Het jaar 1946

WOENSDAG 16 JANUARI 1946 

De gemeente Gaasterland gaat niet over tot herbenoeming van jachtopziener J. Steffens. Wat de reden daartoe is geweest is niet bekend. Op verzoek van de Jagersvereniging wordt hij op 5 maart 1946 toch herbenoemd.

VRIJDAG 16 FEBRUARI 1946

In Hotel Boonstra te Balk richt de afdeling Gaasterland en Sloten een afdeling op van de Bond voor Ondergedoken Oud-militairen. Staande de bijeenkomst worden direct 20 aanwezigen lid van de nieuwe afdeling. Het bestuur bestaat uit: H. Kobus, voorzitter; A. van der Meer, secretaris en Pieter de Jong, penningmeester.

DONDERDAG 22 MAART 1946 

Doede Martens Kok

Op 22 maart 1946 werd om 12.00 uur in Kamp Sondel ontdekt dat gevangene Doede Martens Kok uit Lemmer zichzelf van het leven had beroofd (zelfdestructie). Wachtmeester Klaas Walda heeft – uit eigen wetenschap – de overlijdensaangifte gedaan bij de gemeente Gaasterland. In het Boek “Strijders, Onderdrukkers en Bevrijders” is ten onrechte geschreven dat Kok in Fochteloo is gestorven.

Doede Kok – bijnaam Rooie Doede - was 15 april 1886 in Lemmer geboren als zoon van Marten Kok en Elske Spinmuis. Hij was daar op 18 juni 1914 getrouwd met Andrieske Eenkoren en het echtpaar had één dochter. Hij is zijn hele leven in Lemmer blijven wonen. Hij woonde op de Nieuwedijk 44 en was Pro-Duits.  Op 15 maart 1913 was hij aangesteld als nachtwacht bij de gemeente Lemsterland. In 1917 volgde zijn benoeming tot gemeenteveldwachter en daarna klom hij op tot chef-veldwachter.

Hij had de functie van politieman en gemeentelijk bevolkingscontroleur in Lemmer uitgeoefend en daarover waren onduidelijkheden ontstaan en daarom werd hij in Kamp Sondel opgenomen.  Het NSB-lidmaatschap van Kok is nooit definitief vastgesteld. Kok verleende assistentie bij het oppakken van Joden. Maar ondanks zijn minder gunstige reputatie heeft hij enkele onderduikers geholpen aan onder meer identiteitsbewijzen. In afwachting van zijn verhoor pleegde hij zelfmoord.

In het proces-verbaal 1337 d.d. 13 juli 1945 ontkende hij tegenover de politieke opsporingsdienst dat hij zich schuldig had gemaakt aan het opsporen van onderduikers. Er waren al eerder rechtszaken geweest en Kok kende de uitslag hiervan. Hij was daarvan erg geschrokken, vooral van de opgelegde straffen: langdurig werken in de Limburgse mijnen. Dat angstbeeld had geleid tot zijn zelfmoord, zo luidde de officiële lezing. De eerste rechtszaken hadden al plaatsgevonden en hij was erg geschrokken van de uitspraken en vooral van het feit dat veelvuldig lange straffen werden uitgedeeld voor het werken in de Limburgse mijnen. Dat was zijn angstbeeld geweest, zo was de onofficiële lezing.

ZATERDAG 1 JUNI 1946 

Op 1 juni 1946 telde het kamp Sondel nog 374 delinquenten. De oppassers waren leden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. De NBS werd later werd omgevormd tot het nieuwe Korps Hulppolitie.

In de Balkster Courant stond die dag een ingezonden oproep:

“De graven van de in en bij Gaasterland gevallen geallieerde soldaten, die binnen deze gemeente ter aarde zijn besteld, worden van rijkswege onderhouden, d.w.z. de graven worden in behoorlijke staat gehouden.  Echter kan noch het rijk, noch de gemeente aan deze graven dié kleine zorgen besteden, die de familie van de gesneuvelden zelf aan de laatste rustplaats van hun nabestaanden zou doen toekomen.  Zelf zouden zij, indien zij daartoe in staat waren, b.v. op de algemene gedenkdagen en de bijzondere data, verjaardag, dag van overlijden, enige bloemen op het graf neerleggen. Een dergelijke liefdedienst kan uiteraard slechts een persoonlijk blijk van medeleven zijn.

Het comité oorlogsgraven stelt zich ten doel, in de verzorging der graven die persoonlijke noot te brengen, die deze tot nu toe misten. Personen, die een graf willen “adopteren” om dit te verzorgen alsof dit van een der hunnen was, kunnen zich daartoe aanmelden bij een der leden van het gemeentelijk comité voor de oorlogsgraven, die verder alle gewenste inlichtingen zal verschaffen. Het is een nationale plicht van dankbaarheid, dat geen graf van een geallieerde soldaat zonder de bijzondere verzorging van een adoptiefgezin blijft. Meldt U derhalve aan.

Het plaatselijk comité voornoemd,
Jkvr. Q.J.J. Van Swinderen
Pastoor G.F. Wartna
Mevr. Verdam-Höweler
Baron thoe Schwartzenberg”

DINSDAG 4 JUNI 1946 

De gedetineerde J. Bajema zag ‘s middags kans het kamp in Sondel te ontvluchten. De vrijheid duurde slechts kort; reeds dezelfde avond werd hij weer in verzekerde bewaring gesteld dankzij de activiteit der politie.

 DINSDAG 16 JULI 1946

Vandaag kwam een boot met geroofde kerkklokken uit de omgeving van Gaasterland aan in de haven van Sloten. Daarbij was de kleine “alarm”klok van Sloten. De grote klok is niet teruggekomen. Er kwam weer een nieuwe. Uit meerdere offertes werd aan de firma Van Bergen uit Heiligerlee op 24 juni 1946 de opdracht gegund voor het maken van een grote klok.  De firma had een  carillons-, luidklokken- en torenwerkfabriek. De totale kosten waren f.1149,75. Gespecificeerd was dat voor transport f. 125,00; het aanbrengen van de luidas f. 33,75; 42 letters x f.0,50 = f. 21,00 en f. 970,00 voor 1 kloktoon met doorsnede van 68 centimeter voor een klok van 200 kilogram à 4,85 per kilogram, ruw gegoten. De klok had de toon “d” en de duur van het uitklinken was vastgesteld op 45 seconden. Deze nieuwe klok is in de toren opgehangen op 15 juni 1949. Het klokopschrift luidt: “Dominus Castellum Nostrum” en: “God hoedzje Sleat”. De Latijnse spreuk is ontleend aan het wapen van Sloten, het kasteel of de burcht. De vertaling is “De Here is onze burcht”. Het klokopschrift is derhalve een belijdenis “De Here is onze burcht” alsmede de bede: “God behoede Sloten”. Voort staat in de klok het jaartal 1949 en de naam van de fabriek. De gestolen klok had als opschrift: “Petrus Overney Me Fecit Leovardiensis 1681”. Hieronder was het gemeentewapen en daaronder ”Door order van de Magistraat van Sloten ben ick gegoten”.  (Pieter Izaaks Overney was klokkengieter in de periode 1670-1711).

Op de boot was o.a. de klok van het gemeentehuis in Balk.  Het klokje van de familie Van Swinderen in Rijs, dat aangeboden was bij door de Gaasterlandse bevolking bij het 100-jarige jubileum van huize Rijs, is door onderduiking behouden gebleven en bevindt zich weer in huize Rijs. Het “Rûgehúster bingeltsje” is eveneens behouden gebleven. Het had enkele jaren in Balk gelegen. Het deed dienst als klok op het Werkkamp Elfbergen.

In de Leeuwarder Courier worden de aantallen genoemd per 1 juli 1946 van personen die in Friese interneringskampen verblijven.

Vliegveld Leeuwarden 643
Harlingen (Barka) 549
Sondel 374
Wolvega (Wierda) 293
Ericadorp 209
Heerenveen (Crackstate) 162
Leeuwarden (Gevangenis) 72
Hemrik (Sparjebird) 48