Geheim agent Cornelis Henderik (Kees) van Brink

Niemand van de Gaasterlandse bevolking of van de bezettende macht heeft in de nacht van maandag 18 november op dinsdag 19 november 1940 gemerkt dat er bij Kippenburg iemand met een parachute uit een vliegtuig is gesprongen. En dat was juist ook de bedoeling want geheimagent Cornelis Henderik (Kees) van Brink van M16 had daaraan uiteraard ook geen behoefte aan. Deze nacht was uitgezocht omdat voor een veilige landing een lichte maan noodzakelijk was. Maar Kees kon niet voorkomen dat hij bij zijn landing een koe schampte. Er werd later verteld dat de boer had gezegd dat het beest drie dagen lang geen melk had gegeven. Het Whitley vliegtuig waaruit Kees gesprongen was, had als schijnmanoeuvre tegelijk veel toffees en spotprenten uit de lucht laten vallen. De vervroegde Sinterklaasactie werd door mens en dier (de paarden lustten ook toffees!) zeer op prijs gesteld, maar de toffee-strooierij was alleen maar bedoeld om de Duitsers zand in de ogen te strooien: het was een “cover operation”.  Kees kende Gaasterland aardig goed, omdat hij door vakanties aldaar goed op de hoogte was van de plaatselijke omstandigheden.

Kees van Brink

Kees van Brink (foto) werd op 20 maart 1914 in Schiedam geboren en hij stierf op hoge leeftijd op 21 december 2004 in Sydney, Australië. Als geheimagent gebruikte hij de codenamen: VanGuard, Spin, Rakee en De Groot. Het was voor Kees van het grootste belang dat er twee betrouwbare helpers voor hem klaar stonden. Dat waren jachtopziener Jan Steffens en politieman Harmen de Jong, beiden uit Oudemirdum. Van De Jong is bekend dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in meerdere gevallen personen, die een dag later zouden worden opgehaald voor tewerkstelling in Duitsland, waarschuwde, zodat ze konden onderduiken. Van Brink was de tweede geheimagent van de Nederlandse Centrale Inlichtingendienst in Londen die naar Nederland gestuurd werd. Geheimagent Lodo van Hamel was de eerste, maar die was op 14 oktober 1940 al bij de Tsjûkemar (officiële naam voor het Tjeukemeer) opgepakt.

In deze nacht wordt Harmen de Jong, wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, postcommandant te Oudemirdum, wakker gemaakt door iemand die op de ruit klopt van zijn woning. Op 5 juli 1945 zou Harmen de Jong na de oorlog een officieel rapport maken en daarin noemt hij de nacht van 22 op 23 november 1940 als datum van eerste kennismaking. Hij gaat naar de deur en komt dan oog-in-oog te staan met Kees van Brink. De Jong laat Kees binnen. Van Brink legt dan aan De Jong uit dat hij vanuit Londen komt en hier in de omgeving uit een vliegtuig gesprongen is. Hij komt in opdracht van Hare Majesteit de Koningin om in deze omgeving zijn geheime opdracht uit te voeren. Daarvoor heeft hij een geheim uitzendapparaat bij zich. De Jong neemt het apparaat aan en Van Brink mag blijven.

Uiteraard moeten de andere huisgenoten ook op de hoogte gesteld worden van Kees zijn aanwezigheid. Vier maanden lang verblijft Van Brink zonder onderbreking bij de familie De Jong. Kees wordt steeds door de oudste zoon Nutte de Jong naar een eenzaam plekje gebracht, van waaruit hij met hulp van Nutte kan uitzenden. Nutte ziet daar wel enigszins tegenop, omdat hij goed weet welke risico’s hij loopt. Maar zijn plichtsgevoel tegenover Koningin en Vaderland geeft de doorslag.

Omdat Kees problemen krijgt met het uitzendapparaat, en daardoor worden er zeer weinig berichten naar Engeland verzonden. Na een paar draadloze berichten stopt het apparaat er mee. De opdracht van Kees is om inlichtingen te verzamelen en door te geven aan Engeland over landingsboten die bij Rotterdam klaar gemaakt worden voor de Duitse invasie op Engeland. Hij moest contact zoeken met J.A. Zaal, die hem als geheim agent moest opvolgen.

In april 1941 vertrekt Kees bij de familie de Jong naar een andere plaats in Nederland. Dat blijkt later Wassenaar te zijn geweest. Hier wonen zijn ouders. Het is een gevaarlijke plek want de overbuurman is niemand minder dan Hans Albin Rauter, de hoogste baas van de SS in Nederland. Van Brink krijgt zelfs eenmaal een lift van Rauter als hij naar Den Haag moet. Wel een daad van koelbloedigheid. Er is een plan om hem in april 1941 door de bekende Heye Schaper (ook betrokken bij Lodo van Hamel) op te laten pikken vanuit het IJsselmeer nabij het Oudemirdum Klif. Schaper en Van Brink hebben daarover al een afspraak gemaakt. Maar de Britten geven hiervoor geen toestemming. Naar eigen zeggen heeft Van Brink in totaal 46 telegrammen naar Londen gezonden.

Nadat Kees is vertrokken ruimt Harmen de Jong (foto) de geheime zender op en die wordt achter in zijn tuin begraven. Maar De Jong voelt zich nooit rustig over de verblijfplaats en verstopt de zender nog tweemaal op een andere plaats. Na de oorlog graaft hij de zender weer op. Eind november 1941 gaat Van Brink weer terug naar Engeland en waarschijnlijk via Delfzijl. Hij komt via allerlei omzwervingen na tien maanden aan in Engeland. Aan het eind van de oorlog krijgt Van Brink een betrekking bij de Nederlandse Ambassade in Zweden.

Op 14 augustus 1942 worden politieman Harmen de Jong en twee zonen, Pieter en Sake, alsnog gearresteerd door de SD van Leeuwarden. Hier worden zij naar toe overgebracht en opgesloten in het Huis van Bewaring.  Uit de verhoren blijkt al snel dat de SD - “tuig”  aldus De Jong - iets te weten is gekomen over Van Brink en de geheime zender. De Duitsers weten niet voldoende informatie weten los te krijgen om het tot een veroordeling te laten komen. De Duitsers bieden de oudste zoon Pieter grote sommen geld in ruil voor een bekentenis, maar hij houdt zijn mond.

Na een maand in de gevangenis van Leeuwarden, worden ze overgebracht naar het 'Oranje’ Hotel in Scheveningen. De Duitsers onderzoeken het gehele huis van de familie de Jong maar de geheime zender van Van Brink wordt niet gevonden. Zelfs het erf om het huis wordt met ijzeren staven omgewoeld. Gelukkig heeft de oudste dochter van De Jong de zender precies op tijd verstopt in het kippenhok achter in de tuin.De beide zonen Pieter en Sake worden na zes weken gevangenis in Scheveningen weer vrijgelaten. Harmen de Jong wordt 18 december 1942 ontslagen en dat is na vier maanden cel. Een van de beide zonen wordt later vrijwillig SS’er. Na de bevrijding heeft de familie De Jong de zendapparatuur weer opgegraven.

HET ENGLANDSPIEL VAN JANUARI 1942 TOT APRIL 1944

Bij het horen of lezen over geparachuteerde geheimagenten boven Nederland in de Tweede Wereldoorlog, denk je al gauw aan verraad dat op hen is gepleegd. Gelukkig is “onze” Kees van Brink hier geen slachtoffer van geworden. Hij was als parachuterende geheimagent al actief voordat het “Englandspiel” zoveel slachtoffers maakte. Vanaf 8 maart 1942 verstuurde een gevangengenomen geheimagent vanuit Nederland gedwongen valse morseberichten naar Engeland. Het Englandspiel is het verhaal van spionage en contraspionage tussen de Special Operation Executive (SOE) in Londen enerzijds en Nazi Duitsland anderzijds. In maart 2011 publiceerde Cees Scheepvaart en Henk Cieraad hun onderzoek daarover. Zij hebben gebruik gemaakt van 16 openbare bronnen uit de beschikbare literatuur. Het totale Englandspiel is eerst in 2041 openbaar.  Onderstaand verhaal is aangevuld met gegevens uit: https://nl.wikipedia.org/wiki/Englandspiel

In Engeland werden Nederlandse vrijwilligers geselecteerd die per parachute gedropt zouden worden om informatie te vergaderen en die via de radio door te seinen naar Londen. 1e luitenant Hubertus Mattheus Gerardus (“Huub”) Louwers* (een journalist) was opgeleid tot geheim agent en op 7 november 1941 samen met Thijs Taconis boven bezet Nederland nabij Stegeren en Beerze bij Ommen werd geparachuteerd. Hun opdracht was een morseverbinding met Londen op te zetten. Zijn eerste verbinding kwam op 3 januari 1942 tot stand. Op 6 maart 1942 werd Huub ’s avonds om half acht vlakbij zijn zendadres in Den Haag gearresteerd door majoor Hermann Giskus van de Duitse Contraspionage (Abwehr) die samenwerkte met Sicherheitsdienstcommandant Joseph Schreieder. Taconis werd 9 maart gearresteerd. Lauwers werd gevangengezet in de gevangenis te Scheveningen. Hier werd hij door Giskus verhoord en zwaar onder druk gezet om voor de Duitsers met Londen in contact te treden. De Duitsers meenden op deze manier Londen te misleiden en zodoende meer geheimagenten in handen te krijgen. Helaas liet Lauwers zich overhalen mede omdat hem gedreigd werd zijn maat Thijs Taconis te zullen doden als hij weigerde. Wel was Huub vastbesloten om iedere mogelijkheid aan te grijpen om Londen te laten weten dat hij gevangen zat. Dat kon hij doen doordat hij tijdens zijn opleiding in Engeland geleerd had om in zijn morsetelegrammen altijd een fout voor te wenden. Dit noemde men de securitycheck. Door het weglaten van die fout kon hij Londen laten weten dat hij in Duitse handen was en onder dwang het bericht verzond. Echter: Londen reageerde op het eerste morsebericht met de mededeling dat het bericht weliswaar was ontvangen maar dat hij in het vervolg wel de securitycheckprocedure in acht moest nemen!!! Hierdoor kregen de Duitsers op een dienblaadje gepresenteerd dat er een securitycheck bestond.

Vanzelfsprekend moest Lauwers nu van de Duitsers in het vervolg wel de securitycheck toepassen. Hij leidde de Duitsers om de tuin door te zeggen dat die securitycheck inhield dat hij in voorkomende gevallen het woord “stip” in plaats van “stop” moest toepassen. Zijn ware securitycheck liet hij achterwege. Echter, Londen ging (zich van geen kwaad bewust) gewoon door met de morseverbindingen. Lauwers was nu wel gedwongen om een andere mogelijkheid toe te passen om Londen te laten weten dat hij gevangen zat en dus onder dwang het spel met de Duitsers moest meespelen. Dat was erg moeilijk want Lauwers stond onder streng toezicht van een Duitse zendspecialist als hij berichten naar Londen verstuurde en binnenkreeg. Op 8 maart 1942 moest hij een morsetelegram uitzenden. Hij maakte zogenaamde fouten in het telegram die opvolgend vielen op de 16e letter. Deze morsefouten vormden het woord “C.A.U.G.H.T.” wat inhield: “I am caught” (Ik zit gevangen). Het was de toezichthoudende Duitser Haubrock opgevallen dat Lauwers veel fouten maakte maar hij wist Haubrock te overtuigen dat hij zijn dag niet had. Gelukkig viel het de Duitser niet op dat de fout steeds bij de 16e letter voorkwam. Dit was het eigenlijke begin van het Englandspiel dat door de Duitsers “Dossier Nordpol” of Action Nordpol” werd genoemd. Hoewel Lauwers alles in het werk stelde om te laten doorschemeren dat hij gevangen zat, veranderde de houding van Londen in het geheel niet. Op 28 maart 1942 voorzag hij uit wanhoop een uitgaand morsebericht weer van zogenaamde morsefouten. In de eerste fout gebruikte hij de letters “CHT” en aan het eind van het bericht de fout “CAU”. Uiteindelijk waagde hij in het midden van 1942 drie berichten te voorzien van het woord “CAUGHT”. Gelukkig is dat de Duitsers ontgaan. Wat hij ook deed: Niets hielp want Londen volhardde in haar werkwijze. Intussen vielen vele geheimagenten in Duitse handen en vele verzetsmensen liepen tegen de lamp. De Duitsers lieten via morseberichten aan Londen weten dat er behoefte was aan telegrafisten en andere zaken. Er werd dan via de BBC (Britse Radio) met een codewoord een dropping aangekondigd op een bepaalde plaats en een bepaald tijdstip. Als dan zo’n dropping plaatsvond, dan werd het droppingsterrein door de Duitsers van tevoren omsingeld. De gedropte geheimagenten werden onmiddellijk gevangengenomen en de gedropte zaken zoals zendapparatuur, wapens, geld etc. werden in beslaggenomen. Op deze wijze zijn 59 geheimagenten de dupe geworden van de Londense ondoordachtzaamheid. Het merendeel van deze geheimagenten werd in het Groot Seminarie in het Noord-Brabantse Haaren ingesloten. Tussen 6 en 8 september 1944 werden 54 van hen geëxecuteerd of op andere wijze om het leven gebracht. Dankzij Giskus werd Lauwers in Haaren achtergelaten terwijl zijn kameraden via Kamp Vught naar Mauthausen werden afgevoerd. Lauwers werd op 26 april 1945 in het Duitse Rathenow door de Russen bevrijd. Na de oorlog werd Lauwers door Koningin Wilhelmina onderscheiden en ook door Generaal Montgomery speciaal onderscheiden.  Huub Lauwers is zichzelf altijd blijven afvragen hoe dit alles heeft kunnen gebeuren dat er van Engelse zijde nooit op zijn valse morseboodschappen is gereageerd. * Huub Lauwers was 9 juli 1915 in Amsterdam geboren en op 13 juni 2004 in Utrecht overleden.

Na 2000, toen de Britse archieven gedeeltelijk toegankelijk werden, kwamen er aanwijzingen dat de SOE hiervan wel degelijk op de hoogte was en bewust agenten bleef sturen, wetende dat deze direct in Duitse gevangenschap zouden belanden. Het doel was waarschijnlijk om de Duitsers te laten geloven dat geallieerde troepen plannen hadden voor een spoedige invasie. Op deze manier zou overplaatsing van Duitse troepen naar het Oostfront zijn voorkomen, een opzet die ook inderdaad is geslaagd. Echte concrete bewijzen voor deze dubbelspeltheorie zijn overigens nooit geleverd. Bovendien achten velen die betrokken zijn geweest bij Britse inlichtingendiensten, het niet erg waarschijnlijk dat men op deze wijze, behalve de Nederlandse agenten, ook vele Engelse landgenoten in levensgevaar zou brengen, zoals piloten en bemanningen van neergeschoten vliegtuigen. Daarentegen is wel bevestigd dat de SOE door diverse collega-inlichtingendiensten, zoals MI6, beschouwd werd als een onervaren en niet erg professioneel opererende dienst, waar men liever niet mee wilde samenwerken. Het einde van het Englandspiel begon op 31 augustus 1943 toen twee agenten (Ben Ubbink en Peter Dourlein) uit kamp Haaren te ontsnappen. Zij slaagden erin de Britten te waarschuwen dat het hele Nederlandse marconistennetwerk in Duitse handen was. Ubbink en Dourlein gingen via Zwitserland naar Spanje en vlogen vandaaruit naar Engeland. Na aankomst werden zij verhoord en aanvankelijk zelfs vastgezet op verdenking van contraspionage. Dit werd veroorzaakt door een vals bericht dat de Duitsers via het netwerk aan Londen hadden verzonden na de ontsnapping van Ubbink en Dourlein, waarin werd vermeld dat twee dubbelagenten zogenaamd waren ontsnapt en contact zouden zoeken met Londen.

Volgens Giskes werden de boodschappen in december 1943 nietszeggender en matter. Agenten werden al lang niet meer gedropt en ook de wapenzendingen waren inmiddels stopgezet. De Duitsers concludeerden ten langen leste dat hun opzet was doorzien. Op 1 april 1944 kwam aan het Englandspiel een einde met een cynische slotboodschap van Duitse zijde, waarin door Giskes een warm welkom werd beloofd aan eventuele toekomstige agenten die door de Britten zouden worden gezonden. Dat de boodschappen nietszeggender werden en er geen droppings meer plaatsvonden, valt ook goed te verklaren vanuit het perspectief van de Britse afleidingsmanoeuvre, die het Englandspiel naar alle waarschijnlijkheid in werkelijkheid was. In december 1943 was het gevaar van overplaatsing van Duitse troepen naar het Oostfront inmiddels geweken, en waren de voorbereidingen voor een echte invasie in West-Europa in volle gang. Daarbij waren nieuwe afleidingsmanoeuvres bedacht door de Britten en Amerikanen, die de Duitsers moesten doen geloven in een invasie bij het Nauw van Calais, en niet in Normandië.

PACHTRECHTKWESTIE      

Voor de vader van C.H. van Brink uit Wassenaar was er na de bevrijding nog een affaire met de gemeente Gaasterland. Voor de vader van C.H. van Brink uit Wassenaar was er na de bevrijding nog een affaire met de gemeente Gaasterland. In het ongedateerde verslag van een vergadering van Burgemeester en Wethouders van Gaasterland in augustus 1945 werd melding gemaakt van een probleem bij de aan de vader te verpachten jachtrechten in Gaasterland. Het college besloot hem geen nieuw jachtrecht te verlenen. Van Brink Sr. zou niet correct geweest zijn in de oorlog doordat hij bestuurslid was geweest van de niet altijd correcte Nederlandse Jagersvereniging. Hij was in Gaasterland al eens gesignaleerd tijdens het jagen in gezelschap van NSB’ers. Bij aankomst in Gaasterland kwam hij in een auto met een hakenkruisvlag waarbij hij vergezeld was van een Duits officier. Van Brink was in de Gaasterlandse Burgemeester en Wethouderscollege uitgenodigd om het afwijzende besluit aan te horen. Hij zei dat hij in 1944 voor de Jagersvereniging had bedankt. Die Duitse officier was geen Duits officier geweest maar zijn vriend Mr. Kaal. Laatstgenoemde had onderweg een hakenkruis op de auto gemonteerd. Hij had spijt van alles. Als goede daad had hij ervoor gezorgd dat O. Monsma geen streekjager was geworden omdat deze Pro-Duits was. Hij had er mede op aangedrongen dat W. Beuckens de functie had gekregen.

Burgemeester en wethouders handhaafden toch hun afwijzing.

Hieronder een gedeelte van een verslag over zijn functioneren als geheim agent, geschreven door C.H. van Brink zelf in de Engelse taal. Het verhaal is vanuit het Engels vertaald door Aletta Stevens.

HOOFDSTUK I – AUSTRALIE

Op een kille avond in november 1940 ben ik na een afwezigheid van vier jaar op een enigszins onorthodoxe manier teruggekeerd naar Nederland, mijn vaderland. In november 1936 was ik naar het verre Australië gevaren om mijn geluk te zoeken, waarin ik redelijk succesvol was. Dat veranderde toen in september 1939 de oorlog uitbrak. Hoe ik verwikkeld ben geraakt bij dit vreemde en enigszins riskante avontuur om per parachute terug te keren in plaats van op een acceptabelere manier van reizen, moet ik eerst even uitleggen. Ik ben altijd wat men gewoonlijk noemt ongebonden geweest. Al vanaf jonge leeftijd wilde ik uitvinden wat er zich in de rest van de wereld afspeelde; niet alleen in Europa, maar vooral in de vergelegen werelddelen: Amerika, Afrika, Australië en alle landen daar tussenin. Hoewel ik op school geen buitengewoon goede leerling kon worden genoemd, wilde ik graag talen studeren, want als ik de wijde wereld in zou gaan, zou ik die hard nodig hebben en vooral kennis van de Engelse taal was van groot belang.

Dus toen ik 13 of 14 jaar was, had ik een enorme voorsprong op mijn klasgenootjes en las, sprak en luisterde ik zoveel mogelijk naar het Engels. Ik was aan een uitgebreide correspondentie begonnen met jongeren in Amerika, Canada, Zuid-Afrika en Australië, alsook in Engeland. Ik had aan de redacteur van verscheidene kranten in die landen geschreven om te vragen of ze mij in contact konden brengen met jongeren die bereid waren hun “meningen” met mij uit te wisselen. De resultaten waren overweldigend. Ik herinner me dat de postbode op een avond aan de deur belde bij ons in Wassenaar en wel negentig of honderd brieven uit Australië bezorgde. Enorme opwinding en enige gêne! Welke brieven moest ik kiezen om een regelmatige correspondentie mee te beginnen? Ik moet vele tientallen antwoorden hebben geschreven en hele weekends hebben doorgebracht met het opstellen van fatsoenlijke antwoorden of alleen berichten van ontvangst, en al mijn zakgeld aan postzegels hebben uitgegeven. De meeste van deze contacten zijn na een poosje opgedroogd, maar twee ervan bleven trouw. De ene was Harry Renfree, die in Melbourne woonde en rechten studeerde. Hij was geïnteresseerd in de studie van het Nederlands, aangezien het de buitenlandse taal van een aangrenzend land was, Nederlands-Indië. Wij stuurden elkaar brieven over en weer; hij voornamelijk in het Nederlands en ik in mijn ontluikende Engels. Harry is trouwens de juridische wereld ingegaan en heeft zijn carrière als ‘Solicitor General’  (advocaat-generaal) in Canberra beëindigd. De andere was Arthur Dibley, die toentertijd voor een herbebossingsbedrijf in Sydney werkte. Arthur is later bij de Australian Broadcasting Commission (Australische Omroep) gaan werken en programmadirecteur geworden. In 1932 is Arthur meegegaan met zijn ouders, die “naar huis” gingen, zoals men in Australië in die tijd een bezoek aan Groot-Brittannië noemde. Mijn ouders vonden dat ik mijn Australische penvriend moest uitnodigen om bij ons te logeren, aangezien het slechts een korte reis van Londen was. Dit gebeurde en Arthur bracht ongeveer een week bij ons door in een zuiver Nederlands gezin, waar weinig of geen Engels werd gesproken, afgezien van mijn vrij beperkte vocabulaire. Zo had ik daadwerkelijk een van mijn verre vrienden ontmoet en hierdoor was ik nog vaster besloten om naar deze vergelegen plaatsen te reizen.

Ook een ander contact met Australië werd tastbaarder. De ouders van Harry Renfree’s verloofde kwamen naar Nederland. Meneer Sykes was fietsenfabrikant in Melbourne en had enige zakelijke contacten in Nederland. Hij en zijn vrouw hebben ons ook opgezocht - waarschijnlijk in 1933 – en ook dit was persoonlijk contact met dat vergelegen opwindende Australië! Hoe kon ik mijn plannetjes uitvoeren om die verre plaatsen te bezoeken? Het eerste probleem was geld. Mijn vader was wat dat betreft niet erg behulpzaam, maar mijn moeder gaf enige materiële en bovenal morele steun. Maar het volgende probleem was militaire dienst. In de meeste landen op het Europese vasteland, en Nederland was daarop geen uitzondering, hadden we, en hebben we nog steeds, dienstplicht. Afhankelijk van het onderwijs dat je had genoten, had je keuze tussen gewoon soldaat zijn, waarvoor je in die tijd vijfenhalve maand moest uittrekken, of een langere dienst om een aangestelde of niet-aangestelde officier te worden.

Dat betekende in mijn geval dat ik een jaar zou “verliezen” wanneer ik twintig werd. Eerlijk gezegd namen we deze dienst niet erg serieus en hebben latere gebeurtenissen aangetoond dat het Nederlandse leger bij de mobilisatie niet erg effectief was en niet tegen de fanatieke Duitsers was opgewassen.

In sommige opzichten had ik geluk. In 1934 ging ik in militaire dienst in Leiden, wat maar ongeveer een half uur fietsen van mijn ouderlijk huis was.

Het weekend kon ik bij mijn ouders doorbrengen en dan van mijn moeders kookkunst genieten. Al met al was de militaire dienst niet zo zwaar en de tijd ging snel om. Tegen de tijd dat ik uit dienst ging, was ik als sergeant verbonden aan het vierde infanterieregiment. Inmiddels was het 1935 en kon ik beginnen met mijn plannetjes om weg te komen en de wereld daadwerkelijk te verkennen. Ik maakte mijn studie af en werkte een poosje bij een bank in Den Haag, waar ik het grootste deel van de tijd op de afdeling deviezen doorbracht.

Mijn vader wilde echter graag dat ik bij hem op de zaak in Rotterdam zou komen werken, die zich bezighield met de import en verkoop van verschillende soorten suiker, gedroogde vruchten, enz. Ik had geen enthousiasme voor dit bedrijf zaak en heb het er niet lang kunnen uithouden. In de loop van 1936 regelde ik de vertegenwoordiging van Nederlandse bedrijven in Australië, waarin ik slechts gedeeltelijk succesvol was. Niettemin had ik tegen het einde van dat jaar een kleine portefeuille van bedrijven die graag naar Australië wilden exporteren. Daartoe behoorden bloembollen en zaadjes, evenals Nederlandse sigaren en jenever, waarvan ik dacht dat er in Australië een markt voor zou zijn. De Dibleys hadden me uitgenodigd om bij hen te logeren als ik in Sydney zou zijn, en de Wheelers, de ouders van een andere penvriend, Ben Wheeler, boden ook hun gastvrijheid aan, mocht ik bij hen in de buurt komen. Tenslotte had ik een klein vermogen opgespaard, waarvan ik dacht dat het genoeg zou zijn om enige tijd in Australië door te brengen en, wat nog belangrijker was, genoeg om mijn bootreis te betalen. Het was een van de nieuwe vrachtschapen van de Holland-Australië lijn, de Aagtekerk. Deze schepen hadden passagiersaccommodatie voor 12 personen in goede hutten. Het ticket bedroeg ongeveer vijftig pond, wat goedkoop was voor een reis die ruim acht weken zou duren, vooral daar de passagiers in die tijd onderdak en maaltijden kregen. Uiteindelijk vertrok ik op 13 november 1936, uitgewuifd door familie en vrienden. Na Rotterdam stopten we korte tijd in Antwerpen en gingen vervolgens door naar Genua en Algiers. Via het Suezkanaal (Port Said was heel spannend) en toen door naar Brits-Indië – Karachi, Bombay en verscheidene havens daar tussenin. Toen staken we de Indische Oceaan over en kwamen we in de eerste Australische haven aan, Fremantle! Na zes weken reizen was dit dan eindelijk Australië!

In september 1939 brak de oorlog uit. Ik was net terug uit Nederlands-Indië waar ik de bruiloft van mijn zus Jeanne op Java had bijgewoond. Zoals ik al eerder heb vermeld, was ik sergeant in het Nederlandse leger en werd ik als zodanig opgeroepen toen het land werd gemobiliseerd. De Nederlandse regering was echter duidelijk niet bereid om mijn overtocht te betalen en stuurde me een telegram om niet aan de oproep gehoor te geven. De oorlog veranderde het leven voor iedereen en wij waren daar geen uitzondering op. Door de importbeperkingen werd het onmogelijk om onze bloembollen en zaadjes uit Nederland te krijgen, maar ik kon wel op een andere manier geld verdienen. De Australian Broadcasting Commission was begonnen met buitenlandse uitzendingen in verschillende talen, waaronder Nederlands. Ze waren op zoek naar een presentator die goed Nederlands kon spreken. Ik solliciteerde en werd aangenomen. Dit betekende dat ik elke dag, inclusief in het weekend, twee keer het nieuws moest lezen, één keer om 6 uur ‘s avonds voor Nederlands-Indië en één keer om middernacht wanneer het nieuws voor Nederland zelf werd herhaald. Ik kreeg de tekst normaliter in het Engels om twaalf uur. Die werd dan vertaald en uitgetypt door Chelly Slade. Dan moest ik op het aangewezen uur naar de A.B.C. studios in Market Street.

De tijd tussen de twee sessies moest ik zelf vullen en zo heb ik in die maanden waarschijnlijk elke film in Sydney gezien! Ik had ook nog op een andere manier geluk. Als Nederlander, zo had de Consul-Generaal aan A.B.C. uitgelegd, kon ik niet in dienst worden genomen door een Australische overheidsinstantie, maar mocht ik wel als “kunstenaar” werken, waarbij ik voor elke “opvoering” werd betaald, wat neerkwam op vijf guineas per avond, veel meer dan ik als werknemer van A.B.C. zou hebben ontvangen. Rond deze tijd ontmoette ik een vriend van de Dibleys, Harry Cerutty. Samen met nog een andere kerel, Colonel Surman, maakte hij plannen om mica uit te graven in de Harts en MacDonnell bergketens in Midden-Australië. Sommige mijnen stonden onder leiding van Grieken en Italianen. Ik herinner me dat een van de mijnen de Caruso-mijn werd genoemd en het was de bedoeling om de productie te kopen en het – met sikkels bijgesneden en gespleten – in Adelaide te bewerken.

Ik had er wel interesse in en gezien dit onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog was en het minder goed ging met onze zaak, besloot ik om mee te doen. We vertrokken in een kleine vrachtwagen en kampeerden op weg naar Alice Springs. Het was een heel avontuur en ik heb toen meer van het binnenland van Australië gezien dan ooit ervoor of erna. Vanwege de oorlog werd mica erg duur en we slaagden erin om een deel van het product op de metaalbeurs van Londen te verkopen, en later aan Philips voor gebruik in radiobuizen. Het leven ging gewoon door totdat we op een ochtend in mei 1940 in de krant lazen dat de Duitsers Nederland en België waren binnengevallen! Wat moesten we doen? Ik besloot om mijn zaak achter te laten en die toe te vertrouwen aan mijn partner, Danny Slade. Ik boekte mijn reis, regelde een Amerikaans transitvisum en bereidde mij erop voor om naar Nederland terug te keren. Na een paar dagen hoorden we echter dat Nederland door de vijand was veroverd en in plaats van daarnaartoe te gaan, besloot ik naar Engeland te gaan. Met een aantal van mijn Nederlandse vrienden had ik besproken wat we zouden doen als Nederland bij de oorlog betrokken zou raken, hetgeen we als vrijwel onvermijdelijk beschouwden. Vreemd genoeg was het algemene gevoel in Nederland in die tijd dat zich een herhaling van de Eerste Wereldoorlog zou kunnen voordoen toen Nederland neutraal was gebleven.

Maar voor ons die ver van Europa af woonden en de dingen daardoor misschien juist duidelijker inzagen, bestond er weinig twijfel dat de gek die Duitsland regeerde geen rekening zou houden met de kleinere Europese landen. Dit standpunt werd nog versterkt toen Hitler Noorwegen binnenviel en Denemarken overnam. Toen Nederland op 10 mei 1940 echter toch bij de oorlog betrokken raakte, besloten mijn vrienden te blijven en was ik uiteindelijk genoodzaakt om alleen te gaan.

Het kostte weinig tijd om mijn vertrek te regelen en met veel spijt nam ik afscheid van mijn vrienden en associés, en bereidde ik mij erop voor om Australië te verlaten, waar ik drieënhalf bijzonder interessante jaren had doorgebracht. Het zou achttien jaar duren voordat ik weer zou terugkeren.