Vervalste persoonsbewijzen

GAASTERLAND VERVALSTE PERSOONSBEWIJZEN 1943-1945

Een persoonsbewijs (PB) was tijdens de Tweede Wereldoorlog een machtig en dodelijk bureaucratisch instrument van de nazi’s voor het oppakken van joden, onderduikers en verzetsstrijders. Burgers konden geen distributiekaart krijgen als er niet een persoonsbewijs getoond kon worden. Het is dan ook geen wonder dat er aan vervalsingen gedacht en gedaan werd en overvallen op distributiekantoren werden gepleegd.

HOE KWAM EEN PERSOONSBEWIJS TOT STAND

Om de totstandkoming en de waarde van persoonsbewijzen in die oorlogstijd aan te geven, is het houden van een bevolkingsregister bij een gemeente essentieel. Zonder deze boekhouding had een persoonsbewijs geen enkel nut. De Duitsers hadden het grote geluk dat Nederland in 1939 zijn bevolkingsadministratie prima centraal in orde had gekregen. Hiervan werd door de Duitsers met groot enthousiasme gebruik gemaakt zodat een deugdelijk persoonsbewijs aan iedere burger kon worden afgegeven. Het is eerst van belang te weten hoe de gegevensbron voor een persoonsbewijs (“PB”) in elkaar stak.

De bevolkingsboekhouding was in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog eigenlijk nog niet goed en uniform geregeld. De gemeenten waren verantwoordelijk voor het bijhouden van het bevolkingsregister, maar het stelsel was verre van compleet en zorgvuldig. Vanaf 1830 tot in het begin van de jaren dertig van de 20e eeuw werden eenmaal per 10 jaar alle inwoners in een gemeentelijk woningregister ingeschreven. Die inschrijving gebeurde als de ambtenaar ter plekke aan de deur kwam. Per adres werden de bewoners genoteerd en kon een persoon alleen worden opgespoord als alle woningbladen stuk-voor-stuk werden nageplozen.  Er was geen controle met de registers van de Burgerlijke Stand. Voor een verhuizing of iets dergelijks hoefde men niet naar het gemeentehuis. Voor verhuizing naar een andere gemeente zorgde de oude gemeente niet voor doorzending van de gegevens. Men kon zich weer in een andere gemeente inschrijven eventueel met andere gegevens.

Het moest dus anders en beter.

De regering riep in 1928 een commissie in het leven om tot verbetering te komen. Na enkele verwikkelingen stelde de Nederlander Jacobus Lambertus Lentz  (1894-1963) 1) een algemene regeling op: het Besluit Bevolkingsboekhouding 1936. Dit besluit legde aan de gemeenten de plicht op om met ingang van 1 juli 1936 voor elke inwoner een aparte kaart met gegevens aan te leggen. Tevens werd een Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters opgericht waarvan de eerdergenoemde Lentz het hoofd werd. Lentz ontving in die tijd een koninklijke onderscheiding voor zijn werk rond het bevolkingsregister. Door zijn activiteit was een standaard systeem van bevolkingsregistratie ontstaan.

Er werd nu in de periode 1936-1939 in alle gemeenten hard gewerkt om alle gegevens uit de woningregisters over te brengen op een individuele persoonskaart. De individuele gegevens moesten ook nog eens met de akten van de Burgerlijke Stand van eigen gemeente gecontroleerd worden. Voor Gaasterland betekende dat er 6700 persoonskaarten alfabetisch lexicografisch moesten worden aangelegd. Daarna moest de kaart intern worden gecontroleerd. Er kwam een paraaf op de kaart door de daartoe aangewezen ambtenaar van de burgerlijke stand. De gemeente Gaasterland heeft hier een viertal personen extra voor ingeschakeld om de klus op tijd af te krijgen.

In Nederland was de overheid in 1939 trots op het feit dat alle gemeenten nu hetzelfde registratiesysteem hadden en elkaar onderling de gegevens op kaarten konden uitwisselen. Nu was iedereen in de kaartenbak gemakkelijk te vinden doordat alle namen in alfabetisch-lexicografische volgorde waren gerangschikt. De koppeling tussen de Burgerlijke Stand en het bevolkingsregister was nu klaar. De Burgerlijke Stand werd de “foto” van de eenmalige gebeurtenis zoals geboorte, huwelijk en overlijden. De “foto” werd bijgewerkt in het bevolkingsregister en dat werd “film” met de persoonskaart die je hele leven met je meereist.

Al vrij snel na de Duitse inval kregen de Duitsers door hoe de Nederlandse ingezetenen gemakkelijk te vinden waren en ook nog wel met de juiste gegevens. Hiervan moest gebruik gemaakt worden door iedereen een persoonsbewijs te geven.

HET PERSOONSBEWIJS

Lentz wilde echter nog een stap verder. Hij wilde nu ook een sluitend systeem waarbij de identiteit van de inwoners in het maatschappelijke verkeer onomstotelijk vaststond. In een dergelijk systeem moest ieder zich op elk moment kunnen legitimeren. Elke Nederlander zou een deugdelijk identificatiebewijs bij zich moeten dragen. Een departementale commissie, waar Lentz lid van was, beval dit sterk aan. De regering wees dit voorstel in maart 1940 echter als in strijd met de Nederlandse tradities van de hand. Een algemene identificatieplicht zou veronderstellen dat elke inwoner een potentiële misdadiger is. Wel werd met medewerking van Lentz de distributiestamkaart (“DSK”) voorbereid met oog op eventuele voedselrantsoenering.

Lentz was over de afwijzing van de identiteitskaart diep teleurgesteld. Hij zou zijn kans enkele maanden later echter alsnog krijgen. De bezetter had wel belang bij een sluitende maatschappelijke identificatie. Vooral op twee onderdelen maakte Lentz zich verdienstelijk voor de bezetter. In de eerste plaats wist hij een persoonsbewijs te ontwerpen dat zijn weerga niet kende. In de tweede plaats wist hij aan de bezetter het materiaal aan te leveren over Joodse en niet-Joodse landgenoten. Daarnaast heeft Lentz belangrijk bijgedragen aan de introductie van de tweede distributiestamkaart, die ervoor bedoeld was om ondergedoken mensen van voedseldistributie af te snijden. Op onder andere deze drie punten was Lentz voor de bezetter van onschatbare waarde.

DE INVULLING VAN EEN PERSOONSBEWIJS

In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog was het aanvragen en bij zich dragen van een paspoort - of andere identiteitspapieren - een vrije keuze. Na de inval van de Duitsers in 1940 veranderde dit drastisch. Vanaf april 1941 waren alle Nederlanders vanaf 15 jaar, zowel joden als niet-joden, verplicht een identiteitsbewijs bij zich te dragen. Op het document van joden stond nog aan beide kanten een zwarte hoofdletter ‘J’, waardoor ze makkelijk te herkennen waren. Als ambtenaar bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken introduceerde Lenz de naam Persoonsbewijs (geen Ausweis) 2) en ontwikkelde hij op obsessieve wijze een technisch geavanceerde identiteitskaart. Voorzien van pasfoto en vingerafdruk was het vergeleken met alle andere bezette landen in Europa het moeilijkst te vervalsen. 3) Lentz koppelde het Persoonsbewijs aan de gegevens uit de gemeentelijke Bevolkingsregisters, waardoor de echtheid van een document gemakkelijk te controleren was.

Om het kopiëren moeilijker te maken werd een schaduwarchief van de persoonsbewijzen bijgehouden, zodat vervalste nummers zouden opvallen (deze nummers staan geheel bovenaan het persoonsbewijs). Wilde men een perfecte vervalsing maken, dan moesten de corresponderende nummers in het persoonsbewijs overeenkomen met de nummers in een archief dat in Huize Kleykamp in Den Haag werd bewaard. Dit archief werd door de Duitsers vaak geraadpleegd. Op verzoek van het Nederlandse verzet werd dit archief op 11 april 1944 om 15:00 uur gebombardeerd door de geallieerden. Het ambtelijk personeel was nog aan het werk toen het bombardement begon. Er vielen 59 doden, waaronder ook een aantal Nederlanders die aan het verzet hand-en-spandiensten verleenden.

Maar toch bewees de jodin Alice Cohn (1914-2000), een Duits-joodse graficus die in 1936 naar Nederland was gevlucht, dat het bewijs te vervalsen was. Door gebruik van blanco documenten, het verwisselen van foto’s en het aanpassen van details heeft zij in het geheim de levens van honderden mensen gered.

Voor personen die legaal in een gemeente verbleven was het krijgen van een persoonsbewijs geen probleem. Maar voor vele onderduikers en personen met een functie waarbij de juiste geboortedatum of naam gevaar liep, waren valse persoonsbewijzen bitterhard nodig. Ook tewerkgestelden voor Duitsland liepen met een “verkeerde” geboortedatum gevaar.

Voor een dergelijk vals bewijs was men natuurlijk op de gemeente aangewezen omdat zij de blanco persoonsbewijzen in bezit hadden. Maar een gemeentebestuur zal die illegale werkzaamheden natuurlijk niet aan de grote klok kunnen hangen. Het was geheel afhankelijk van de secretarieambtenaren die dat aandurfden.  Persoonsbewijzen moesten gemaakt en uitgereikt worden. Vier secretarieambtenaren maakten zoveel overuren in hun vrije tijd dat zij gezamenlijk f. 150,00 uitbetaald kregen. Het Nationaal Holocaust Museum heeft op haar website een film  waarin op wordt weergegeven hoe de invulling van de bewijzen plaatsvindt en op welke wijze de foto’s worden gemaakt.

In 1941 genoot Joop Schweitzer als aankomend ambtenaar (volontair) gedurende enkele maanden tijdelijke inkomsten als gemeenteambtenaar van Gaasterland toen hij meehielp aan de invoering van de legitimatieplicht. Hij verdiende hiermee f. 225,00 (€ 100,00) en ging daarmee direct naar de kledingzaak van Steegenga in Balk om kleding te kopen. Vlak daarna werd hij onderduiker in zijn ouderlijk huis. Bij een grote razzia in Balk vluchtte hij naar Elahuizen waar hij op 4 augustus 1944 werd doodgeschoten. Er is een proefexemplaar bewaard gebleven van een PB dat door Joop Schweitzer moest worden ingevuld. De handtekening is van ambtenaar Simon Helder.

 

 

Fotograaf Marten Mandemaker (1902) in Balk was al snel begonnen met de voorbereidingen voor het maken van pasfoto’s. Hij verwachtte terecht heel drukke dagen. Zo druk dat hij zelfs op Eerste en Tweede Kerstdag geopend was. In de Balkster Courant van 14 september 1940 plaatste hij een advertentie.  Daarin is te lezen dat Mandemaker de gehele Zuidwesthoek wilde bezoeken voor het maken van de verplichte foto’s.

Mandemaker was een actieve fotograaf. Van hem zijn ook de 36 foto’s die hij gemaakt heeft op 17 april 1945 in Balk tijdens de intocht van de geallieerde militairen. Hij woonde met gezin op het adres Julianastraat 3 in Balk.

Er waren drie manieren om de vervalsing te realiseren.4)  Maar de gemakkelijkste manier voor een burger was om aangifte doen bij politie en gemeente van het verlies van je persoonsbewijs. De gemeente kreeg hiervoor weer een blanco PB toegestuurd. Koerierster Janny de Boer uit Balk heeft een dergelijke aangifte gedaan.

Het probleem was natuurlijk ook hoe de burger aan een vervalste kaart kon komen. Men kon toch moeilijk een ambtenaar aan de balie aanspreken met de vraag hem een vervalste kaart te geven. Stel je voor dat het een valstrik was of dat iemand anders dat hoorde en aan anderen zou verklappen. Het voordeel van een kleine gemeente - zoals die van Gaasterland – was dat men “ons-kent-ons” kent met ambtenaren die allemaal in dezelfde perkte ruimte zaten. Het moest een vertrouwde burger zijn bij een vertrouwde ambtenaar. Verzetsleider Benjamin Steegenga had veelvuldige contacten opgebouwd binnen het gemeentehuis en als hij kwam met een naam uit zijn verzetsgroepen of onderduikadressen dan werd daaraan meegewerkt.

Een andere vervalsingstruc waaraan meegewerkt werd, was om Joodse onderduikkinderen bij te schrijven als een wettig kind in het trouwboekje van de onderduikouders. Dat moest met een zo jong mogelijke geboortedatum zodat de leerplicht zo lang mogelijk kon worden uitgesteld. Ook moest er bij de geboortedatum gelet worden op de leeftijd van de onderduikmoeder en dat er minimaal een jaar verschil zat met het vorige kind in het trouwboekje. Van het bijgeschreven “valse” kind werd weer een persoonskaart tussen de officiële persoonskaarten gezet en het kind bijgeschreven op de persoonskaart van de “vader”. 5)

Maar op een bepaald moment dreigde het allemaal spaak te lopen. De gemeente Gaasterland kreeg plotseling controle van een rijksinspecteur uit Den Haag. Die pluisde alles na en constateerde dat de administratie van persoonsbewijzen hiaten vertoonde. De ambtenaren konden niet zo snel een goed antwoord vinden en men dacht dat de rapen nu gaar waren, maar… de inspecteur zei toen dat hij het niet zou rapporteren als hij drie pond boter mee zou krijgen. Het is niet bekend geworden of hij de boter gekregen heeft.

Hieronder eerst een voorbeeld van het officiële persoonsbewijs van Johannes van der Werf uit Balk met daaronder het valse. Beide kopieën zijn afkomstig van Piet van der Werf uit Heerenveen.

Het echte persoonsbewijs

Het valse

Het goede persoonsbewijs is ondertekend door Thijs van Hout en het ongeldige met de gefingeerde naam Haarsma. Op het juiste bewijs is Van der Werf drie jaar ouder en woont hij op het adres Balk 409 en dat is later vernummerd in L:ytse Side 14, Balk. Het onjuiste bewijs schrijft Balk 309 als adres en dat is naar Raadhuisstraat 47 in Balk vernummerd waar groentekweker Johannes Schotanus woonde. De vraag is dan of de familie Schotanus wist van de valse kaart. Zou de gemeente eerst toestemming gevraagd hebben? Verder was de naam van de echtgenote Hendrika Maria de Jong en dus als Jongsma ingevuld. Ook al was er een valse persoonskaart ingevuld, dan nog hadden controleurs in de burgerlijke standregisters kunnen controleren wat de juiste geboortedatum was. De naam van ambtenaar Haarsma was ook onbekend geweest bij controle.

De Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters had natuurlijk een lijst met afgegeven nummers en dan zou opvallen dat het nummer van het valse bewijs niet aan Gaasterland was afgegeven. Maar doordat het gebouw van de Rijksinspectie in april was gebombardeerd is de administratie wellicht in het ongerede geraakt en daardoor niet meer controleerbaar. Er werden ook persoonsbewijzen gebruikt die bij een overval bij een andere gemeente door de illegaliteit was buitgemaakt. Het is bekend dat die ook bij verzetsleider Steegenga in Balk terecht kwamen en die op zijn beurt weer aan de vertrouwde ambtenaren in Balk ter hand stelde. In Gaasterland werden de nummers gebruikt van andere gemeenten. Dan kon men achter komen doordat het gemeentestempel van Gaasterland werd gebruikt.

HET MAKEN VAN EEN VALS PERSOONSBEWIJS

In Gaasterland werden de persoonsbewijzen vervalst door er andere gegevens en een foto op te zetten. Dat is een ander soort vervalsing dan het namaken van een papieren persoonsbewijs dat grote speciale kennis moest bevatten en bezit van namaakmateriaal. Een zeer gevaarlijke bezigheid waar dankbaar gebruik van werd gemaakt door het verzet in Friesland. De Landelijke Hulp aan Onderduikers (L.O.) in Friesland had hiervoor specialisten die als falsificatiebureau een apart onderdeel vormden, genaamd L.O.C. Fr. (C voor Centrum) en droeg de naam Fabu of Efka. Er werd met drie mannen begonnen in een groot winkelpand in de Grote Kerkstraat in Leeuwarden.

Toen de bezetter zijn eerste aanval op de Joden begon, moest hun kleding van een ster in hun Persoonsbewijs van een grote letter J worden voorzien. Dat was aanleiding voor de Friese falsificatieploeg om aan het werk te gaan. Die letter moest natuurlijk verwijderd worden en langs chemische weg lukte dat niet. Daarom werd de J met een doktersscalpel uitgesneden over de helft van de dikte van het papier en een even groot stuk van een ander Persoonsbewijs daar ingeplakt. Men moest dan wel over oude Persoonsbewijzen beschikken. Er waren voldoende mensen die bereid waren aangifte te doen met als verklaring dat zij hun document hadden verloren. Ook bij de distributiestamkaarten en de daarbij behorende inlegvellen deed men dat. De gemeente verstrekte daarna wel weer een nieuwe. Met zulke oude PB’s werden ook door de Duitsers gezochte personen geholpen door de foto te vervangen. Dat was langs een zeer ingewikkelde weg mogelijk. De vingerafdrukken moesten uiteraard ook gewijzigd worden. Allerlei scheikundige, fotografische en technische foefjes moesten daarbij worden toegepast. Er waren twee mannen die na veel oefenen ware meesters waren in het vervalsen van een handtekening. Zij deden dat met een anilinepotlood. Toen er later veel blanco Persoonsbewijzen in gemeentehuizen werden “gekraakt”, moesten de nummers worden gewijzigd. Na de diefstal werden de gestolen nummers gepubliceerd. Op het persoonsbewijs staan op drie plaatsen het nummer. Het oude nummer moest weggepoetst (raderen) worden, geplet, gefixeerd en opnieuw worden ingetekend. Met verdunde Oost-Indische inkt was men een half uur bezig met iedere nummer zodat men tenminste anderhalf uur met een bewijs bezig was. Er konden dus geen grote hoeveelheden in korte tijd gemaakt worden.

Gelijktijdig met deze persoonsbewijzen werden de noodzakelijke zegels, controlezegels en afdrukken van het gemeentestempel gegapt. Deze laatste afdrukken werden voor het maken van een cliché gefotografeerd, bijgetekend en per speciale koerier naar een clichéfabriek in Groningen gebracht. Deze fabriek werd door de Duitsers opgerold en toen werd het Zwolle. Terug in Leeuwarden werd daarvan weer een rubberstempel gemaakt, of liever drie exemplaren tegelijk: één voor het gebruik zelf; één voor reserve en één voor het archief. Er werd altijd voor een “achterdeur” gezorgd als de Sicherheidsdienst eens een inval zou doen. Het bureau beschikte over twee “werkplaatsen” Waren er op een bepaald moment b.v. op punt A 100 persoonsbewijzen, 500 Ausweise en 30 stempels, dan waren er op punt B in Leeuwarden evenveel PB’s, Ausweise en stempels. Dat bewees zijn nut toen bij de Duitse inval in de “werkplaats” in de Nieuwburen van Leeuwarden. Alles ging verloren. Volgens hun eigen zeggen was er nog nergens ter wereld zo’n volledige collectie ontdekt. De Duitsers dachten dat het nu wel voorbij zou zijn, maar de volgende dag draaide alles weer normaal in de tweede “werkplaats”.

Het Falsificatiebureau in Leeuwarden heeft heel veel gedaan. Bekend is dat zij meer dan 8000 Z-kaarten heeft vervalst; veel bewijzen nagemaakt dat de fiets niet gemist kon worden; departementale legitimatiepapieren, bruine Ausweise voor de veeteelt, landbouwvrijstellingen, afkeuringsbewijzen voor de arbeidsdienst, "Urlaubscheine" voor het vliegveld; "Marschbefehle" voor de Sicherheidsdienst, honderd verschillende gemeentestempels, politie, Wehrmacht, Marine, Reichskommissaris enz.

WIE WAREN DE VERVALSERS IN GAASTERLAND ?

Met medeweten en goedkeuring van de gemeentesecretaris Hendrik van der Wal hebben Thijs van Hout, Otto Otto (dezelfde voornaam als achternaam), Simon Helder en Janny de Boer vanaf de herfst in 1943 op grote schaal aan de vervalsingen meegewerkt. Hun methode bestond uit het vragen van een derde foto.

Het was een wettelijke verplichting om bij een aanvraag twee pasfoto’s in te leveren. Maar in Balk werd een derde pasfoto gebruikt als de persoon een vervalst document moest hebben. Er werd één pasfoto gebruikt voor het persoonsbewijs zelf. De tweede foto moest foto moest worden geplakt op het door aanvrager getekende ontvangstbewijs dat de gemeente moest opsturen naar de Rijksinspectie van Bevolkingsregisters in Den Haag. De derde foto werd op een extra ontvangstbewijs geplakt met de valse gegevens met een valse handtekening en een valse vingerafdruk.

Het Raadhuis in Balk

De derde foto werd op een extra ontvangstbewijs geplakt met de valse gegevens met een valse handtekening en een valse vingerafdruk. De vingerafdruk werd erop gezet door typiste (en koerierster) Janny de Boer uit Balk. Voor jeugdige personen zette zij haar vingerafdruk omdat zij al jeugdig persoon de dunste vingers van de ambtenaren had. Wel moest er een officiële handtekening op van een bevoegde ambtenaar. Aan de hand van het aantal ontvangen opgezonden ontvangstbewijzen kreeg de gemeente hetzelfde aantal blanco persoonsbewijzen legaal terug. En daar zat de eerste truc in want de blanco kaart kon nu helemaal met vervalste gegevens worden ingevuld met de derde ingeleverde foto. Maar er moest meer gebeuren om het allemaal echt te laten lijken. De Duitsers zouden het persoonsbewijs kunnen controleren op de juistheid van de gegevens en dan viel de bewijshouder door de mand. En dus moest er in het gemeentelijke bevolkingsregister op de persoonskaart van betrokkene wijzigingen worden aangebracht en dat was uiteraard een doodzonde. Er werd een nieuwe persoonskaart gemaakt met daarop de vervalste gegevens en de echte persoonskaart werd uit de bak gehaald en ergens anders opgeslagen. Van het Gaasterlandse vervalsingsteam is bekend dat een ieder wel problemen heeft ondervonden. Voortdurend was er groot gevaar voor verraad aanwezig omdat in het kleine gemeentehuis de gemeenteontvanger “pro-duitsch” was en lid van de Nederlandse Volksdienst. Hij liet zich in zijn diensttijd veelvuldig uit over zijn sympathie voor de bezetters. Door het Tribunaal in Sneek werd hij in 1946 veroordeeld tot een boete van drieduizend gulden; het inleveren van zijn radio en 10 jaar uitsluiting van beide kiesrechten gedurende 10 jaar. Ook het door hem gefraudeerde bedrag van f. 3164,00 moest worden terugbetaald Zijn baan was hij kwijt.

Het vervalsingssysteem bleek in de praktijk prima te werken maar er zaten natuurlijk ook ontdekkingsmogelijkheden in. Er wordt vaak een gezegde gebruikt “Wat een mens maakt, moet hij ook kunnen namaken”.  Zo hebben de Duitsers nooit een controle gehouden op de registers van de Burgerlijke Stand waarin de exacte geboortedatum stond, de huwelijksdatum of de overlijdensdatum. Men heeft daaraan niet gedacht of teveel werk gevonden.  

HENDRIK VAN DER WAL (1896-1972)

Hendrik van der Wal was gemeentesecretaris en had vanaf 1 januari 1943 tot 1962 de ambtelijke leiding over het gehele gemeentelijke apparaat. Hij wist van de vervalsingen maar liet de ambtenaren hun gang gaan. Hij paste als een goede herder op zijn schapen. Dat bleek bij een voorval in de eerste week van augustus 1944 tijdens de grote razzia in Balk. Hij had heel inventief een plakkaat op de deur van het gemeentehuis gehangen met de tekst ”Ansteckende Krankheit (besmettelijke ziekte). Daarmee wilde hij verhinderen dat de Duitsers in het bevolkingsregister en bij de blanco persoonsbewijzen gingen neuzen. 

HOOFDCOMMIES THIJS VAN HOUT, de 1e AMBTENAAR

(geboren in Balk in 1911 en overleden te Koudum in 1977). Hij was de zoon van Klaas van Hout (1877 - 1959) en van Antje van Hout – Haga (1878 - 1962). Zijn vader Klaas van Hout was gemeentesecretaris van Gaasterland geweest tot 1 januari 1943. Thijs van Hout werd later burgemeester van Staveren (1956-1976).  

Ook zijn drie broers werden burgemeester: Bauke Gosse in Marken en Zelhem; Johannes in de gemeente Hennaarderadeel en de gemeente Wymbritseradeel. Hendrik werd burgemeester in Gramsbergen.

Op 4 augustus 1944 werd domineeszoon Joop Schweitzer uit Balk bij Elahuizen doodgeschoten. Hij werd bij identificatie door een Landwachter herkend maar op zijn persoonsbewijs stonden andere gegevens. Nog op diezelfde avond werden de ouders van Joop door de nazi’s verhoord over hun zoon. Er werd hen niet verteld dat hij was doodgeschoten. De ouders vertelden aan de Duitsers dat ze niet wisten waar hun zoon was en ze hadden er ook geen idee van hoe Joop aan een vals persoonsbewijs was gekomen.

De volgende morgen verscheen bakkersvrouw De Boer bij het huis van ambtenaar Thijs van Hout. Zij vertelde dat de familie Schweitzer haar de boodschap had meegegeven dat Joop gepakt was maar niets had losgelaten over hoe hij aan dat vervalste document was gekomen. Dat was maar goed ook zodat de familie Van Hout direct op de hoogte was. Bij de woning van Van Hout staat plotseling een zijspan van de Grünen vlak bij hun woning. “Weet u ook waar Van Hout woont?” Nee !  

Mevrouw Van Hout liep door en via de heg met de buren het huis in. Thijs van Hout liep direct naar gemeentesecretaris Van der Wal. Dan gaan de Duitsers naar secretaris van der Wal. In het gemeentehuis wordt het persoonsbewijs van Joop Schweitzer gecontroleerd. Thijs hoefde dus niet onder te duiken. Maar Van Hout vond het verstandiger toch maar even van het toneel te verdwijnen en hij nam een week vakantie op. Samen met zijn vrouw en kinderen vertrok hij naar zijn schoonouders in Aalten. Toen na een week bleek dat hij niet meer gezocht werd, keerde de familie naar Balk terug en ging van Hout weer door met zijn ambtelijke werkzaamheden. 

Op een bepaald moment beet Van Hout van zich af. Een was een jongeman op de gemeentesecretarie verschenen en die alleen van Hout spreken. De jongen vroeg of van Hout een vals document wilde maken. “Hoe kom je aan mijn naam”, vroeg hij. “Mijn vader heeft mij verteld dat u dat wel deed”.  “Nu, vertel je vader maar dat ik zoiets gevaarlijks niet doe”. Stel je voor dat deze jongen verder zou vertellen dat hij een vals persoonsbewijs van Van Hout had gekregen.

"De 1e ambtenaar Van Hout heeft flink zijn best gedaan”, aldus verzetsleider Benjamin Steegenga in zijn oorlogsverslag over Balk.  

Hij vertelt verder: “Het begon heel in het klein. Steegenga hield mij, van Hout, eens aan om een vals persoonsbewijs. Je stond er toen erg afwijzend tegenover om fraude te plegen. Steegenga zei toen vijfentwintig gulden en toen was het helemaal mis. De jood Leo ten Brink – schuilnaam- heeft moeite gehad om mij zover te krijgen. Volgens deze Leo was Gaasterland een van de eerste gemeenten die valse persoonsbewijzen heeft afgegeven in de herfst van 1943. In het laatst gaven wij er maandelijks meer dan 20 uit. Steegenga kreeg ze en liet ze naar Sneek brengen. Van Hout heeft eens op een morgen 18 valse persoonsbewijzen uitgereikt en dat was een record. Het was meestal de verzetsstrijder “Reade” Rinke de Boer uit Sondel die de kaarten van van Hout in ontvangst en daarna zorgde voor een goede bestemming. (De allereerste persoonsbewijzen die Rinke de Boer meekreeg waren door van Hout gemaakt en die waren afkomstig uit Beverwijk).  Hier in Friesland is er toen iemand gekomen met persoonsbewijzen uit Den Haag dat overrompeld was. Wij hadden er toen wel 100 en ik geloof dat Sneek er toen wel 1000 had”.  

Pieter de Jong uit Oudemirdum werkte bij de distributiedienst in Balk. Hij heeft geschreven dat hij “zaken” deed met Thijs van Hout. De laatste zorgde voor een nieuw persoonsbewijs toen dat voor mij van groot belang werd. Het was eerst zo dat 20- en 21-jarigen naar Duitsland moesten te werken. Telkens schoof die leeftijd op zodat een steeds grotere groep óf moest onderduiken óf een ”Ausweis” moest hebben óf een vals persoonsbewijs. Ik werd dus via een ander persoonsbewijs een jaartje ouder en ik kon mij zo nog enigszins vrij bewegen.

Hieronder zijn persoonsbewijzen. Het eerste persoonsbewijs is de juiste. Bij het tweede was zijn naam Pieter Hoekstra en was hij 11 maanden ouder.

In november 1944 kwam de actieve jodenhelper Bauke van der Wal, grossier uit Balk, bij Thijs van Hout. Ook van der Wal wist dat van Hout iemand aan een vals persoonsbewijs kon helpen. De vraag was nu om aan een gedeserteerde Duitser een vals PB te geven. Zijn naam was Johan Paul Stummel die op meerdere onderduikadressen verbleef in o.a. Rijs, Balk en Harich. Van Hout zorgde weer voor een PB en die heel goed moest zijn moest want Stummel was moeilijk binnen te houden bij zijn onderduikadressen.  Toch maakte van Hout een bewijs en vulde de naam in van Piet Bosma. De vervalste PB is te zien in het verzetsmuseum in Leeuwarden.

SIMON HELDER, 2e AMBTENAAR 

Simon Helder werd geboren in 1920 te Workum  en overleed in 1988 te Drachten.
Van hem is bekend dat hij eenmaal is ondergedoken geweest, toen bleek dat de Duitsers bij een arrestatie een vals persoonsbewijs hadden ontdekt dat door hem was afgegeven. Hij heeft vele vervalsingen tot een goed einde gebracht. Zijn vader was politieagent Helder uit Balk. Die had hem meerdere malen gewaarschuwd om geen gevaarlijk werk te doen. Vader Helder had zelf meerdere maanden gevangen gezeten in 1943-1944 vanwege zijn rol bij de Wild-West overval op de distributieploeg in Rijs. Hij wist dus waar hij over sprak. Het heeft zoon Simon Helder niet kunnen bewegen om met de vervalsingen te stoppen. In 1951 vertrok Simon als commies naar Smilde.

 

OTTO OTTO, 3e AMBTENAAR

Otto Otto werd op 1 februari 1920 in Dordrecht geboren.
Zijn ouders waren Floris Otto en Anna Otto – Zippro.
Otto was getrouwd met Truus Duindam. Het huwelijk bleef kinderloos. Het laatste woonadres was Sickengastraat 2 in Wolvega. Otto overleed daar op 10 april 1993 in Wolvega na een ernstige ziekte. 

De crematie was 15 april 1993 in Meppel. In de rouwadvertentie was als tekst opgenomen:  

“Eén vuurbaak staat te branden 

in ’t duister van de dood”.

 

Foto van Otto bij zijn afscheid in 1983

De procedure van de vervalsing in Gaasterland is beschreven door Otto Otto die in de oorlogsjaren vanaf 1943 werkzaam was op de gemeentesecretarie in Balk. Hij bleek een man met veel inzet en intelligentie. Hij was uiteindelijk ambtenaar, bestuurder en PvdA-politicus van Nederlands Hervormde huize.  Tijdens jarenlange avondstudie behaalde hij de gemeentediploma’s Gemeenteadministratie I en II en het diploma Gemeentefinanciën. 
Hij begon zijn ambtelijke carrière bij de sociale dienst in zijn woonplaats Dordrecht. Daarna ging hij naar Velsen en vandaar naar Den Haag. Hier werd hij als secretarieambtenaar op een gegeven moment door de Duitsers gearresteerd en zat hij enige tijd gevangen in het Oranjehotel in Den Haag. Toen hij vrijkwam is hij in 1943 Balk terechtgekomen. Hier vertrok hij na 5 jaar in 1948 als hoofdcommies naar de gemeente Doesburg om daarna op 1 januari 1953 gemeentesecretaris van Ruinen te worden.  

Van 1954 tot aan zijn vertrek naar de gemeente Weststellingwerf op 14 februari 1966 was hij lid van Provinciale Staten van Drenthe. In Weststellingwerf was hij tot aan zijn pensionering op 1 juni 1983 gemeentesecretaris. Bij zijn afscheid kwalificeerde de burgemeester van Weststellingwerf hem als ”een secretaris met stijl die een loopbaan heeft gehad als een klok”.  

 Tot opluchting van de illegaliteit in Gaasterland en bijna alle collega’s bleek hij uit het goede hout gesneden te zijn. In zijn memoires beschreef verzetsleider Benjamin Steegenga dat de vervalsing in Balk in de herfst van 1943 was begonnen. En dat was de periode dat Otto Otto in Balk ging werken. Wellicht is hij de initiator geweest. In mei 1943 was de tewerkstelling in Duitsland verplicht geworden voor mannen tussen 18 en 35 jaar.  Deze categorie moest dus een andere geboortedatum hebben.  Marten de Boer uit Balk verklaarde in de bevrijdingsbijlage van 1995 dat Otto een groot aandeel heeft gehad bij het creëren en de verschaffing van extra persoonsbewijzen. Marten de Boer zal dat ongetwijfeld van zijn zuster Janny hebben gehoord die ook aan de vervalsingen deelnam.   

In Den Haag werd een Joodse mevrouw opgepakt die in het bezit was van een vals persoonsbewijs met de handtekening van een bevoegde ambtenaar. Deze handtekeningen waren allemaal vastgelegd en opgestuurd naar Den Haag. Men kon dus nagaan of de handtekening juist was. De illegaliteit van Gaasterland kreeg van deze arrestatie via-via een bericht en er werden onmiddellijk extra maatregelen genomen. De verantwoordelijke ambtenaren konden bij deze onraad dus snel wegkomen. Dat bleek niet ten onrechte want even later was er in een nacht bij de familie Boorsma in Balk een overval. Er werd gezocht naar hun kostganger Otto Otto, de betrokken ambtenaar, maar hij was gelukkig al verdwenen.   

Toen echter het bericht bij ambtenaar Otto Otto kwam dat er een SD-er op de stoep voor het gemeentehuis stond, is Otto direct naar de gemeentesecretarie teruggegaan. Het bleek dat een Gaasterlander met de naam “Pieter Veldman” was opgepakt en inmiddels naar Leeuwarden was overgebracht. Deze Gaasterlander was Johannes van der Werf die in Sint Nicolaasga was ondergedoken en daar was opgepakt. Hij werd verdacht van het hebben van een vals persoonsbewijs. Otto haalde de (valse) persoonskaart erbij en daarop bleken dezelfde gegevens te staan zoals die op het persoonsbewijs stonden. Dus “Veldman” ging vrijuit en kon naar Balk terugkeren. Het systeem had dus nu perfect werk gedaan. Maar was de SD-er slim geweest dan had hij de geboorteakte bij de rechtbank moeten opvragen want daar stond de juiste geboortedatum. Door het vervalsen van de geboortedatum hoefde “Veldman” niet naar Duitsland voor verplichte werkzaamheden. 

JANTJE DE BOER (roepnaam Janny)

Zij werd geboren op 28 juli 1925 in Balk en overleed 1 december 2012 in Trondheim, Noorwegen. Haar ouders waren Tjalke de Boer (1901-1971), autobusondernemer uit Balk en Janke Bakker (1898 – 1967).

Janny werd de jongste medewerkster in het gemeentehuis van Balk. In die tijd was zij ook koerierster. Zij heeft haar oorlogsbelevenissen opgeschreven. Daarin schrijft zij ondermeer het volgende: “Verder hielp ik bij het schrijven van PB (Persoonsbewijzen), distributiekaarten enz. Ook was het fijn om voor mijn collega’s wat meer vingers te krijgen voor valse vingerafdrukken op de zgn. Ontvangstbewijzen. Wij gebruikten niet alleen onze rechterwijsvingers… Ik herinner mij dat ik mijn Persoonsbewijs zogenaamd verloor om er 2 stuks voor in de plaats te krijgen.    

Ik was erg jong en erg onervaren, maar ik voerde alles uit wat er van mij verlangd werd zonder te vragen waarom”. Er werd trouwens heel weiniggepraat”. De heer Ties van Hout speelde een centrale rol in het illegale werk in de secretarie. Hij deed dit samen met een andere ambtenaar, waarvan de naam Helder was naar ik meen. De heer Otto Otto heeft zeer zeker een rol gespeeld in deze illegaliteit.

NOTEN

1) Lentz werd geboren in 1894 in Den Haag. In 1913 kreeg hij een aanstelling bij het Haagse bevolkingsregister.  In 1923 behaalde hij zijn diploma ‘gemeentelijke bevolkingsadministratie’. In 1926 was hij hoofdfunctionaris bij de afdeling algemene zaken en bevolkingsregister op het Haagse stadhuis. In 1932 werd aan het departement van Binnenlandse Zaken een Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters toegevoegd. Over deze inspectie kreeg Lentz de leiding. Hij kreeg de taak om te bevorderen dat er meer eenheid zou komen in de bevolkingsregisters van de gemeenten. Die registers waren destijds verre van adequaat.
Lentz werkte intensief aan deze taak. "Regelmatig werkte hij halve nachten door. Hij verwaarloosde zijn gezin – een gezin dat zijn arbeid in de oorlogstijd met afschuw gadesloeg; zijn vrouw liet zich van hem scheiden." (Loe de Jong, Het Koninkrijk..., deel 5, pag. 432). Na de scheiding van zijn vrouw was hij bij zijn nicht in pension tot zijn dood in 1963. Lentz was geen nazi. Hij werd begin jaren dertig bestuurslid van de Vrijzinnig Democratische Bond in Voorburg waar hij heel duidelijk pleitte tegen de nationaalsocialistische opmars. Later richtte hij een eigen partij op, die door de bezetter echter werd verboden. Hij was trots op zijn werk voor de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters. Tegenwerking uit het verzet heeft Lentz niet doen twijfelen. 

2) Het persoonsbewijs is niet te verwarren met een Ausweis. Een Ausweis was een papieren document dat aangaf dat men vergunning had om op een bepaalde plaats of gedurende een bepaalde tijd aanwezig te zijn of dat er sprake was van een vrijstelling (zoals Arbeitseinsatz of dienst aan het front). In zo’n geval spreekt men dan van een sonder-ausweis.  

Moest men bijvoorbeeld werken gedurende de spertijd, dan had men een Ausweis nodig. Een Ausweis is dus niet hetzelfde als een persoonsbewijs, hoewel beide documenten vaak met hetzelfde woord worden aangeduid. Een persoonsbewijs had echter voor landarbeiders wel het karakter van een (sonder-)ausweis omdat de beroepsvermelding vrijstelling verleende voor onder meer de Arbeitseinsatz. 

3) Het persoonsbewijs zelf was bijna niet na te maken Dit had mede te maken met de inktsoort die voor het persoonsbewijs werd gebruikt: onder een kwartslamp werd de inkt onzichtbaar. Ook reageerde het karton van het persoonsbewijs met aceton, waardoor veranderingen in de geschreven tekst direct opvielen. Verder was het niet mogelijk om de pasfoto in het persoonsbewijs te verwijderen. Hierdoor werd een doorzichtige zegel aan de achterkant verbroken, waarop een vingerafdruk stond. De lijm van de zegel was buitengewoon moeilijk te verbreken, zonder dat de zegel ook verbrak. De vingerafdruk op de achterkant van de pasfoto moest weer overeenkomen met de vingerafdruk aan de linkerkant. Vervalsingen met een pasfoto waren daarom vrijwel uitgesloten. 

 4) Drie vervalsingsmogelijkheden. 

1e. Een bestaand persoonsbewijs vervalsen door er andere persoonsgegevens op te zetten. Daartoe werden deskundigen gevraagd zoals reclameschilders, scheikundigen en bouwkundige tekenaars. De foto’s werden aan de voorzijde heel voorzichtig afgekrabd en dan kwam er een nieuwe foto op. De achterzijde was vastgeplakt met een zegel en moeilijk te verwijderen zonder daarbij het zegel te beschadigen. 

2e. Een andere vervalsingsmogelijkheid was om een volledig nieuwe vervalste en gedrukt persoonsbewijs te maken. Maar het persoonsbewijs was zo goed gedrukt dat een vervalsing door controleurs snel zou worden ontdekt. De kleur van de printinkt was altijd anders dan bij een echt PB en ook het papiersoort was anders. 

3e. Een derde vervalsingsmogelijkheid was een echt PB zelf. Deze kwamen van meerdere gemeentehuizen. Een ambtenaar zocht in de kaartenbak of het woningregister naar namen van overleden personen waarvan de gegevens aardig overeenkwamen met de persoon waarvoor de vervalste PB bestemd was.
In het bevolkingsregister werd gewoon een nieuwe persoonskaart aangemaakt met verzonnen gegevens. Er werd wel een overlijdensakte opgemaakt maar het overlijden werd niet op de persoonskaart bijgewerkt zodat hij of zij als levende persoons in de kaartenbak was opgenomen. Iemand anders kreeg dan de naam van de overleden persoon. Tenslotte moest er nog een zegel op een PB vervalst worden nadat elke jongeman met het geboortejaar vanaf 1920 tot en met 1924 had voldaan aan de verplichte opkomst voor de tewerkstelling in Duitsland. Het verkrijgen van een zegel is de reden geweest dat er door het verzet overvallen op de gemeentehuizen plaatsvonden om zelf aan PB’s en distributiekaarten te komen.  

5) Na de oorlog werden alle persoonskaarten weer gecontroleerd en van alle vervalsingen ontdaan. Op de officiële persoonskaart werd bij akkoordbevinding in vak 23 de letter C (gecontroleerd) geplaatst en tenslotte werd alles bij de Volkstelling van 1947 nog eens gecontroleerd. De aantekening V47 werd dan op de persoonskaart gezet. Als er een onjuiste persoonskaart werd gevonden waarmee een vals persoonsbewijs was afgegeven, dan kwam de aantekening “Valsch” er op te staan. De kaart werd niet vernietigd maar opgeslagen in het verwijsregister van vertrokken en overleden personen.

Hieronder is zo’n voorbeeld. De aantekening “Valsch” werd met blauw potloodschrift hierop aangebracht. Ter wille van de privacy heeft de gemeente De Fryske Marren alle persoonsgegevens gewist.  Rechtsboven is een hokje donkergekleurd en werd signaalteken genoemd. Dat betekende dat er nog gegevens op de achterzijde van de kaart stonden zoals kinderen. 

BRONNEN

Voor het samenstellen van deze pagina werden de volgende bronnen geraadpleegd.

  • Boek “Gescheurd Land” door Joke Key-Alta; Piet Bode en Jan Oosterhoff.
  • Boek: “Het Tweede Schot” door Aletta Stevens.
  • Meerdere websites.
  • Persoonlijke gesprekken met collega’s tijdens de ambtelijke loopbaan van Jan Geert Vogelzang in de periode 1970-2005 in het Bureau Burgerzaken van Gaasterland/Gaasterlân-Sleat.
  • Balkster Courant.
  • Fryslân Frij (1946). Gezamenlijke verzetsorganisaties in Friesland
  • Archief Gemeente De Fryske Marren, René Rispens.
  • Schriftelijk verslag van “vervalser” Janny de Boer.
  • www.langsdeluts.nl
  • Oud-ambtenaar Jan de Vries uit Wolvega.