Duitse afgang bij Tacozijl

Er zijn een aantal verhalen bewaard gebleven van mensen die de vluchtende Duitsers bij Tacozijl in 1945 persoonlijk hebben meegemaakt. Enkelen zaten daarbij op de eerste rang.

 

Hans Bos was als gevluchte jongeman uit Rotterdam bij de familie Titte van der Goot opgenomen. Hij heeft zijn memoires geschreven onder de titel: “Een Rotterdamse Lytsfeint”.

Dan is er het verhaal van Mevrouw Platje, getrouwd met Okke Platje. Zij woonde op een boerderij in de Brekkenpolder bij Tacozijl en werkte bij de sluiswachter Hendrik Keizer. Haar verhaal staat in het boek: “Land en Volk van Gaast en Klif” door Lipkje Post-Beuckens.

Het derde verhaal is van Jelte Eppinga die met zijn ouders op de boerderij aan de Jacobus Boomsmastraat 52 in Sondel woonde en toen 6 jaar oud was.

Het vierde verhaal is van Hendrik Akkerman (1922-2005), ook uit Sondel, die onder dreiging van een stengun gedwongen werd om op 16 april 1945 Duitsers en materialen op bolderwagens naar Lemmer te brengen.

Als laatste zijn verslagen toegevoegd van: www.riedo.nl en www.gaasterlandinwo2.nl.

INLEIDING

In Sondel is vanaf 1942 het Duitse Peil- en Radarstation gevestigd dat door enkele honderden Duitse militairen en meerdere “Nachrichtenhelferinnen” (telefonistes) wordt bezet.

Aan het begin van april 1945 beginnen deze Duitsers in Sondel te beseffen dat het einde van de oorlog ook hier dichterbij komt. De Canadese troepen rukken langzaam maar zeker op in de richting van Friesland. De vluchtmogelijkheden voor de Duitsers zijn beperkt. Als ze in westelijke richting gaan dan staan ze al snel voor het IJsselmeer. Gaan ze naar het oosten of zuiden dan gaan ze de Canadezen tegemoet. Op 12 april 1945 zijn de Canadezen al tot Steenwijk genaderd en het is te verwachten dat ze zonder noemenswaardige tegenstand ook al spoedig in Sondel kunnen zijn. Op 14 april naderen ze Heerenveen. En op 15 april worden ze al waargenomen in Joure, Scharsterbrug, Sneek, Woudsend en Leeuwarden.

Deze snelle opmars vraagt natuurlijk intern en extern overleg bij de Duitse troepen. Oberleutnant Hans Thiedecke is de commandant van Kamp Sondel en hij besluit dat er niet langer gewacht kan worden met het vluchtplan. Rondom worden bruggen opgeblazen, behalve de brug van Tacozijl.

De Duitsers besluiten om:

  1. schuttersputten te graven
  2. materialen zoals wapens door de boeren uit Sondel naar Lemmer te laten brengen via Tacozijl
  3. de administratie te vernietigen en het peil- en radarstation onbruikbaar te maken.
  4. de wachtposten “Flugwache” in Nijemirdum en Mirns te vernietigen.

De Duitsers in Sondel krijgen het bericht dat voor hen de haven van Lemmer het verzamelpunt zal worden voor een oversteek per boot naar Amsterdam. Om in Lemmer te komen moeten ze over de brug in Tacozijl. De laatste Duitser moet daarna de brug in Tacozijl laten springen, zodat het Canadese leger ze niet kan achtervolgen.

Boerderij Zeezicht van familie Titte van der Goot bij Tacozijl Foto:www.riedo.nl

 

ZONDAG 15 APRIL 1945

En dus wordt op deze dag achter de woningen in Sondel begonnen met het aanleggen van schuttersputten met een vrij schootsveld in de richting van Tacozijl.

Jelte Eppinga: “Het gebeurde in de dagen van april, toen de Duitsers hier nog waren. Achter ons huis (Jacobus Boomsmastraat 52) hadden de Duitsers een schuttersnest gemaakt. Dat gebeurde ook bij de andere boerderijen en woningen die de achteruitgang hadden in de richting van Tacozijl. Dat hadden ze zo gedaan omdat de Duitsers dachten dat de Canadezen vanaf Lemmer in de richting van Sondel zouden aanvallen. Toen alles klaar was, trokken de Duitsers zich weer terug in Kamp Sondel. Ik ben daarna gaan kijken in ‘ons’ schuttersnest, want ik vond dat mooi. Daarom haalde ik mijn speelgoed op en legde dat erin. Maar de volgende dag toen ik er weer in wilde spelen, waren er weer Duitsers bij. Ik durfde toen niet meer. Toen ze weer waren vertrokken, heb ik alles er weer uitgehaald. Dat was op de laatste dag dat de Duitsers in Sondel waren.”

 

Het verhaal van evacuee Hans Bos:

“Zal ik jullie nu maar eens van mijn bevrijding vertellen? Daar gaat ie dan!...

Enkele weken voordat we bevrijd werden, konden we al aan de vliegtuigen vernemen dat voor ons de bevrijding niet ver meer was: jagers – Tyfoons – kwamen met vier of acht tegelijk laag over en het scheen of ze mij zochten. Men hoorde veel over beschietingen van schepen en andere vervoersmiddelen. Bij ons op Tacozijl schoot “Lemmer” veel op onze vrienden. Op een keer kwamen, toen we in het land bij de haven werkten, de tyfoons achter ons vandaan. Ze vlogen recht op Lemmer aan en recht in de vuurzone. Even later begon het al!

De kanonnen schoten even heel wild, maar het was ook weer gauw over. Toen kwamen wij zelf even in het nauw: plotseling een aardig gefluit en “pang”, een granaat ontplofte in onze onmiddellijke nabijheid. Daarna één in de bomen van het kerkhof, en: “zzzzzztt….pang”, zzzzzztt….pang”, nog meer! En wij als de weerlicht dekking zoeken. Stoffel, Feike van der Goot en ik, plat tegen de grond! Eentje kwam maar enkele meters van ons terecht in het land en in de haven achter me ook één! Ondertussen bulderden de kanonnen, het werd steeds erger… De berichten waren, zoals gewoonlijk, allerwildst.

Toen op de prachtige zondagavond van 15 april 1945, juist op het moment dat we bezig waren de schapen in het hok te drijven, zagen we een grote groep Duitsers op fietsen naderen. We maakten snel voort omdat het al zeven uur geweest was en op dat tijdstip moest ieder al binnen zijn. Feike en ik joegen snel de schapen het hok binnen en besloten hier even door het raampje te kijken en af te wachten wat de Duitsers zouden gaan doen.

V.l.n.r.: boer Feike van der Goot, arbeider Stoffel op de Hoek, Wiep van der Goot (zuster Feike), arbeider Durk Mous, Titte van der Goot en evacué Hans Bos. Zij gaan met de melkbussen de hoge dijk op. Foto met namen: www.riedo.nl

Ze moesten Feike trouwens liever maar niet zien. Stoffel en Moors, de Limburger, verdwenen in de schuur. Maar op Tacozijl aangekomen, stapten de Moffen van hun fietsen en bleven boven bij de brug staan en al gauw kwamen ze naar beneden en ook het erf op. Even later zagen we Van der Goot met een Mof langs het hok lopen en toen dachten wij dat we ook maar tevoorschijn moesten komen uit het stinkende hok.

Eenmaal buiten zei Van der Goot dat we mee in huis moesten. Iedereen moest dat doen, want een Duitse officier met zijn onderofficier moesten ons allemaal zien. En toen vroeg de officier of er iemand Duits kon verstaan. Toen moest ik eraan geloven. Hij beval dat geen van ons allen vannacht het huis mocht verlaten. De soldaten zouden in het stro op de schuurreed binnen onze boerderij slapen. Als wij al de boerderij zouden verlaten, dan zouden de wachtposten schieten. Verder moesten de officieren enkele uren een verduisterde kamer ter beschikking krijgen en licht.

De groep bestond uit ongeveer 20 mannen. Ik zag aan de helmen en de broeken al gauw dat het merendeel valschermjagers waren. Ze hadden op hun fietsen ook “Pantzerfäusten” bij zich waarmee ze tanks bestreden. Enfin, bij het licht van een kaars zaten de officieren en aten eerst brood, waarna ze kaarten en papieren ontvouwden en druk in gesprek raakten.

Dat gebeurde soms fluisterend. Ik vernam wel iets over “zersprengen” en dat zei al genoeg. Die beide mannen waren de leiders van de groep en zij waren heus erg schappelijk. Ze hadden kort tevoren nog gevochten, want de Hauptman had een schot in zijn bips gekregen en kon bijna niet zitten: “Partizanen, hè”. De tweede was een Oostenrijker. Het waren wel vurige “Hitlermannetjes”, zoals de meeste parachutisten. Wijzelf dachten: Je kunt maar het beste op goede voet blijven met hen en dus deden we maar wat ze zeiden. We zijn op bed gegaan.

MAANDAG 16 APRIL 1945

De sluiswachterswoning van Hendrik Keizer (1874-1965). foto www.Riedo.nl

Sluiswachter Hendrik Keizer bedient de sluis. Op de achtergrond de boerderij Zeezicht. Foto www.Riedo.nl

De volgende morgen van 16 april - na het melken en het eten - begonnen de soldaten alles klaar te maken om springladingen onder de betonnen brug te leggen. De dienstmeisjes moesten ondertussen een volle emmer melk koken. Toen kwam het bevel dat we voor 20 man aardappels moesten schillen. Die moesten lekker gekookt worden met groenten (2 weckflessen met peentjes) en vet en boter mocht niet vergeten worden. Wij gingen de ramen uit de kozijnen halen en alles openzetten. Om acht uur kwam de eerste ontploffing (niets vergeleken met de havens in Rotterdam). Het resultaat werd een klein gaatje, door en door, in het wegdek van de brug. Zo ging het hele dag door; ze kwamen ons netjes waarschuwen wanneer het zover was en dan gingen we in het búthús staan. Een stuk of zeven ruiten zijn er zo gesneuveld.

Ondertussen zagen de Duitsers bij Keizer de evacuee-onderduiker “Piet”, die bij Tijsma (verderop langs de vaart) was ondergebracht. Hij kwam vaak bij Keizer, waar twee jongens uit Limburg waren. “Piet” werd aangezien voor een terrorist en het vuur werd hem na de schenen gelegd. Hij was ongelukkigerwijs zondagavond te laat vertrokken, zodat hij niet meer kon terugroeien toen de Duitsers arriveerden. Wel had hij dat nog geprobeerd en dat had de zaak voor hem nog erger gemaakt. Tenslotte zouden ze hem laten leven wanneer hij niets zou doen en hen zou helpen.

Bij Keizer ligt zoveel hout van het Waterschap dat er volgens de Hauptmann drie stevige noodbruggen van gemaakt konden worden. Ze wilden het hout eerst opbranden, maar toen kwam Keizer erbij en mochten wij het behouden indien wij alles in mootjes zaagden. Wij gingen allen aan het werk, waarbij onder de leiding van Feike van der Goot werd gesaboteerd. In plaats van in drieën gingen de balken doormidden. Wij vatten het gehele geval maar vrolijk op en hadden lak aan alle moffen. Ik werd echter steeds geroepen om als tolk te fungeren tussen de “famkes” (dienstmeisjes) en de “kok” van de moffen. Die was de oorlog al lang zat. Dat kon je merken want die kok was een stille mijmeraar.

Zo nu en dan zei hij wat tijdens het bakken van de vissen, die met handgranaten gevangen waren (bij iedere plof komt er een zootje vis boven drijven, net zolang tot er genoeg is om van te eten). Hij was niet zo goed te verstaan, maar dat ging op den duur wel wennen.

Zo verliep de dag; we beleefden van alles en de Duitsers liepen maar in en uit alsof ze bij moeder thuis waren en zeurden om dit en om dat. ’s Middags kwamen er nog een stuk of acht Duitse “Grünen” in gezelschap van een …varken voor de heren. Die werd door één van de Grünen geslacht in het washok van Keizer en Idskje. Ze waren de hele dag bij ons in het hok (bijkeuken) op het “duveltje” (kachel) en bij Idskje in het washok bezig geweest vis te braden. Nu kwam het spek aan de beurt. Bij het middagmaal kreeg ieder van hen een stuk gebakken spek (wat ze al bij zich hadden) van formidabele omvang, zodat ze “niet voorbijgingen van eten”.

Er waren ineens heel wat boeren uit Sondel gekomen met hun wagens vol munitie uit het Kamp in Sondel. De boeren waren gedwongen alles naar Lemmer te brengen. Zij konden nog over de brug komen. Er waren ook vliegtuigbommen afgeladen, want even later zagen wij ze met een bom van 500 kilo in een vissersbootje aan de gang. Die kwam met behulp van een paar nieuwe “achterbinders” (om een volgeladen hooiwagen mee vast te sjorren) en twee nieuwe palen (voor het vastsjorren, eveneens van een hooilast) uit onze boerderij gestolen, onder de brug die nog steeds niet kapot was. Twee bommen van 50 kilo lagen op het wegdek tegen de betonnen zijkanten (zeg maar de leuningen). Een goeie knal zullen die drie geven, dacht ik. De ontploffingen hielden op. De “groenen” kregen orders. De officieren spraken druk met elkaar. Geschutvuur dreunde in de verte terwijl de soldaten zich verschoonden en zich baadden. Het varken hing ondersteboven aan de zoldering van Idskjes washok en de braderij ging rustig door. Wij werkten en het werd melkerstijd; ik moest de koeien uit het “bûtenlân” en van de dijk richting Sondel ophalen. Daarbij passeerde ik met de koeien zowel op de heen- als terugweg het mitrailleursnest dat in de kruin van de dijk was ingegraven. Vanuit dat nest had men het uitzicht op de weg naar Sondel door de uiterste wachtpost van het Duitse peloton. Ik had dat ’s morgens al gezien en aan de andere kant van de brug wel geobserveerd. Aan de andere kant van Lemmer was nog zo’n mitrailleursnest dat wij vanuit het “jister” hadden kunnen zien liggen. Er moest weer heel wat verse melk worden gekookt om in de Duitse kelen te laten verdwijnen. Na het eten probeerde de dikke slager -(‘Grüne’) - ons bang te maken dat de hele boerderij bij de laatste ontploffing in elkaar zou gaan.

Even later kwam de hoofdman vertellen dat we niet mochten gaan slapen; we moesten wat spullen inpakken en verder maar afwachten tot hij kwam zeggen dat we weg moesten, want er zou een grote knal komen.

We moesten dan met onze beladen wagens de weg op naar Sondel tot achter de boerderij van Vochteloo. Als het voorbij was konden wij direct terugkomen. Alles aan het inpakken; ik was gauw klaar met alles wat ik uit Rotterdam had meegenomen. Daarna hielp ik de dames bij het sjouwen. We moesten allemaal bij elkaar blijven op het erf. En daar zaten we dan te midden van de Duitsers. Volgens mij vormden zij een samengeraapte groep uit heel verschillende Wehrmachtsonderdelen met zelfs soldaten van de Kriegsmarine.

Herberg/Boerderij Tacozijl rond 1930. In 1940-1945 was de herberg er niet meer. Veehouder Hartstra woonde hier maar door schoorsteenbrand op 31 mei 1935 vloog de hele herberg annex boerderij in brand. Alleen de muren bleven staan. Foto met tekst van Doede Deinum, Sondel

De dienstmeisjes waren hier deze dag erg zenuwachtig geweest. Die hebben het sneller op de heupen dan Mamma en Corry. Deze beiden schijnen toch een uitzondering te zijn, want zij waren altijd kalm tijdens situaties van oorlogsgevaar. Ik zat op de melkkar bij de bus-en-emmerbank toen er een parachutist naast mij kwam zitten die meteen aan het vertellen ging. Dat kwam doordat ik die dag voor vele soldaten allerlei vragen had moeten beantwoorden of helpen moest bij het vertalen. Zodoende was ik “de Rotterdammer”. Eerst vroeg ik mij af of ik wel kon gaan zitten praten met een “vijand”, maar ik durfde er niet zomaar vandoor te gaan. Ik vond de parachutist een nette man evenals enkele anderen en zeker de commandant. Hij was een jeugdige, sportieve kerel met een bescheiden, slappe officierspet op en in ieder geval niet z’n poeha-geval. Ik was verder nieuwsgierig naar alles wat er achter deze actie stak en wat al deze soldaten hadden meegemaakt. Maar eerst begon hij mij te vragen hoe ik hier zo was gekomen. Ik heb hem er goed van doordrongen dat dat vanwege de honger was die in Zuid-Holland en vooral in de grote steden werd geleden zoals Rotterdam. Dat hadden ze nooit eerder geweten; honger in Holland!? Zo kwamen we als vanzelf in de politiek terecht en daar had je ’t al: hij werd steeds opgewondener en begon zowat een redevoering af te steken. Hij dacht zelfs vandaag nog dat Duitsland de oorlog zou winnen, hoewel, wat heet winnen…? Hij zei dat hij met al zijn kameraden niets meer bezat; vrouw en kinderen, vader, moeder, broers en zussen, familie, vrienden, huizen; alles hadden ze verloren:

“Wir haben nichts mehr, nichts, nur unsere Flinten (vertaling: jachtgeweren) haben wir noch und damit haben wir genug um den Krieg zu gewinnen; alles haben wir verloren, wir können nur gewinnen”. Ja, dat zei hij en daarmee klampte hij zich vast aan zijn jachtgeweer.

Hij zou spoedig bedrogen uitkomen, maar wel gelukkig voor hemzelf. Ik kreeg wel bewondering voor deze vechtjassen; niemand zou hun een grote dapperheid kunnen ontzeggen. Verder vertelde hij dat hij Flugzeugführer (piloot) was. En weet je wat hij ook vertelde? Hij was bij de bevrijding van Mussolini geweest. Jullie weten nog wel, die werd destijds door Duitse elite-valschermjagers onder leiding van majoor (?) Skorzenyl verlost uit de handen van Italiaanse partizanen. Ze hadden toen allemaal het IJzeren Kruis gekregen en dat had hij ook. Hij liet mij ook foto’s zien van die operatie die door vriend en vijand als een huzarenstukje werd beschouwd. En daar zag ik dus ook op staan: “kale kop, niks erop, niks erin, vette kin, dat is …de Duce”.

Toelichting door Hans Bos: Bij de bevrijding door Skorzenyl en zijn mannen om Mussolini uit de handen van de partizanen te halen, was mijn valschermjager de Flugzeugführer van een gesleept zweefvliegtuig. De groepen parachutisten uit deze toestellen overmeesterden na de landing de bewaking van Mussolini. Daarna landde een Fieseler Storch vliegtuig om de “Duce” in te laten stappen om ermee weg te vliegen richting zijn vriend Adolf Hitler.

Hij vertelde verder dat hij bij een akkefietje met Tito was geweest.

Beurtelings liepen de soldaten langs de open deur van Idskjes washok waarin het vuur hoog opgestookt werd. Het wierp een lichte gloed naar buiten en bij dat schijnsel zag ik de gretige monden in grote stukken happen. Het spekvet vloeide rijkelijk over de vingers en de aangezichten die heftig glommen in het flakkerend licht van het vuur. Ik was opeens midden in een film terecht gekomen te midden van een hechte groep desperado’s. Wie van hen zou morgen moeten sterven, misschien vannacht nog? Zij leefden duidelijk bij het moment van nu en vervulden hun taak op vakkundige wijze en zagen geen kleinigheden over het hoofd. Ze improviseerden er lustig op los en maakten efficiënt gebruik van alles wat hun ter plekke voor de voeten kwam en zouden hun huid alleen heel, heel duur verkopen…

Met een van de Duitsers heb ik nog gepraat over wat te doen na de oorlog. Ik vertelde hem erover om architect te worden; de Friese boerderijen hadden mij er met hun robuuste constructie en stoere vorm enthousiast voor gemaakt. Dat begreep hij goed en vertelde zelf architect te zijn! Je merkte dat deze soldaat weer terugverlangde naar het normale leven in vrede.

Intussen waren de boerenwagens nog steeds niet terug uit Lemmer. De Duitsers wachtten echter nog op die van Sondel en dan zou de brug de lucht ingaan. Opeens riepen ze mij en toen ik kwam, brachten ze mij op de dijk en wezen naar een plaats waar de hemel in vuur en vlam stond. “Lemmer het havengebied”, zei ik en toen schrokken ze, want daarheen moesten ze om ingescheept te worden naar Holland. Toen ik weer bij de anderen was, duurde het niet lang of het bevel kwam om het laatste op de wagens te laden en dan te vertrekken. Dat was gauw gedaan en wij gingen op weg want de mannen van Sondel waren voorbij. Hoe zouden wij Tacozijl terugzien? …

Toen wij bij Vochteloo’s boerderij waren, kwam al snel de grote slag. Ik heb echter geen vuur gezien. De vrouwen waren hier even in huis, maar Van der Goot, Jaap (evacuee van Keizer), “Piet” en ik gingen naar de Zijl om poolshoogte nemen. De wachtpost in het mitrailleursnest boven op de dijk bleek alvast verdwenen te zijn. Om de bocht gekomen knarsten onze klompen al meteen over steentjes, gruis en andere rommel. We merkten zo dat er van de brug niet veel meer over was. Toen we dichtbij huis kwamen, zagen we dat de boerderij er nog precies zo stond als altijd, evenals het huis van Hendrik Keizer, maar de brug…! Aan de Sondeler zijde was het wegdek vergruisd en de leuningen, de zijliggers stonden schuin in de haven en aan de overkant lag het middenstuk omlaag in het water; de bommen hadden hem wel gekraakt. We liepen weer terug om de anderen op te halen.

Wat ons opgevallen was dat het stil was op Tacozijl, al het rumoer van de dag leek wel veranderd in stilte; je kreeg werkelijk het gevoel van vrede over je op die late avond van 16 april, of nee, het was al dinsdag 17 april 1945 omdat het al over twaalven was”.

JELTE EPPINGA

 “De Duitsers waren boos en kort aangebonden. De Sondelers lieten zich liever niet buiten zien. Er waren ook mensen die rustig naar familie in andere dorpen waren vertrokken. Vader was in de koestal aan het werk. Hij kwam niet buiten, omdat er weer Duitsers bij de huizen langs gingen om mannen op te halen en materialen weg te brengen.

Toen kwam moeder de koestal binnenstormen en zei: ‘Onze evacuee staat buiten naast de boerderij en men kan hem zien’. Vader liep snel naar de buitendeur om hem daar weg te halen. Maar… het was te laat. De Duitsers hadden hem al opgemerkt en liepen op hem toe. Hij kreeg de opdracht om het paard in te spannen en met een wagen naar het Kamp Sondel te komen. De evacuee ging het paard inspannen maar toen kwam vader uit de koestal. Hij pakte het paard en zei tegen de evacuee: ‘Ik ga en jij blijft hier’. (Vader heeft later uitgelegd dat de evacuee op deze manier probeerde om in Lemmer te komen en daar met de Duitsers te vertrekken. Paard en wagen had vader dan niet weer teruggezien). Toen vader vertrok met paard en bolderwagen, liep ik naar het voorhuis. Tegenover buurman Akkerman waren ook Duitse soldaten die boos waren. Zij schreeuwden naar een jongeman die in de landerijen voor de woning van Akkerman in een greppel wegdook. Die jongen was Hendrik Akkerman. De soldaten hadden hun geweer op hem gericht. Maar zijn vader en moeder waren al op het tumult afgekomen. Hendrik zijn moeder riep tegen de Duitsers: ‘Hij haalt het paard om op te rijden’. Toen lieten de Duitsers hun geweren zakken en kwam hij uit de greppel vandaan. Hij pakte het paard dat er liep te vreten en nam het mee. Siemen zei tegen mij dat de Duitsers gedacht zullen hebben dat Hendrik zou ontsnappen. Mijn zusters Hiltsje en Christine kwamen op mij afrennen, pakten mij vast en trokken mij mee terug naar onze boerderij. Ze zeiden: ‘Do meist net op ’e dyk, de Dútsers binne sa lilk, se sjitte samar’ . (Vertaling: Je mag niet op de weg. De Duitsers zijn zo boos dat ze zomaar kunnen gaan schieten). Ik wou niet met mijn zusters mee, maar Christine kneep mij gevoelig.

Het was op een middag. Op de Lemsterdyk (zo werd toen de straatnaam Sondelerdyk genoemd), liep de evacuee met mij aan zijn hand naar Tacozijl. Er was ook een groepje oudere kinderen bij, maar ik weet de namen niet meer. De landerijen in de omgeving stonden op bepaalde plekken onder water en ook de erven van de boerderijen.

‘Hier woont Vochteloo’, zeiden de kinderen. Vochteloo stond zelf voor zijn huis. Wij kwamen aan op Tacozijl. In de boerderij woonde Titte van der Goot en in dat huis woonde Hendrik Keizer, zeiden de grote kinderen.

Bij het huis stapte de Groene Politie rond. Op de plaats waar nu de kleine sluis is, was toen een stenen brug. Het sluisje stond iets meer naar binnen. Op de brug stond een ploeg Duitse soldaten. Opeens zei onze evacuee tegen mij en de andere kinderen: ‘Even wachten’. Hij liep naar het groepje soldaten toe en vroeg hen wat. De Duitsers wezen hem op iemand die alleen stond. Daar ging de evacuee heen en vroeg hem ook wat. Wat hij vroeg kon ik niet verstaan. ‘Dat is een officier’, zeiden de grote kinderen. Maar toen begon de officier te schreeuwen en riep (vertaald): ‘Neen, dat doe ik niet en wat moeten al die kin- deren hier. Terug en van de brug af’. De soldaten gingen direct naast elkaar op de brug staan en ieder had zijn geweer in de hand.

Die aanblik werd te veel voor de kinderen en ik begon ook te huilen. De evacuee nam mij bij de hand en zei: ‘Kom maar gauw, Jelte, de Duitsers zijn zo kwaad’. Toen wij thuiskwamen was moeder erg ongerust geweest, omdat zij niet wist waar wij waren. ’s Avonds kwam vader de huiskamer binnen en zei dat de Duitsers weggingen. ‘Mooi’, zei moeder en ‘laat ze maar gaan’. ‘Ja’, zei vader, ‘wie weet wat wij anders nog zouden gaan beleven’.

Deze avond hebben de Duitsers de stenen brug van Tacozijl laten springen. Een deel van de Sondeler boeren met hun paarden en bolwagens kon niet terug naar huis. Ze bleven bij boeren in het hooi slapen en ze moesten de volgende dag een omweg maken via Follega en Spannenburg. Hendrik Akkerman was ook bij deze boeren”.

MEVROUW PLATJE

In het boek: Land en Mens van Gaast en Klif laat schrijfster Lipkje Post-Beuckens de echtgenote van Okke Platje aan het woord. Mevrouw Platje woonde op een boerderij in de polder bij Tacozijl en zij was werkzaam bij de sluiswachter. De datum die zij noemt klopt niet, want dat moet 15 april zijn. Haar 16e april kan niet juist zijn, omdat zij schrijft dat de soldaten een dag na hun aankomst mijnen achter de dijk legden. Zij schrijft over deze dag:

“Het was 16 april 1945, één dag voor de bevrijding, toen wij op Tacozijl visite kregen van 31 Duitse valschermjagers. Zij zetten hier dadelijk alles af, er mocht geen mens meer in of uit, ook mocht er niemand op de weg komen. Eerst werd ons in de sluiswachterswoning gevraagd met hoeveel personen we waren. Gewoonlijk waren wij slechts met twee personen, maar we hadden twee evacuees, Limburgers, dus waren we met z’n vieren. En dat werd genoteerd. Toen maakten ze slaapplaatsen voor zichzelf in orde. Na zeven uur mochten wij niet meer buiten komen. Bij alle hoeken van het huis stond of sliep een soldaat. ‘s Nachts kon ik niet slapen, omdat ik aldoor soldatenlaarzen op de grond hoorde. Ook was ik bang dat de ondergrondse zou komen! Daar kwam bij dat ik zo graag wilde dat de sluis en de brug gespaard bleven, hoewel ik door had, dat het dan op een schieten zou uitdraaien.

Deze morgen legden de Duitsers mijnen achter de dijk alsof ze iets verwachtten. Maar er gebeurde niets. Een kennis van onze evacuees, ook een Limburger, die in de polder was ondergedoken, kwam bij ons voor een praatje, wat hij vaker deed, maar nu kon hij om de soldaten niet terug.

Toen de volgende morgen (dat was dus de 16e JGV) de koppen opnieuw werden geteld, was er één te veel. Dat maakte hen wantrouwend, ze lieten het woord terroristen vallen. De overste vond dat het onderzocht moest worden.

Mijn baas, de sluiswachter, werd met het geweer in de rug de kamer uitgebonjourd en ik moest binnen blijven. Eén soldaat snuffelde op de zolder rond, een andere bleef bij mij op kamer, of liever ik bij hem, want ik had al lang begrepen dat dit volk niet te vertrouwen was en hier was wel iets van waarde om binnen te pikken. Ze dreigden het huis in brand te steken als ze schiettuig of munitie zouden vinden. Daar was ik wel gerust op, hoogstens zouden ze jachtpatronen kunnen vinden, want de baas was zijn geweer al lang kwijt. Evenwel werd alles maar mooi overhoop gehaald, tot aan het kleinste doosje keerden ze om. Toen het zoeken niets had opgeleverd moesten wij eten voor hen koken. Ergens bij een boer hadden ze een varken gehaald, zeg maar gestolen. Het dier werd bij ons in het hok in een oogwenk gekeeld, het bloed spatte alle kanten op en daarna moesten wij de stukken spek koken. Het was één grote vuile boel, overal bloed en het vet dreef over de vloer. Ze hadden ook met handgranaten zo’n veertig pond vis voor de sluis gevangen die wij moesten schoonmaken en bakken. Ook een aantal konijnen, die ze hazen noemden, moest gebraden worden.

Het werd ’s middags twee uur voordat ze zelf wat eten kregen. Onderwijl waren de soldaten bezig de brug de lucht in te krijgen, maar dat ging niet zo vlot, want de brug was één blok beton. Tot zesmaal toe lieten ze een bakje dynamiet springen en riepen dan weer luid: ‘Dekken’. Tenslotte hadden ze een diepe scheur in het beton gekregen, maar er konden nog wel auto’s over de brug. Zo vonden ze het voorlopig wel goed. Zou het vluchten worden dan konden ze het genadeschot nog wel geven. Bij het rondneuzen hadden ze bij ons onder een afdak planken, palen en kruiwagens gevonden die ze allemaal in het water keilden en lieten wegdrijven. Het zwaardere hout wilde ze verbranden maar dat kon de baas gelukkig voorkomen, maar dan moest het wel in stukken van een meter lengte worden gezaagd. Die konden namelijk niet voor de nieuwe brug worden gebruikt. Een paar oude mannen uit Tacozijl namen dat karwei op zich. Toen kwam er een militair bij mij om de sleutel van het schuurtje aan de overkant van het water. Ik antwoordde dat de sleutel in Sloten was, vissers uit Sloten gebruikten het schuurtje om hun fuiken in te bergen. ‘Ik krijg het wel op een andere manier open’, zei de soldaat en hij vroeg z’n kameraad om een handgranaat. Hij kreeg er een maar zijn aandacht werd afgeleid en hij gooide hem spelenderwijs in het water van de kolk met als gevolg dat er weer vis boven kwam. Dat vonden de beide heren belangrijker dan het schuurtje. Daar was ik heel blij om, want de baas en de visser hadden er hun radiotoestellen verstopt. In de namiddag werd duidelijk dat de Duitsers zich niet meer lekker voelden. Onze bevrijders waren in aantocht, in Scharsterbrug werd al gevochten en even later werd Lemmer onder vuur genomen. De Duitsers liepen als verdwaasd rond, dan weer met en dan weer zonder fiets, als kippen die hun ei niet kwijt kunnen. Ze hadden opdracht gekregen te wachten op hun collega’s uit Stavoren, die de brug van Galamadammen moesten opblazen en op een groep die het kamp in Sondel moest opbreken.

Wij hadden ondertussen het nodige op de wagens geladen, want we hadden een seintje gekregen dat we weg moesten. Volgens geruchten zouden de daken van onze huizen vliegen als ze de Zijlbrug lieten springen.

Als het erop aankwam was ‘De Zijl’ één groot gezin met elkaar en samen wachtten wij dan ook op de weg bij onze spullen tot twintig voor twaalf toen de laatste Duitsers zich bij de troep hadden gevoegd en wij werden vermaand om te vertrekken. Gelukkig was het zacht weer en na een minuut of tien lopen wachtten wij bij een buurman-boer af wat er zou gebeuren. Wij voelden ons weer vrije mensen nu de Duitsers niet meer ons om heen struinden. Plotseling een harde klap en de brug vloog de lucht in. Pas na enkele ogenblikken durfden wij te kijken: de weg lag bezaaid met stukken beton en de brug zelf lag weggezakt in de Zijl. Hoe erg het ook was, we dachten: ‘Goddank”, de ‘Poepen’ zijn weg!!! Bij nader inzien stond al het andere rond de brug nog overeind en ons huis ook.

De ‘klap’ was er meer overheen gegaan, denkelijk omdat het huis wat lager lag. Slechts een stuk ijzer was tegen het luik van een venster geslagen en in de kamer doorgedrongen. Daar had het lelijk werk gemaakt, maar we hadden veel erger verwacht. Ook bij de buren viel het mee. Wij moesten eerst wat tot ons zelf komen, want al met al had het op onze zenuwen gewerkt. Tot zover mijn verhaal”.

 

WWW.GAASTERLANDINWO2.NL

De boeren uit de directe omgeving van het Kamp Eisbär in Sondel worden op 16 april ’s morgens opgetrommeld. Zij moeten zich om 11.00 uur melden bij Kamp Sondel met paarden en wagens om mee te helpen bij de ontruiming van het kamp. Om half vier ’s middags vertrekken zij met twintig wagens naar Lemmer met Duits materiaal en geweren. De boeren waren verplicht om mee te werken, de Duitsers eisten dat van hen met het geweer in de aanslag. Er zijn in ieder geval twee boeren bekend die niet hebben meegeholpen. Zij verstopten zich in een poel bij de Nörde. Eén van die twee was Stoffel Zandstra. Hij wilde in de buurt blijven van zijn vrouw Trijntje Schram, omdat zij op 14 april 1945 bevallen was van hun zoon Tjitte Zandstra. De andere niet-meewerkende boer was Wiebe de Vries. Hij wilde niet meehelpen omdat zijn vrouw Korneliske de Vries op het punt van bevallen stond. Hij kreeg gelijk want ’s avonds om negen uur werd er een dochter geboren. Zij kreeg de zeer toepasselijke namen: Wilhelmina Juliana. Wiebe de Vries had een evacuee bereid gevonden als vervanger voor hem op te treden bij de ontruiming van het kamp. Deze evacuee was niet bang uitgevallen, want hij hielp volledig mee, ondanks dat hij nog nooit met paard en wagen had gereden. Toch is alles goed gegaan. Maar na het lossen van de lading en de terugkeer in Sondel was het voor de boeren nog niet afgelopen. Zij moesten nog eens naar Lemmer met materiaal, achtergebleven militairen en geweren. De “Blitzmädels” (vrouwen bij de Wehrmacht) hoefden niet meer mee, want die waren al lang uit Sondel vertrokken.

Hâns Samplonius uit Sondel heeft in alle oorlogsjaren een dagboek bijgehouden. Hij schrijft daarin bij deze dag dat hij de gevaren aan ziet komen, want hij gaat vandaag “met de schuilkelder aan de gang”.

  

WWW.RIEDO.NL

“Om 15.30 uur vertrekken er 20 afgeladen bolderwagens – door sterke paarden getrokken - uit Sondel naar Wijckel. Hierbij zijn o.a. Jouke Smits, Hendrik Eppinga en Harmen Akkerman. ’s Avonds moeten zij weer terug naar Sondel om soldaten en materialen op te halen. De Duitse vrouwen waren al eerder weggegaan. Er waren ’s avonds ook weer Duitsers mee teruggegaan om de laatste zaken te regelen en om auto’s te verkopen.

Rond middernacht is iedereen uit Sondel vertrokken, waarbij het Duitse gevloek niet van de lucht was. Om klokslag 18.00 uur laten de Duitsers in Kamp Eisbär de radarzenders en radarstuurders in de lucht springen (Zie foto gemaakt door onderduiker J.H. Baas). Zij gooien handgranaten in de verbindingscentrale en maken de Seeburg-Auswertungstisch onbruikbaar. Commandant-Oberleutnant Hans Hauenstein gaat nu met zijn manschappen naar Lemmer. Als laatste Duitsers passeren zij de betonnen brug bij Tacozijl. Ook hier willen zij de brug laten springen maar dat lukt niet direct. Eerst wordt één bom geprobeerd maar dat is te weinig. Als een tweede maal nog een bom wordt gebruikt, lukt dat ook niet. Tenslotte worden drie bommen tegelijk tot ontploffing gebracht en dan lukt het wel. De Duitse legerbazen laten deze avond alle bruggen springen in de omgeving van Lemmer. Zij willen zo voorkomen dat het Canadese leger hen kan bereiken tijdens hun vlucht over het IJsselmeer naar Amsterdam.

De kapotgemaakte bruggen waren die van Tacozijl, Sloten (gedeeltelijk), Spannenburg, Woudsend, Scharsterbrug, Echtenerbrug, Vierhuis, Tjongerbrug, Schoterzijl en enkele bruggen in de veenpolder bij Echten. De bruggen in Lemmer zelf bleven gespaard. In Lemmer zijn inmiddels veel Duitse militairen aangekomen, die allemaal naar Holland willen vluchten. Zij zitten nu binnen een cirkel van enkele kilometers bij elkaar. De geallieerden willen voorkomen dat de Duitsers het IJsselmeer gaan oversteken en daarom worden er vanaf een uur of tien ’s avonds beschietingen uitgevoerd op Lemmer.

Er was om elf uur ’s avonds een enorme knal toen het munitiedepot op de haven getroffen werd. Daarin lag de munitie die de Sondeler boeren hadden gebracht.

DINSDAG 17 APRIL 1945

 De beschietingen gaan de hele nacht door waarbij doden en gewonden vallen. Rond vijf uur ’s morgens stoppen de geallieerden met de beschietingen als blijkt dat – ondanks de beschietingen - toch 2000 Duitse militairen het IJsselmeer zijn overgestoken naar Amsterdam. Een ander verhaal vertelt dat de Duitsers waarschijnlijk richting Kornwerderzand zijn gevlucht.

De dichte mist in deze nacht was uitermate geschikt om ongezien het IJsselmeer over te steken. Ook is bekend dat een groep achterblijvende Duitsers een dag later met een sleepboot is gevlucht naar Enkhuizen. Bij de beschietingen zijn er vijf inwoners van Lemmer omgekomen.

Een dag later kunnen de Sondeler boeren hun paarden en wagens weer uit Lemmer ophalen, want er is een noodbrug gelegd over de sluis.

De kapotte brug van Tacozijl. De foto is genomen vanaf Gaasterlandse grond. Rechtsboven ligt Lemmer. Foto gemeente Gaasterland

 

Op deze foto is de volledige brug te zien. Die stond met een bocht het land in. In 1952 is een begin gemaakt met de nieuwbouw van de inlaatsluis.

 

HANS BOS

Hans Bos vertelt verder in zijn eigen biografie ‘Een Rotterdamse Lytsfeint’:

“Nadat wij de wagen in de schuur gereden hadden, berekenden wij de schade. Zo was bij Keizer een groot stuk ijzer tegen het zijraam gekwakt. Hierna ging ik naar bed. ’s Morgens stonden er boeren uit Sondel al voor de kapotte brug. Zij wilden natuurlijk naar huis. Zij hadden in Lemmer ook al het een en ander beleefd. Die nacht was Lemmer door Canadezen beschoten. Wij hadden dat ook gehoord. Eerst was er het afvuren, dan een angstaanjagend gefluit en tenslotte de inslag. De Ned. Binnenlandse Strijdkrachten (NBS) had de munitie - die door de boeren in Lemmer in een loods was gebracht, in brand gestoken. Dat was de grote brand die ik de vorige avond had gezien. De Duitsers hadden zich daar zo goed en zo kwaad als het ging, ingescheept onder de beschieting van de ‘Canadians’. Het was daar nu een rotzooi. De Moffen schreeuwden en gilden door elkaar en daartussen liepen de koeien die ze mee wilden jatten. Paarden en wagens en alles stond daar en liep daar doorheen terwijl de NBS schoot. Het was een paniekstemming onder de Duitsers. Daarbij waren dus de soldaten die bij ons tot het laatste ogenblik een gestolen varken hadden zitten braden. Van deze soldaten heb ik de smoelen zien glimmen en druipen van de hompen spek die zij opvraten bij het schijnsel van het vuur in Keizers washok. Dat was een afschuwelijk gezicht geweest om die vreetzakken zo te zien terwijl je vader en moeder, broer en zus haast stierven van de honger. Het zal ze niet goed zijn bekomen.

V R IJ

 Ik zal verder kort moeten zijn. We hebben zelf een noodbrug geslagen met behulp van een praam in de vaart en het ingekorte hout, zodat de wagens erlangs konden. Een snelle actie van sterke boerenkerels onder commando van de oude Keizer. Wij hadden de brug later weer af kunnen breken voor het geval dat er nog meer Duitsers zouden zijn. Maar na het bericht om 12 uur dat de Canadezen in Lemmer waren, hebben we de brug versterkt en afgemaakt.

Nu was Tacozijl bevrijd en de vlag wapperde al snel op de sluis. ’s Middags naar Lemmer. Wat een gezicht daar ineens een paar bruine uniformen op de dijk te zien met een gezonde, vrolijke Canadezenkop erop, getooid met een zwierige baret. Mijn eerste woordje Engels was gauw gezegd, maar toen bleek dat het Frans sprekenden waren. Enfin, volop feest in Lemmer. Ik heb de Pool gezien die de Noordoostpolder voor grote rampen bewaard heeft. Ik heb ook een trekje genomen van een echte Engelse sigaret. Met een ondergedoken – nu weer opgedoken – Haagse politieman teruggefietst. Tegen melkerstijd, toen we al thuis waren, zag ik drie tanks van Sondel komen maar ze draaiden bij Vochteloo alweer weg. Maar toch, even later toen ik zat te melken, hoorde ik weer dat gebrom. Ik liet de koe in de steek en rende naar de dijk. Daar kwamen ze in hun lichte rupsbandgevechtswagentjes, de Canadezen. Ik heb ze hartelijk verwelkomd. Wat was ik blij.  Terwijl enkelen naar de noodbrug gingen kijken en deze versterkten, bleef ik bij de bestuurder van de eerste Canadese tank staan praten. Leuke kerel hoor. Hij had een Duitse hoge officierspet buitgemaakt. “Souvenir”, zei hij.

Hij legde mij een en ander uit van de tank en toen vertelde ik dat ik uit Rotterdam kwam. Hij vond het heel goed dat ik de Engelse taal kon spraken. Wat is zo’n HBS toch veel waard. Toen wenkte een van zijn collega’s dat hij naar de brug moest rijden. – Hij kon over onze brug – Wij hadden hem zo gemaakt:

Deze tekening is van Hans Bos zelf. Hij schreef daarbij: “Eerst een praam in het water (groot platboomd vaartuig) die feitelijk in de grond geboord had moeten worden, maar wat door de overhaaste aftocht van de Duitsers niet is gebeurd. Daarover dikke planken op balken als op- en afrit naar de oevers en als dek, en dat waren de kort gezaagde balken die wij zelf hadden staan zagen. Als de moffen dat geweten zouden hebben, dan was al dat mooie hout in de brand gegaan”.

 

HENDRIK AKKERMAN

“Aan het eind van de oorlog op 16 april moest ik op het kamp Eisbär komen met paard en twee bolderwagens. Goederen als landmijnen, geweren en munitie werden opgeladen en nu naar Lemmer. Meerdere boeren met volgeladen bolderwagens stonden klaar voor vertrek. Bij Tacozijl aangekomen werd gestopt omdat er een gapend gat in de betonnen brug was geslagen, maar we konden er net langs. De Duitsers hadden geprobeerd de brug op te blazen  wat niet lukte. Bij

foto,www.riedo.nl

deze stop had ik snel een luchtpistool met kogels verstopt in de rietkraag. In Lemmer aangekomen werden de wagen gelost in een gereedliggend schip. De Duitsers stonden erbij te kijken. Zij rookten een sigaret en stonden wat lacherig te doen, maar volgens mij waren ze erg zenuwachtig. Ook waren er veel vrouwelijke Duitse soldaten bij. Dichtbij het inladen van de geweren in de schepen, stond een groot houten gebouw. Op een gegeven moment was er een grote knal en de hele loods vloog de lucht in. De kapotte planken vlogen je zowat om de oren. Een deel van die loods lag in het water. De aanwezige Duitsers zijn snel vertrokken op de ingeladen boot over het IJsselmeer. Ik was alleen met mijn paard aan de hand Lemmer ingevlucht en verderop bij een boer in de schuur beland. Binnen kreeg ik een bord eten van de boerin, omdat ik die dag weinig tot niks had gegeten. Ik zou een hap nemen, maar naast de boerderij met voorhuis was een voltreffer in het weiland; de hele zijmuur van de boerderij lang eruit. Er waren een paar biggen dood en een koe stond op stal te bloeden met een scherf in de strot. (Mogelijk een treffer van de Canadezen die vanaf Spannenburg op Lemmer schoten). Allemaal paniek, met z’n allen de hele nacht in de kelder ondergedoken gezeten. De volgende dag waren we vrij, de Duitsers waren afgemarcheerd. De wagens zijn opgezocht in Lemmer. De (zij)planken van de wagen lagen door elkaar, zij waren nog van het gebouw dat vlakbij de haven was opgeblazen.

Op de terugweg naar Sondel bij Tacozijl aangekomen lag de gehele brug eruit, deze was de nachts opgeblazen door de Duitsers, waar wij niks van gehoord hebben. De dag ervoor was het ook al geprobeerd om de brug op te blazen en dat was niet echt gelukt. Bij de naast wonende boer Titte van der Goot zijn een paar brede mestvaaltplanken geleend en zo is provisorisch een brug gemaakt over de oude sluis. Voorzichtig werden nu het paard en de wagens er over gehaald. Vanaf de Sondelerdyk zag ik de vlaggen al wapperen in Sondel. Thuis gekomen kwam mijn vriendin Grietje al snel langs. Zij is later mijn vrouw geworden. Ik heb later nog veel last gehad van schrikmomenten. Als er een deur werd dicht geslagen dan schrok ik enorm.

Met mijn broers Jan en Pier hebben we het luchtpistool met kogels een paar dagen later opgehaald bij Tacozijl. ’s Avonds achter in het land hebben we het pistool uitgeprobeerd, maar de afgeschoten lichtkogel bleef lang hangen. De NBS zag deze kogel van veraf en zij dachten dat er nog Duitsers in de omgeving waren”.

JELTE EPPINGA

“Op 17 april was ik nog in de huiskamer toen mijn zuster Hiltsje en Christina de kamer binnen kwamen sprinten. “De Duitsers zijn weg en wij zijn al in het Duitse Kamp en in de bunkers geweest. Zie, dit vonden wij”, en Christina haalde een Duits boek onder haar trui vandaan. Hiltsje had ook wat meegenomen. “Maar wij zijn wel door de Ondergrondse weggejaagd”. Vader en moeder waren boos en zeiden: “De Duitsers hadden wel springstof kunnen achterlaten, jullie hadden ons eerst toestemming moeten vragen”.   Verder in de middag was ik bij moeder op het erf voor de boerderij om de vlag uit te steken. “Daar komen ze aan”, zei moeder. “Dat zijn de Canadezen, je moet maar tegen hen zwaaien”. Dat deed ik en die Canadezen zwaaiden terug. Ze reden in een carriër, een soort van lichte tank. Het zorgde voor een vervelend rottelend geluid. “Nu is het feest”, zei moeder, “want we zijn weer vrij”.

Dit zijn mijn herinneringen aan de oorlog. Ik heb mij in mei 1995 zo goed mogelijk geprobeerd te herinneren wat ik van die tijd nog wist.

Nb: De evacuee is een dag na de bevrijding opgepakt en heeft lange tijd vastgezeten.

 

Foto www.riedo.nl

“Zeven jaar bleef de brug zo liggen, als stille herinnering aan de laatste oorlogsdagen. In september 1952 zijn opnieuw brokstukken van de brug met springstoffen bewerkt, het water is rond de fundamenten weggepompt en enkele tientallen arbeiders begonnen de in 1928 gelegde betonlagen te verwijderen.
Tijdens de graafwerkzaamheden kwamen een paar landmijnen en een vliegtuigbom tevoorschijn. De gewaarschuwde mijnenopruimingsdienst heeft de bommen onschadelijk gemaakt”.

 

Jan Geert Vogelzang
2021