer is lid van de KP (Knokploeg) in Echten. Hij houdt zich ook bezig met de gedropte wapens. Gaasterlands grootste verzetsman Benjamin H. Steegenga uit Balk kent de totale illegaliteit in Gaasterland. Ook hij wil wapens voor de Gaasterlandse illegaliteit. Hij is familie van Luitjen Mulder en hij kent Mulder heel erg goed, want Steegenga zelf heeft er voor gezorgd dat Mulder zich aansloot bij de illegaliteit. Steegenga vraagt dan ook Mulder om wapens voor Gaasterland veilig te stellen en dat verzoek wordt ingewilligd.
  6. De wapens moeten worden verborgen tot aan de bevrijding. De ideale bewaarplaatsen zijn de grote voorraadschuren van de agrariërs. Zij hebben ruimten waar alles verstopt kan worden zoals op de hooizolder, boven de stierenstal, onder aardappelhopen, mesthopen, de dorsvloer, turfhopen, onder het pakstro of in het erwtenstro. Benjamin H. Steegenga kent heel wat van deze agrariërs vanwege zijn beroepsactiviteiten als reizend kledingverkoper. Dat er voor agrariërs gekozen is, kan ook te maken hebben met Jochum de Ruiter uit Balk die als hoofd van de Christelijke Landbouwschool in Balk de nodige contacten met de agrariërs heeft. Hij staat regelmatig in contact met Benjamin H. Steegenga, omdat zij beiden deel uitmaken van de in 1943 opgerichte georganiseerde Gaasterlandse verzetsgroep.

In Friesland is het driemanschap ,,Trio” aangesteld door de Gewestelijke Staf van de Friese NBS. Het driemanschap bestaat uit kapitein Pander (schuilnaam De With), Pieter Wijbenga (schuilnaam Geale de Vries) voor de Oostelijke KP en Wytse voor de Westelijke KP in Sneek. Kapitein Pander is de ,,Gol” (Gewestelijk Operatieleider).  Dit trio heeft voornamelijk de taak om militaire inlichtingen te verzamelen Zij werken de militaire plannen uit en bestuderen het vraagstuk van de bewapening voor de Friese illegaliteit. Het driemanschap is op de hoogte van de dringende behoefte aan wapens en is koortsachtig op zoek voor de NBS om daarvan de nodige exemplaren in bezit te krijgen. Zij slagen er in een contactadres te krijgen in het Drentse Orvelte, waar een zwaar bewapend en bewaakt Engels commando aanwezig is dat in Drenthe gedropt is. Hun exacte droppingsdatum is niet bekend, maar zij zijn vermoedelijk een paar dagen voor de aanval op Arnhem (17 september 1944) afgesprongen. Ook de Drentse illegaliteit vindt dit zo’n belangrijk commando dat zij 24 uur per dag steeds 12 leden van de Drentse ondergrondse de wacht laat houden rondom deze verblijfplaats.

Het commando bestaat uit zes personen, waarvan bekend is dat er drie Engelse onderofficieren bij zijn en een joodse Nederlander. Alleen van één Engelse onderofficier is de voornaam bekend geworden, nl. sergeant François. Hij hield zich bezig met de verbindingsapparatuur. De leider wordt captain MacBeaf genoemd. In het boek: “De Oorlogsvlag” wordt zijn naam omschreven als captain McBeff. Dit was de schuilnaam voor een Belgische officier die volgens sommigen Debèfne heette. Dit commando had internationale ervaring opgedaan in Afrika, Sicilië, twee keer Italië, een keer in Frankrijk en een keer in België. Nu zaten zij in Drenthe. Zij waren gespecialiseerd om achter het front te worden gedropt en de vijand over zich heen te laten komen. Zij seinden dan naar hun legers gegevens over de toestand in bezet gebied en konden adviezen geven over de te volgen route. De geallieerde legers zaten bij Arnhem en dus was Drenthe nu als voorpost voor de oprukkende legers de ideale plaats geworden voor dit commando. MacBeaf en zijn mannen dachten steeds vooruit en daarom wilden ze nu in contact komen met Friesland.

Zij stuurden een koerier naar Friesland en deze slaagde erin met het Friese verzet in contact te komen. De Gewestelijke NBS Commandant uit Friesland – kapitein Meijer – reisde daarna zelf naar Drenthe en kwam met MacBeaf in contact. Hij gaf MacBeaf de volledige documentatie van de waterstaat, bruggen en wegen. Deze documentatie was met medewerking van Sectie V van de Gewestelijke Staf bijeengebracht en netjes in een generator-antraciet-zakje verstopt. De Engelsman was erg te spreken over al het illegale werk in Friesland. Hij vroeg of hij Friesland kon helpen. ,,Ja, met wapens”, antwoordde de Gewestelijke Commandant. ,,OK” zei MacBeaf en hij bewerkte de R.A.F (Royal Air Force) om in Friesland wapens te laten vallen. In enkele weken tijds konden nu 1200 ondergrondse strijders worden bewapend.

Na dit gesprek werd op 26 oktober 1944 de verblijfplaats van MacBeaf en zijn mannen door de Duitsers overvallen. Waarschijnlijk kon dat gebeuren doordat de Duitsers hun radio-uitzendingen uitgepeild hadden. Alle commandoleden wisten tussen de wachtposten door te glippen en naar Overijssel te ontkomen. In het boek “De Oorlogsvlag” wordt aangegeven dat McBeff begin februari 1945 permissie had gevraagd om naar bevrijd gebied terug te keren. Van daar zijn ze – na een vuurgevecht met de Duitsers – half februari 1945 teruggegaan naar bevrijd gebied.

Het is niet alleen het contact geweest van MacBeaf met de R.A.F., maar ook het persoonlijke contact dat twee leden namens de Friese groep Trio hebben gehad met Prins Bernhard – die op 2 september 1944 tot opperbevelhebber van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten was benoemd – heeft er toe bijgedragen dat Friesland zijn wapens kreeg.

Pieter Wijbenga, 1912 – 1990, (schuilnaam Geale de Vries) en zijn metgezel Luitenant Charles Montagne kregen het voor elkaar om in een persoonlijk gesprek met Prins Bernhard namens de groep Trio voor wapens te pleiten in Friesland. Geale en Charles waren daarvoor op 7 september 1944 – twee dagen na Dolle Dinsdag – vertrokken en ontmoetten in Eindhoven de Prins in bevrijd gebied, nadat zij op 13 oktober door de KP van Tiel over de Maas waren gezet. ,,Wapens voor Friesland komt dik in orde” had de Prins op 17 of 18 oktober 1944 meegedeeld. Hij beloofde ook nog eens twee man met een radiozender te zullen sturen om de droppings voor te bereiden. Hij had in ieder geval Peter Tazelaar daarvoor op het oog.

Deze held had inmiddels de Militaire Willemsorde al verdiend voor gevaarlijke acties aan de Noordzeekust en in Holland. Als tweede man zou een Fries worden gestuurd genaamd Lykle Faber. Van hem was niet meer bekend dan dat hij in Drachten en Huizum had gewoond. Ook zou Friesland twee instructeurs krijgen waarvan er één – Nikolaas Johannes de Koning – al in bezet gebied was. Over de tweede instructeur is weinig bekend geworden. Zelfs zijn ware naam is nooit opgedoken; hij werd Groenewoud of ook wel Greenwood genoemd en was waarschijnlijk een Vlaming. Prins Bernhard heeft woord gehouden en deed zelfs veel meer dan zijn gasten toen verwachtten. Het is echter niet meer te achterhalen waarom Prins Bernhard op 17 of 18 oktober de beide mannen uit Friesland niet verteld heeft waarom er al één maatregel uitgevoerd was. In de nacht van 8 op 9 oktober 1944 waren er namelijk in de omgeving van het Drentse Veenhuizen al vier wapeninstructeurs naar beneden gekomen om te instrueren hoe met de gedropte wapens moest worden omgesprongen.

In de nacht van 19 op 20 oktober 1944 werden de eerste wapens voor Friesland afgeworpen. Met 4 instructeurs. Eén instructeur was bestemd voor Groningen, één was voor de provincie Drenthe en twee mannen voor Friesland.

Voor de regeling van de bestellingen, de verdeling van de wapenzendingen en de centrale vaststelling van de afwerpterreinen zorgde de Gewestelijk Operatie Leider Kapitein ,,De With” (Ph. W. Pander), terwijl zijn adjudant Wierda voor de registratie en controle zorgde. Het waren allemaal vreemde wapens die niemand kende. Hiervoor heeft ,,De With” allemaal wapeninstructies laten maken en die verduidelijkt met tekeningen. Deze werden gemaakt door iemand van een koffer- en wapenhandel in Leeuwarden.

Wapeninstructeur Nicolaas Johannes(Nico) de Koning

Zijn schuilnaam was Arie Prins en later Albertus Werkman, geboren op 16 september 1907 en overleden op 19 mei 1997.

Voor hulp aan de illegaliteit zijn vier parachutisten-instructeurs met 4 wapencontainers neergelaten in de nacht van 8 op 9 oktober 1944 bij de Gestichtswacht in Veenhuizen. Bij het gevangenengesticht waren grote ruimten aanwezig die omgeven waren door boomwallen en bossen. Gestichtswachten zelf zouden de dropping begeleiden. Bij de 4 gedropte instructeurs waren o.a. Wim van der Veer, Nicolaas J. (Nico) de Koning en de waarschijnlijke Vlaming Groenewoud naar beneden gekomen. De 4 wapencontainers waren bestemd voor de drie noordelijke provincies. Friesland kreeg er twee, want zij moesten ook voor wapenbevoorrading zorgen voor de omgeving van Harlingen en de eilanden. Het vliegtuig was laag vliegend over de Noordzee gekomen om de Duitse radar te ontwijken. Boven Nederland dreigde alles mis te gaan, want het vliegtuig werd beschoten, maar gelukkig liep het goed af. Is door deze beschieting de piloot wat onzeker geworden? Een feit is dat de dropping niet volgens plan verliep. De containers zouden eerst worden gelost en pas daarna de instructeurs, maar alles ging tegelijk naar beneden.

De beide vrienden Wim van der Veer en Nico de Koning (ze hadden samen in Birma gevochten) kwamen enkele kilometers van het droppingsveld neer. Nog erger was dat het vliegtuig hen te laag had afgeworpen, nl. op containerhoogte: hun voeten raakten al de boomtoppen voordat de parachutes zich ontplooiden. Gelukkig braken de takken hun val enigszins, maar beiden bleven een tijdje versuft liggen. Maar de grond was zo zacht als een veren bed en dat was hun geluk. Als de grond een keiharde ondergrond had gehad, dan was het anders afgelopen. Toen Van der Veer zijn ledematen weer kon gebruiken zocht hij het ontvangstcomité op voor de containers en instructeurs. Na een uur vonden zij De Koning die aan een been gewond was en zich in het bos ingegraven had. Gelukkig viel de wond mee, wel bleef hij enkele maanden onder medisch toezicht, maar al na vier dagen en vier nachten hervatte hij zijn werk. Tijdens zijn gehele verblijf tot aan de bevrijding heeft hij last ondervonden van zijn knie, maar zijn werk leed er niet onder. Op 18 oktober 1944 kwamen De Koning en Groenewoud ter beschikking van Friesland en zij werden in een door de Drenten gestolen legerauto naar de boerderij van Haaie Nicolai in Swichum gebracht. Die kon de beide instructeurs van de nodige laatste informatie voorzien. Beide mannen trokken hun Engelse uniformen uit (ze droegen er een politiejas overheen) en kregen hier hun burgerkostuum.

Hier kregen zij ook valse identiteitsdocumenten, respectievelijk op naam van Arie Prins en De Jong. Het was hun taak om de NBS-leden les te geven in het gebruik van de nieuwe wapens en het sabotagemateriaal. P.J. Stavast, postcommandant van de Rijkspolitie te Wanswerd/Birdaard verklaart dat ,,De Jong”/Greenwood negen weken lang in Hempens heeft gezeten. Greenwood was volgens hem een gezellige baas.

Hij mocht graag vertellen hoe hij bij het neerkomen in Drenthe in een boom was gevallen. Daarbij was hij op een tak heen en weer gezwiept voordat hij zich kon vrijmaken. Omdat De Koning zijn werkterrein in de Zuidwesthoek heeft gehad, wordt hierbij nader ingegaan op zijn persoon. De Koning was een Zeeuw en omstreeks het jaar 1930 zag hij de toekomst in Nederland somber in. Hij emigreerde naar Argentinië en was daar mayordomo (rentmeester) op een landgoed van 20.000 hectare met meest bos en veel schapen en koeien. Hij hield hier te paard en gewapend toezicht. Toen hij van de Duitse inval en van de Nederlandse capitulatie hoorde, kroop het bloed waar het niet gaan kon. Vergeten werd zowel de aanvraag om Argentijn te worden alsook het meisje waar hij verkering mee had. Hij schreef aan de Nederlandse Ambassade dat hij wilde vechten, maar het duurde twee jaar voordat hij naar Engeland kon vertrekken. Daar werd hij ingedeeld bij de Prinses Irenebrigade, maar de opleiding was hem te tam en hij had genoeg van het wachten. Daarom gaf hij zich op voor de commando’s. Na een zware opleiding werd hij in 1943 met tachtig anderen naar Birma overgebracht om achter de Japanse linies te opereren. In augustus 1944 kwam hij gehard in Engeland terug. Op 2 september 1944 werd hij ter beschikking gesteld van Prins Bernhard. Na nog een intensieve opleiding te Oxford voor verblijf in bezet gebied, werd hij begin oktober 1944 aangewezen om naar Friesland te gaan.

Nadat in de nacht van 18 op 19 oktober 1944 de eerste wapens voor Friesland waren afgeworpen, vielen er snel meer. De meeste hiervan kwamen in het rayon van De Koning terecht, die daardoor een drukke tijd kreeg. Hij doorkruiste het grootste gedeelte van Friesland per fiets om ’s avonds en ’s nachts de NBS’ers les te geven in het gebruik van het nieuwe wapentuig.

Toen zijn schuilnaam Arie Prins bij de Duitsers bekend werd (er werd hiervoor zelfs iemand met diezelfde naam aangehouden) kreeg hij de naam Albertus Werkman, vee-verloskundige met gereedschap daarvoor op de fiets. Toen is hij eens aangehouden, maar de kettingzaag in zijn tas was voldoende om hem te laten gaan. Men moest ook eens geluk hebben, meende De Koning, en zijn gevoelens beheersen. Er zijn talloze verhalen over deze onverschrokken man, bijvoorbeeld dat de Duitsers doorfietsten toen hij met een begeleider bij een brug in Lemmer stond te wachten. De Duitsers hadden kunnen zien dat de loop van een bren uit de fietstas van de begeleider stak. In Zandbulten was hij net vertrokken, toen zijn gastheer werd gearresteerd. In de buurt van Heerenveen zat hij eens aan een maaltijd. Terwijl zijn gastheer zijn gebed uitsprak werd er op het raam geklopt en de boer deed toen even zijn ogen open. ,,Er staat een mof bij de deur, wij bidden door” zei hij en weer gebeurde er niets ernstigs.

Wreed Duits commando in Crackstate Herenveen

De bestrijding van de illegale wapendroppings werd ter hand genomen door de op 14 oktober 1944 vanuit het Franse Lille in Heerenveen gevestigde ,,ZBV Kommando 14 der Sicherheidspolitzei und SD”. ZBV is de afkorting van Zum Besondere Verwendung, wat in het Nederlands betekent: ,,Bijzondere Opdracht”. Dit commando vestigde zich in Crackstate in Heerenveen. Dit gebouw werd omgevormd tot een gevangenis die door hun handelen omgedoopt zou worden tot ,,Het voorportaal van de hel”, ook wel “Moordhol” genoemd. Gemiddeld waren er steeds zo’n 60 tot 70 personen. Vaak waren het er meer dan waar in feite plaats voor was. Als commandant werd de Oostenrijkse SD Hauptsturmführer (kapitein) Erich Karl Kronberger aangesteld. Hij werd op 31 augustus 1910 in Wenen geboren en heeft daar het beroep van goudsmid uitgeoefend. Zijn oorlogsverleden werd op 21 februari 1940 door de Leeuwarder Rechtbank bestraft met 14 jaar gevangenisstraf. Vooral de executies en fusilleringen werden hem zwaar aangerekend omdat hij daarvoor steeds de bevelen gaf. Als ondercommandant was Wolfgang Schlegel aangesteld. Hij was een geboren Oostenrijker die ook vreselijke SD praktijken toestond. Een deel van zijn taak bestond uit de zorg voor de bewaking en doorzending van onderduikers en mensen die bij de spoorwegstaking betrokken waren geweest. Hij werd na de oorlog tot 6 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Directeur werd Walter Czunzceleit, een bakker uit Groszraschen.

 

 

 

 

De leiding van het ZBV Commando.

v.l.n.r.: Haubtscharführer Rozendal; Sturm- scharführer Warning; Sturmscharführer Dolzansh; Haubtsturmscharführer Kronberger; Sturmscharführer Nauhein en Scharführer Hanot.

 

 

Erich Kronberger

Wolfgang Schlegel

Herman Rozendal

Walter Czunczeleit

De wapendroppings

Het bureau voor ,,Speciale Opdrachten” (Special Operations Executive, SOE) in Engeland had tot taak om het verzet tegen de Duitsers in Europa te organiseren. Ook het leveren van instructeurs en materiaal behoorde tot hun taak. Het was geen gemakkelijke opgave om een goedgekeurd wapendroppingsterrein te vinden. Het SOE in Engeland eiste voor de veiligheid van de vliegtuigbemanningen en de verzetsmensen op de grond de nodige waarborgen:

  1. De terreinen moesten afgelegen liggen. Het terrein moest vlak zijn en 700 x 700 meter groot zijn, met zo weinig mogelijk bomen en sloten.
  2. In de omgeving mochten geen hoge obstakels staan zoals fabrieksschoorstenen en watertorens. Een gebied van 15 kilometer rond het terrein moest vrij zijn van Duitse luchtafweerstellingen.
  3. Tot op 5 kilometer van het droppingsterrein mochten geen objecten zijn waarbij de Duitsers wachtposten hadden geplaatst.
  4. Bij het terrein moest een onopvallende bergplaats zijn, zoals een schuur of hooiberg, zodat de parachutisten en het afgeworpen materiaal tijdelijk opgeslagen konden worden.
  5. Het terrein moest over de weg of het water goed bereikbaar zijn.
  6. Voertuigen zoals karren, kruiwagens, paard en wagen, een boot en in uitzonderlijke gevallen een vrachtwagen, moesten er op, of vlakbij onopvallend kunnen worden geplaatst of gemeerd.
  7. Als het verzet de terreinkeuze had bepaald, dan voerden geallieerden vooraf een verkenningsvlucht uit om te kijken of het aan de voorwaarden voldeed en om luchtfoto’s te maken voor de latere navigatie.

Als deze speciale opdrachtendienst geheim agenten wilden laten springen boven bezet gebied, dan werd daarvoor meestal de hulp gevraagd van verzetsgroepen. Deze groepen zochten een geschikt terrein uit en zorgden voor de opvang en een eerste schuilplaats voor de agenten. Verzetsgroepen hielpen graag mee aan de droppings van mens en materiaal, want zij maakten ook graag gebruik van de hulp van geheim agenten-telegrafisten en van de contacten met Engeland als zij wapens, springstoffen en ander materiaal nodig hadden. In onderling overleg werd dan de plaats, datum en het tijdstip en een code vastgesteld. De geallieerden maakten dan op de dag van de dropping in een gecodeerde boodschap zowel de slagzin als het droppingstijdstip bekend. Dat gebeurde altijd via de Engelse BBC Radio genaamd Radio Oranje in Londen. Dit was het Nederlandstalige programma. Na de BBC uitzending van Radio België was de eerste oproep om 13.30 uur en voor de tweede maal in de uitzending van Radio Oranje om 20.30 uur. De eerste uitzending betekende “Stand By” ( d.w.z. Houdt U gereed). Dan was het ’s avonds de spanning of de zin herhaald zou worden. Als dat wel het geval was, dan ging de dropping door in de komende nacht. Voorbeelden van gebruikte slagzinnen op 1 april 1945 zijn:

  1. Is de melkboer al geweest?
  2. Zeilen is een gezonde sport.
  3. Meer voorzichtigheid is geboden.
  4. Alles is duister.
  5. Wees niet bang voor de toekomst.
  6. De boerin heeft alle eieren gebroken.
  7. De wereld is veel te wijs.
  8. Zij sprak in volle waardigheid.
  9. Vier ogen zien meer als twee.
  10. Het ijzer is heet.

Zodra de slagzin was uitgezonden, moest de commandant van de verzetsgroep tot actie overgaan. Zijn taak was de helpers te mobiliseren en te instrueren.

Hij moest er ook voor zorgen dat tijdens de dropping paard en wagen, karren of een boot aanwezig waren, of een vrachtwagen voor de afvoer van de wapens. Indien het terrein dichtbij een riviertje was gelegen dan moest er ook materiaal zijn om bruggetjes te leggen. Dan was het wachten op de definitieve mededeling dat er een vliegtuig zou komen. Als de middagboodschap werd herhaald tijdens de avonduitzending van Radio Oranje in Londen om 20.30 uur dan ging de operatie definitief door. Natuurlijk diende men ook ongeveer de tijd te weten, waarop de dropping zou plaatsvinden. Ook daarvoor waren codezinnen zoals:

20-22 uur: “De dagen worden korter, de nachten langer” of “Het huis is te huur”.
22-24 uur: “Niets is dierbaarder dan de vrijheid” of “Zwaluwen komen terug in de lente”.
24-02 uur: “De rekening is nog niet betaald” of “Bericht van Pedro: doe mijn complimenten aan uw vader”.
02 – 04 uur: “Het is niet prettig op bed te liggen” of “Tijd en vloed wachten op niemand”.

Ook een dubbele dropping, zoals die vooral in de laatste maanden voorkwam, of het meekomen van parachutisten, werd vooraf aangekondigd.
Wanneer de slagzin bv. was: “Is vader klaar met het lezen van twee Franse romans?” of “De afwezigheid van Henry en Pierre is nogal lastig”, dan wist men dat er een dubbele dropping verwacht kon worden. Door de verzetsgroep werd dan begonnen met een onopvallende verkenning van de omgeving en de bewaking van het terrein. De lichten werden in orde gebracht. Daarvoor werden meestal sterke zaklantaarns gebruikt of een fiets met een dynamo op het achterwiel. Hiervoor werden de fietsen op de kop gezet en de voorlampen losgemaakt en van een verlengsnoertje voorzien. Door dan aan de trappers te draaien was er stroom en licht. Nadat de lampen waren gecontroleerd, werden daar later de lichtsignalen mee gegeven en de afgesproken code geseind.

Hoe zag een droppingsterrein er uit?

 

In bovenstaand voorbeeld komt de wind uit het noorden. Het vliegtuig vliegt tegen de wind in en in dit geval dus van zuid naar noord. Licht C staat midden in het droppingterrein. Licht A geeft aan waar de wind, ten opzichte van de vliegkoers B – D vandaan komt. Het licht staat links omdat de vlieger links in de cockpit zit.

Zodra het vliegtuig boven de lijn A en B is, wordt de lading uitgeworpen. Wanneer de tijd te kort is om alles uit te gooien, maakt de vlieger nog een tweede rondje. De afstand tussen de lichten A en B is 15 meter en die tussen B, C en D is 200 meter. Met uitzondering van de mensen die de lichten bedienen, staat iedereen op een afstand van 300 meter uit het midden van het veld. (toelichting en tekening overgenomen uit het boek Noodlanding bij Stavoren door Vic Klep).

In de omgeving van de Zuidwesthoek hebben enkele wapendroppings en enkele pogingen daartoe plaatsgevonden. Zo heeft in de nacht van 20 oktober 1944 bij Pankoeken nabij Witmarsum de eerste dropping plaatsgevonden. Alles verliep uitstekend. Bij de tweede dropping viel een container op een veulen dat gedood werd. De onwetende boer gaf het dode veulen aan bij de politie, zodat het terrein als wapendroppingsterrein moest vervallen. Bij beide droppings kwamen 26 containers met wapens naar beneden. In iedere container zaten 4 brens (mitrailleurs), tweehonderd geweren, honderd stens en springstof: handgranaten, slagkoord en plastiek.

Bij Tjerkwerd – in de driehoek tussen Allingawier, Beabuorren en Rytsebuorren, zuidelijk van Exmorra en precies aan de andere kant van het Van Panhuijskanaal – werden drie droppings gehouden, waarbij de eerste twee goed verliepen al moest daarbij tijdens een heldere sneeuwjacht het ontvangstcomité zich in lakens en lichte regenkleding steken. De derde keer ging het mis door verraad. De wapens werden uiteindelijk niet meer verstopt in boerderijen, maar in de Hervormde Kerk van Allingawier, zonder dat de kerkvoogden het wisten.

Het verhaal gaat nu verder met de wapendroppings bij Haskerhorne, omdat van daaruit wapens werden vervoerd naar boerderijen in Gaasterland en naaste omgeving. De linkerfoto hieronder verwijst bij Haskerhorne naar de droppingsplaats. De rechterfoto is het weiland waar de droppings plaatsvonden. Hier vonden in totaal 4 droppings plaats waarvan de eerste op 19 oktober 1944 was. Een Stirling MK 4LK567 loste de eerste lading op het door de N.B.S. uitgezocht weiland nadat het terrein eerst door de R.A.F. fotografisch was onderzocht.

 

In NBS district IV (de gehele Zuidwesthoek met Balk als centrum) waren 5 door Engeland goedgekeurde afwerpterreinen, maar er werd uiteindelijk geen enkel wapen gedropt. De sabotageploeg van district IV heeft vanaf dinsdag 3 oktober 1944 maar liefst 5 nachten op wapenvoorraad uit de lucht gewacht, omdat steeds de slagzin doorkwam: ,,Lusten jullie wel peultjes?”.

Ook ’s nachts bij oostelijk Kolderwolde stond de NBS Oudega-Nijega op het veld bij de Fluessen te wachten, maar het vliegtuig bleef hoog over hen heen vliegen en de peultjes kwamen niet. Datzelfde gebeurde ook noordelijk van Oudega waar een dropping zou plaatsvinden. Op het laatste moment werd die afgelast, omdat er teveel Duitsers in Rijs waren aangekomen voor het lanceren van de V-2 raketten. Later zou er een wapendropping komen op een stuk land bij de ingang van het Slotermeer bij Balk. De Watergeuzengroep uit Balk kwam in actie: alle bruggen werden opgehaald en de draagbaren stonden klaar om de containers af te voeren naar een gecharterde grote praam, de wapens naar de rietvelden brengen en overdag alles te sorteren, maar helaas…het vliegtuig liet niets vallen, omdat de lichtseinen vanaf de grond niet volgens instructie gegeven werden. Voor de Gaasterlanders deed zich een echt sneu geval voor. Bij veehouder Meindert de Boer aan de Lange Leane bij Hindeloopen – op de driesprong met Hindeloopen en It Heidenskip – vloog  op zondag 22 oktober 1944 ’s nachts om 24.00 uur een Engels vliegtuig zo laag bij zijn boerderij langs dat hij naar buiten liep om te gaan kijken.

Het bleek dat er per ongeluk 16 stalen cilinders aan parachutes naar beneden kwamen. Later wordt verteld dat deze wapens voor Gaasterland bestemd waren. Maar de boer had een partij rommel verbrand dat de hele nacht door smeulde en de Engelse piloot heeft dat aangezien voor herkenningslichten. De buit was groot. De zwaarste cilinder was 200 kilo zwaar en de inhoud bestond uit revolvers met minutie, doorladers, drie pakjes sigaretten, chocoladerepen en nog veel meer levensmiddelen. De boer heeft alles gemeld aan de Grüne Politzei. De zwaarste stalen bussen, waarin het materiaal verpakt was, waren door het dak van de boerderij heen geslagen. Het oorlogsmateriaal was dusdanig goed dat men de Duitsers op 25 oktober 1944 in Stavoren al met de prachtige automatische pistolen zag schieten.

In april 1945 werden de laatste wapendroppings gehouden, de maand van de Friese bevrijding. Op een terrein aan de Wymerts dichtbij Heeg kwamen in een nacht 31 containers aan parachutes uit een Halifax vliegtuig neer. De containers kwamen exact op de plaats neer waar ze moesten zijn, namelijk op een smalle strook grond tussen de Heegemer Far, Wymerts, Noorder Ie, Rakken en Heegermeer. In de Noorder Ie lag een boot waar de spullen in kwamen. Dezelfde nacht voer de boot naar Gaastmeer om daar de spullen te verdelen. In totaal werden er in de periode van oktober 1944 tot en met april 1945 drieëntwintig wapendroppingen uitgevoerd. Er zijn daarbij wapens afgeworpen in 549 containers met een totaal gewicht van 123.525 kg. Hiermee werden bijna drieduizend verzetsstrijders bewapend.

Het NBS district Heerenveen heeft de meeste gedropte wapens ontvangen, namelijk voor zo’n 1300 man, in negen droppings met een geschat bruto gewicht van 54.000 kilo. De leiding berustte bij de sedert mei 1943 in Friesland ondergedoken marine bootsman Dirk de Bruin, die tot Districts Operatie Leider (DOL) was benoemd en al snel Dolle Dirk werd genoemd.

Het eerst gebruikte terrein lag bij Haskerhorne dichtbij het Nannewiid tussen Oudehaske en Sint Johannesga. De ontvangstploeg verzamelde zich daar bij de boerderij van Hotse Brouwer. De eerste nacht werd tevergeefs gewacht. De tweede keer was het raak met 27 containers. Aan iedere parachute zat een container en in elke container zat ongeveer 300 kilo aan geweren, stens, bazooka’s, brenguns, revolvers, enz. Bij de wapens werden munitie, raketten, magazijnen, patronen, laders voor de magazijnen, gereedschap, olie en vet voor onderhoud geleverd. Verder werden handgranaten meegeleverd, rookgranaten, vuurpotten (een soort Bengaals vuur), brandblokken (voor brandstichtingen), bommetjes om autobanden lek te laten springen, diverse springstoffen met ontstekingskoorden, commando- en steekmessen, sigaretten en militaire rantsoenen. Alles werd naar Y. Harsma in de Haskerveenpolder gebracht (bij Luchtenveld). Een paar dagen later was het alweer raak in Haskerhorne en ditmaal werden de wapens opgeslagen in de boerderij van Hotse Brouwer. Maar de vierde maal ving men bot. Waarschijnlijk heeft de piloot het terrein niet kunnen vinden en toen zijn de wapens afgeworpen op de grens tussen Workum en Hindeloopen. Toen de SD met deze wapens door Heerenveen reed, keken de politiemannen erg sip. De volgende dag moest een paar van hen dienst doen bij de bewaking van de PEB installatie (Provinciaal Elektriciteitsbedrijf), samen met landwachters, onder andere Haagsma en Bollema uit Workum. Laatstgenoemden vertelden in geuren en kleuren over de grote wapenvangst. In de containers was zelfs cornedbeef en chocolade gevonden! Niet te geloven, zeiden de politiemannen en hapten in hun brood, waartussen …. gedropt cornedbeef zat!

Twee dagen later was de ontvangstploeg in Haskerhorne alweer op het terrein. Het vliegtuig was laat en daardoor konden de containers niet meer vervoerd worden. Alles werd snel in de grond gestopt en de volgende nacht naar de boerderij van de 57 jarige S. de Ruiter in Haskerhorne gebracht.

De vierde dropping op dit terrein moest door allerlei omstandigheden de laatste zijn. Aan de leiding was meegedeeld dat in de nacht van 1 op 2 november 1944 niet alleen wapens, maar ook twee mannen zouden worden afgeworpen. De piloot liet de wapens vallen en na een ommetje gemaakt te hebben, volgden de beide parachutisten. Zij kwamen in kledij met de rangorde luitenant. De mannen kregen deze nacht onderdak bij S. de Ruiter.

Dit keer kwam de SD uit Heerenveen met patrouilles in actie. Het was hen opgevallen dat het vliegtuig met open bomdeuren en brandende lampen was overgevlogen. De Duitsers waren tot op een kilometer verwijderd, maar keerden zonder buit terug. Op dat moment was de ontvangstploeg nog druk bezig en zij ontsnapten aan een groot gevaar. Juist deze avond had men lang werk, omdat de parachutisten maar twee koffers konden terugvinden in plaats van drie koffers. De ontbrekende koffer bevatte onder andere accu’s en oplaadapparaten. Alles was onmisbaar voor het radiowerk dat zij zouden verzorgen. De Districts Operatieleider had een tip gekregen dat arbeiders op een kruiwagen iets in de houtmolen hadden gebracht. Bij nader onderzoek bleken de onderdelen hier inderdaad te zijn. De parachutisten bleken radio-operators te zijn, seiners dus, voor de Friese NBS. De ene was Peter Hazelaar. Hij was twee dagen tevoren getrouwd. Hij werd Kees genoemd en op zijn persoonsbewijs stond dat hij landbouwer was in Drachten. Hij was nauwelijks 25 jaar. De tweede man was een Fries, Lykle Faber. Zij hebben bijna dagelijks – soms wel tweemaal daags – goed gebruik gemaakt van hun communicatiemateriaal met Engeland. Wel was het nodig dat zij vaak van de ene naar de andere boer werden verplaatst om ontdekking van het seinmateriaal te voorkomen.

Al snel kregen de mannen een vaste plaats en dat was in een bootje aan de rand van het Nannewiid, dat knap gecamoufleerd was door een rietkraag. Hier kregen zij dag en nacht bescherming van een 25 man tellende bewakingsploeg bestaande uit K.P.’ers uit Echten en Joure en NBS’ers uit Haskerland. Op deze boot werd belangrijk werk gedaan. Kapitein Pander bracht aan deze boot bezoeken als lid van de Trio groep. Pander verkende hier de mogelijke terreinen voor droppings en ‘Kees’ zette de plaatselijke aanduidingen precies op een kaart en seinde dit in codeletters dan door naar Engeland. Een paar dagen later kreeg Kees meestal al weer bericht vanuit Engeland dat het droppingsterrein al of niet goedgekeurd was. Bij goedkeuring kreeg het terrein een naam die alleen bij Kees bekend was. Hij stelde daarvoor ook de slagzin en de seinletter vast. Als dat alles klaar was, dan werd een koerierster op pad gestuurd naar de NBS districtscommandant. Zij moest het bericht overbrengen dat het terrein goedgekeurd was en de slagzin, b.v. ,,De melk kookt over”. Verder werd in dat bericht aangegeven hoe en waar de slagzin voor de dropping werd uitgezonden. Via allerlei omzwervingen kwamen de beide mannen Hazelaar (Kees) en Faber uiteindelijk terecht bij A. Bakker in Gaastmeer. Vanuit een tuinhuisje werd daar uitgezonden. Zij kregen er versterking van marconist Alfred Springgate. Deze was in de avond van 14 oktober 1944 bij de kust van Scharl met zijn vliegtuig in het IJsselmeer gestort. Eén man kwam hierbij om het leven en de overigen werden een dag later door garagehouder Matthijs Westra uit Gaastmeer en enkele helpers tijdens een avontuurlijke tocht met een boot naar Gaastmeer gebracht. Hier werden de 5 mannen over de huishoudingen verdeeld. Omdat Alfred Springgate marconist was, werd hij als hulp aan de beide gedropte mannen bij Haskerhorne toegevoegd.

Op 3 januari 1945 sloegen de Duitsers een grote slag in Echtenerbrug. Hier pakten zij ’s morgensvroeg drie belangrijke illegale werkers. Luitjen Mulder werd gesnapt, evenals Wiepke Hof en Roelof Knol. Waarschijnlijk heeft er een verrader in de illegaliteit gezeten. Alle drie waren betrokken bij het vervoeren van gedropte wapens, bij het verzorgen van piloten en al het andere illegale KP werk. Luitjen Mulder zou 5 dagen later worden vermoord en Wiepke Hof en Roelof Knol werden op 17 maart 1945 met 8 anderen – onder anderen Jeen Hornstra uit Wijckel en Yde Yntema uit Hemelum, als represaille bij Doniaga vermoord.

Na die noodlottige 3e januari 1945 hadden de leden van de KP (Knokploeg) die op vrije voeten waren gebleven een goed heenkomen gezocht en gevonden in Langweer. De KP Echtenerbrug was inmiddels omgedoopt tot BS gevechtsgroep (Binnenlandse Strijdkrachten). In Langweer was de groep weer op sterkte gebracht en zo was daar een maand lang een gevechtsgroep van zes man, bestaande uit Jan Sustering, Cor Blijleven, Jan Dijkstra, Jan Hoornstra, Gerrit Looman, Hans Willem Klotz. De beide laatstgenoemden waren ondergedoken bij S.S. de Boer op de molen, terwijl Cor Blijleven en Jan Dijkstra daar schuin tegenover woonden op de boerderij van Nanne Faber.

Dat in deze boerderij een zekere concentratie was, had zijn reden. Toen in november 1944 de wapens op het terrein onder Haskerhorne waren afgeworpen, had de BS van Doniawerstal daar ook een deel van gekregen. Ze waren eerst naar de molen gebracht, maar later was het leeuwendeel naar een gebouwtje van de PEB (Provinciaal Elektriciteitsbedrijf) overgebracht. Om er in te komen was een loper gemaakt, zodat meerdere personen er in konden komen. Dat scheen een bijzondere veilige schuilplaats, behalve natuurlijk als die verraden werd. Het is altijd nog duister hoe het kwam dat Gerrit Loman en Hans Klotz plotseling gearresteerd werden. Het gerucht gaat dat één van de vrouwen bij wie Gerrit verpozing zocht, niet eenkennig in de liefde was en wellicht iets over zijn illegale activiteiten verteld heeft, waardoor de Duitsers hem op het spoor kwamen. In ieder geval was de SD (Duitse Sicherheidsdienst) uit Heerenveen kennelijk niet voorbereid op een grote actie in Langweer, want de overige leden van de BS werden ongemoeid gelaten en op die dag werd er evenmin gezocht naar wapens.

Een ander geluk was dat S.S. de Boer ook niet thuis was. Cor Blijleven en Jan Dijkstra zagen de arrestatie gebeuren en opperden plannen om hun vrienden gewapenderhand te bevrijden. Hun gastheer, Nanne Faber, maakte daartegen bezwaren, want de overmacht was te groot en het zou wellicht een bloedbad worden. Gerrit Looman en Hans Willem Klotz werden dus vastgezet.

 NIEUWE ARRESTATIES

Het spreekt vanzelf dat de nieuwe arrestatie grote opschudding gaf in het stille Langweer. De vier overblijvende BS’ers waren niet van plan als zittende eenden op de jagers uit Heerenveen te wachten. Jan Susterling, die zwaar gezocht werd, ging naar zijn geboorteplaats Sneek terug; Jan Hornstra dook onder bij Sint de Haan op de heide bij Sint Nicolaasga. De beide anderen, Cor Blijleven en Jan Dijkstra, vertrokken naar Doniaga, waarbij zij kort daarna weer een heftig avontuur beleefden. Het was maar goed dat zij snel de benen hadden genomen, want de volgende dag waren de Duitsers er al weer. Dit keer om de andere jongens te arresteren en de wapens uit de molen te halen. De Duitsers troffen alleen Nanne Faber thuis. Deze zat te melken toen ze zijn boerderij binnenvielen. Hij moest ogenblikkelijk meekomen naar de molen. Faber zag daar Gerrit Looman in de auto zitten die de Duitsers aanwijzingen moest geven. Alles werd grondig onderzocht, maar er werden in de molen slechts enkele stens en wat kleingoed gevonden. Al die tijd moest Faber met de handen omhoog staan terwijl hij bezweet uit de stal was gekomen en langzamerhand tot het merg verkleumd was. Hij gaf toe twee onderduikers in huis te hebben gehad zonder te weten dat het BS leden waren. Ook ontkende hij te hebben geweten dat er in de molen wapens waren opgeslagen. Gerrit Looman bevestigde het verhaal. Van de wapenopslag waren slechts weinigen op de hoogte, verklaarde hij. Juist de mannen die afwezig waren, waren met de opslag op de hoogte. Waarschijnlijk was het hieraan te danken dat Faber nog even naar huis terug mocht alvorens naar gevangenis Crackstate in Heerenveen gesleept te worden. En toen greep hij een onverwachte kans waardoor hij gelukkig ontkwam. Bij het inrijhek van de boerderij was juist op die dag een wagen met stro verongelukt en met de opruiming daarvan was men nog niet begonnen.

Het was inmiddels donker geworden en er ging slechts één bewaker met Faber mee naar huis. Juist toen zij bij de strochaos gekomen waren, werd de bewaker iets toegeschreeuwd uit de richting van de molen.

De man draaide zich even om en vroeg om opheldering. Aan dat moment had Faber net genoeg. Hij nam een duiksprong om achter het stro te komen en schoot als een hert het donker in. Zijn bewaker schoot met een vuurwapen maar miste. Voordat de andere Duitsers zich bij de bewaker hadden gevoegd, had Faber zijn plan al opgemaakt. Hij liep door de tuin van notaris Mr. Mulder regelrecht het water in en verborg zich achter het riet. De SD’ers vonden hem niet hoe zij ook zochten. Toen de Duitsers het zoeken eindelijk hadden opgegeven, klom Faber weer op de wal en klopte aan bij het notarishuis, waar ze hem met blijdschap verwelkomden. Direct werd mevrouw Faber gewaarschuwd terwijl de nieuwe onderduiker verkwikt, gesterkt en verwarmd werd om daarna in de schuilkelder van notaris Mulder te verdwijnen. Toen mevrouw Faber met droge kleren kwam, scheen het ergste voorbij. Natuurlijk verdween hij daarna zo snel mogelijk uit Langweer. Maar de winterse kou heeft Faber dusdanig ondermijnd, dat hij na verloop van tijd het boerenbedrijf evenals al het andere werk moest opgeven.

HOE KWAMEN DE WAPENS IN GAASTERLAND

Het lijkt logisch dat de contacten in Gaasterland zijn gelegd tussen Luitjen Mulder en Benjamin H. Steegenga uit Balk. Luitjen Mulder was door Benjamin Steegenga het verzet ingepraat en had zich aangesloten bij de KP in Echtenerbrug. Steegenga wist daardoor natuurlijk als verzetsleider in Gaasterland van de activiteiten van Mulder. Ook kende Steegenga door zijn rondtrekkend werk als kledingverkoper heel goed de mogelijk goede agrariërs en hun verbergplaatsen voor de wapens. De K.P. van Echtenerbrug besloot om Gaasterland te helpen. Zij wilden ook wel van de wapens af, want er waren veel te veel wapens binnengehaald voor hun eigen groep. Al vrij snel na de eerste dropping werden de eerste wapens door de KP Echtenerbrug naar Marten Melles van der Goot in Sondel gebracht. Dit zal zijn gebeurd vanwege de te houden wapeninstructies door de gedropte instructeur Nikolaas Johannes de Koning. Een dag na de wapeninstructie werd De Koning weer opgehaald door Luitjen Mulder en Roelof Knol. Zij brachten hem toen naar het stoomgemaal van Echten waar ’s avonds ook weer les zou worden gegeven.

 

Luitjen Mulder

Benjamin Herres Steegenga

Gedurende enige tijd brachten de Gaasterlandse KP’ers ,,Reade” Rinke de Boer uit Sondel en Sep van der Wal uit Balk (geb. 12 september 1916 in Sneek) wapens van Van der Goot naar de boerderij van Louw Wildschut in Wijckel. Het vervoer vond zonder problemen plaats met een boerenwagen.

Deze ,,Reade” Rinke de Boer en Sep van der Wal durfden heel wat aan. Enige tijd na de eerste droppings hebben zij in samenwerking met de KP van Echten een voorraad wapens opgehaald uit Eernewoude. Hier zetelde het driemanschap Trio. Zij zijn daartoe dwars door Friesland gevaren. Zij deden zich voor als vissers en daardoor waren er regelmatig Duitse brugwachters die hen vroegen om een voorraad vis te mogen kopen.

Het zal in november of december 1944 zijn geweest dat een deel van de gedropte wapens op een volledig met stro afgedekte boerenwagen met luchtbanden vervoerd werd door de KP vanuit Echtenerbrug door twee ondergedoken officieren Siemen-Jan en Cor Blijleven via Lemmer, Tacozijl en Sondel. Zij werden op afstand gevolgd door twee begeleiders op de fiets. Deze boerenwagen had eerder al dienst gedaan als auto. De wapenlading zou eerst ondergebracht worden in de marechausseekazerne in Sloten omdat daar die avond in die kazerne een wapeninstructie zou plaatsvinden.

Maar politieagent Scholten zag de boerenwagen aankomen vanuit de richting Wijckel. Hij waarschuwde de KP ploeg dat er in de kazerne teveel Duitsers en landwachters bezig waren om gevorderde fietsen te verzamelen.

Scholten adviseerde om door te rijden naar Tjerkgaast naar de boerderij van Legendal, omdat het nu zou opvallen dat de wagen plotseling zou omkeren. Er werd gevolg gegeven aan dit advies maar zij keerden al snel buiten Sloten om en gingen door de nauwe straten van Sloten terug naar Wijckel. Het besluit tot terugkeer werd genomen omdat zij al veel vertraging hadden opgelopen doordat er twee keer een lekke band was geweest in de omgeving van Lemmer. Het meest spannende daaraan was geweest dat zij bij beide lekke banden hulp kregen van Duitsers, maar gelukkig was alles goed afgelopen. De opdracht was om de wapenlading in twee helften te verdelen. Eén deel zou naar Marten Melles van der Goot in Sondel gaan en het andere deel naar Louw Wildschut in Wijckel. Tijdens het vervoer was er iets voorgevallen waardoor de begeleiders op de fiets achterbleven. Toen de wagen in Wijckel aankwam moest de wagenvoerder op hen wachten om het juiste adres van Louw Wildschut te vragen, om daarna de andere helft nog naar Marten Melles van der Goot in Sondel te brengen. Hierdoor raakte het tijdschema in de war en de mannen wilden het deel dat voor Wildschut bestemd was dan maar afladen in het Wikeler bos. De KP ploeg had haast omdat zij uiteraard voor spertijd ’s avonds weer in Echten moesten zijn. Wildschut kon dan met eigen paard en wagen in het Wikeler Bos de wapens ophalen. Dat leek Wildschut te riskant, want het transport had toch al opzien gewekt en dan vooral de begeleiders. Daarom vroeg Wildschut zijn neef, Jeen Hornstra, die daar vlak bij de toren woonde, of de wapens even bij hem in de schuur opgeslagen mochten worden. De opslag zou hooguit een nacht duren. Hornstra gaf zijn toestemming en dat zou later zijn doodvonnis blijken. In de schuur van Hornstra werden de wapens en de munitie overgeladen op een gereedstaande boerenwagen. Er werden pakken met stro over de wagen gelegd en de KP ploeg kon weer vertrekken.

De volgende dag werd de wagen met wapens en munitie bij Hornstra opgehaald door de 15 jarige Roelof Wildschut. Deze reed door de landerijen de lading veilig naar zijn ouderlijk huis. De KP van Echtenerbrug had nu wapens in Wijckel en Sondel afgeleverd, maar er waren nog meer adressen waar men wel wapens wilde verbergen. Het volgende adres was van Halbe Bearnts van der Goot aan de Marderhoek in Oudemirdum. Vanuit Wijckel werd een halve vracht van de in Echtenerbrug gedropte wapens bij Halbe Bearnts van der Goot binnengereden door de onderduikers Roelof Knol en Jan Sustering uit Oosterzee. De wapens waren een nacht in de boerderij van Marten Melles van der Goot in Sondel blijven staan. Het vervoer vond plaats op een boerenwagen waarop pakken stro als dekmantel waren gelegd. De stropakken waren er zo opgezet dat er iemand ongezien tussen in kon zitten met het geweer in de aanslag. De wagen werd getrokken door twee sterke paarden die Belgen werden genoemd. Er was tijdens het vervoer grote angst dat de schildwachten van het radarpeilstation Eisbär in Sondel zouden ontdekken dat er iets aan het vervoer niet klopte. Om in Oudemirdum te komen moest men wel voorbij Kamp Sondel rijden.

Als de wachtposten daar goed zouden opletten dan was te zien dat de trekpaarden nogal zwaar moesten trekken voor alleen maar een paar pakken stro. Gelukkig verliep het vervoer prima en kon de vracht voor een verblijf van één nacht bij Van der Goot worden afgeleverd. Volgens verzetsleider B.H. Steegenga uit Balk zijn de wapens hier meer dan één nacht geweest. Nadat de familie Halbe Bearnts van der Goot in Oudemirdum door de Duitsers werd overvallen haalden de dag er na Jouke Draaijer uit Rijs en Ede Hoekstra, onderduiker bij Diete Hofman in Wijckel, de wapens op uit de boerderij en brachten die over naar de boerderij van Draaijer in Rijs.  werden de gedropte wapens gebracht bij Yde Yntema in Hemelum. Jouke Draaijer zorgde er weer voor dat de wapens overgebracht werden naar Jelte Tromp, een vrijgezelle boer in Harich. Hij woonde op het adres Harichsterdyk 2 in Harich met zijn zuster IJbeltje Tromp. Hier bleven de 20 wapens tot een week voor de bevrijding opgeslagen, waaronder een bazooka wapen. Die week voor de bevrijding liet LO Rayonhoofd Benjamin H. Steegenga uit Balk de wapens weer ophalen bij Tromp en bij Simon Bokma in Harich brengen. Waarom dit gebeurde is niet bekend geworden.

De wapens waren verstopt onder wat gewoon materiaal op een platte wagen. Toen er ook een inval bij Yntema plaats had gevonden, haalden ,,De Bulten” uit de verzetsgroep van Bakhuizen de wapens op en verstopten deze in het Rijsterbos. Vlak voor de bevrijding werden ze weer opgegraven en gebruikt bij de bevrijding. Bij Simon Bokma uit Harich, die inmiddels ook wapens gekregen had die afkomstig waren uit de boerderij van Wildschut in Wijckel, werden ook wapeninstructies gegeven. Nadat bij het vlakbij gelegen Atteboskje in Harich een confrontatie was geweest tussen twee Duitsers en drie wapenspoetsende onderduikers, liet Bokma de wapens direct wegbrengen. De drie verzetsmensen waren Sep van der Wal, Nauta en Hiemstra. De laatste twee waren twee ondergedoken marechaussees van de verkeersdienst uit Heerenveen.

Zijn zoon Wietse bracht wapens naar verzetsstrijder Jan de Vries in Ruigahuizen. De groep Watergeuzen uit Balk haalde bij Bokma de wapens op en liet deze onderbrengen in de kano’s van de betonloods van timmerman Van der Velde in Balk. Ook werd een gedeelte naar het transformatorhuisje in Balk gebracht.

Volgende pagina